-
Boek. Pagina 51

Opdracht 5. Maak minimaal 10 vragen. Gebruik nummers: 1,2,3…
Post your answer below:128 Comments-
1. Heb je de sleutels?
2. Hebt u een afspraak?
3. Heeft ze huisdieren?
4. Spreekt u Engels?
5. Rekenen zij het totaalbedrag?
6. Schrijf je het document?
7. Verklaart u het inkomen?
8. Wilt u een bonnetje?
9. Hou je van katten?
10. Ben je geïnteresseerd in geschiedenis?
11. Heb je een kaart?
12. Heeft hij broers? -
1. Drinkt Floor koffie?
2. Vinden jullie de antwoorden?
3. Hoort hij het nieuws?
4. Betalen wij de rekening?
5. Hebben zij kinderen?
6. Haal jij het konijn?
7. Maken jullie het avondeten?
8. Koopt hij de pen?
9. Brengen zij de boeken?
10. Leest zij een boek?
11. Poetsen wij de tanden?
12. Verkopen jullie jassen? -
1. Poets jij de kamer?
2. Parkeert u een auto?
3. Oversteekt hij de straat?
4. Schrijven zij brieven?
5. Neem jij de beslissing?
6. Verklaart hij de oefening?
7. Neem jij een glas?
8. Bewaart zij het bestand?
9. Verhuren jullie de kamer?
10. Verf jij een muur?
11. Brand jij het papier?
12. Teleurstelt hij de moeder? -
1. Vangt de kat de muis?
2. Stuurt de raad brieven?
3. Spreekt mijn oma Frans?
4. Wast zij de groente?
5. Heb jij vrije tijd?
6. Koopt zij een nieuwe jurk?
7. Bak je koekjes?
8. Geeft mijn moeder een cadeau?
9. Lezen jullie de boeken?
10. Drinken de kinderen melk?
11. Schrijf jij de e-mail?
12. Slaapt hij in het bed? -
1. Kookt hij de aardappelen?
2. Maak jij huiswerk?
3. Speel je voetbal?
4. Maakt hij de koffie?
5. Ga jij naar school?
6. Schoonmaken jullie de slaapkamer?
7. Luistert zij naar de muziek?
8. Zie jij een paard?
9. Hoor jij een vogel?
10. Eten wij een kip?
11. Rijdt hij een motorfiets?
12. Heeft zij een hond? -
1. Kiezen jullie een huis?
2. Krijg je de aardappel?
3. Sluiten jullie de deur?
4. Bind jij de hond aan de fiets?
5. Schrijf je met een potlood?
6. kook je met haar?
7. Eten jullie vissen of kippen?
8. Drink je koffie of thee?
9. Slaap je in de slaapkamer?
10. Kijk je in de kast of op de plank?
11. Zwemmen jullie in het zwembad?
12. Win je de prijs? -
1. Heb jij een pen?
2. Heeft zij een kat?
3. Heeft hij een kantoor?
4. Eten zij fruit?
5. Hebben zij de paarden?
6. Studeert zij aan de universiteit?
7. Loop jij in het park?
8. Drink jij koffie?
9. Hebben jullie een kopje koffie?
10. Heb jij twee kinderen?
11. Heeft zij een tas?
12. Heb jij een auto? -
1. Versta jij het meisje?
2. Ziet zij de kat?
3. Spreek jij de Nederlandse taal?
4. Leer jij de Nederlandse taal?
5. Leest de buurman de krant?
6. Wandelen jullie met een hond?
7. Horen de jongens de vogels?
8. Hebben wij een appel?
9. Eten zij de sinaasappels?
10. Drink jij de melk?
11. Rijdt hij een auto?
12.Gaan jullie naar de sportschool? -
1. Rijdt u het paard?
2. Serveert serveerster het eten?
3. Vraagt politie de crimineel?
4. Eist zij iets?
5. Hebben zij een fiets?
6. Speelt kinderen in het park?
7. Slapen zij in de kamer?
8. Teken jij het chequeboek?
9. Spreekt Hij Nederlands?
10. Werkt hij thuis?
11. Rekent u de stoelen?
12. Leggen zij op het stran -
1. Geef jij een voorbeeld?
2. Vindt hij het adres van het tankstation?
3. Knipt de klant het papier?
4. Drinkt het meisje een glas water?
5. Mist zij een les?
6. Draagt de man een hoed?
7. Verwacht jij regen?
8. Begrijpt u de lessen?
9. Gebruikt hij de lepels?
10 Zien de studenten de bijlage in de e-mail?
11. Pakken jullie de tassen?
12. Wordt hij vader? -
1. Wil je een koekje?
2. Eet hij kreeft?
3. Koopt zij de boodschappen?
4. Zwem je in de zee?
5. Zien jullie het landschap?
6. Aaien ze de hond?
7. Hebben we een aansteker?
8. Breng je een paraplu?
9. Was je de kleding?
10. Kent hij een loodgieter?
11. Leest ze tijdschriften?
12. Bespeel je een instrument? -
1. Heb jij een tuin?
2. Heeft zij tijd?
3. Helpt hij de collega?
4. Betaalt u (de) boodschappen?
5. Begrijp jij het probleem?
6. Sluit jij het raam?
7. Spelen zij voetbal?
8. Krijgen jullie de instructie?
9. Volgen wij het plan?
10. Gebruik jij het gereedschap?
11. Speelt u piano?
12. Kun jij zingen? -
1. Begrijpen jullie Duits?
2. Bel jij de grootvader?
3. Hebben ze een advocaat?
4. Beschermt hij dieren?
5. Bezoekt u de buren?
6. Duwt hij kinderen?
7. Vervangt ze de lampen?
8. Bedreigt hij de collega?
9. Troosten ze de armen?
10. Feliciteren wij de winnaar?
11. Geven ze geld?
12. Herkennen ze de kat? -
1. Neem je de trein?
2. Helpt u een klant?
3. Knipt hij het gras?
4. Verzoekt zij een vergoeding?
5. Pak jij de bal?
6. Verwachten wij een antwoord?
7. Verdient u geld?
8. Verliezen jullie de wedstrijd?
9. Ontvangen ze de pakketten?
10. Bedient hij het toestel?
11. Maakt zij lawaai?
12. Bestudeer ik de tekst? -
1. Belt ze het kind?
2. Lezen zij het verhaal?
3. Leren jullie het alfabet?
4. Luisteren zij naar het lied?
5. Eet hij een appeltaart?
6. Schrijf je het huiswerk?
7. Drinken wij koffie?
8. Kookt zij het eten?
9. Duwt u de deur?
10. Rijdt zij op het paard?
11. Zoek jij naar de dief?
12. Vinden jullie het geld?
13. Kijken wij naar de film?
14.…Read More -
1. Heb ik een verkeersboete?
2. Gaan zij dit jaar naar Coachella?
3. Heeft zij een bordspel?
4. Wil hij een broek?
5. Komt hij naar mijn verjaardag?
6. Kijken wij naar een roze olifant?
7. Neemt u het stuur over?
8. Lopen zij op het strand?
9. Wonen jullie in een hostel?
10. Maakt zij een margarita? -
1.Heb jij een boek?
2.Heb jij een pen?
3.Geeft Maurice de les?
4.Hebben jullie een huisdier?
5.Zijn jullie kattenliefhebbers of hondenliefhebbers?
6.Hebben jullie een echtgenoot?
7.Hebben jullie kinderen?
8.Kook jij?
9.Rijdt zij een auto?
10.Heeft hij opa en oma?
11.Is het rood?
12.Heb jij een fiets? -
1. Heb jij een fiets?
2. Werk jij vandaag?
3. Spelen zij basketbal?
4. Hebben jullie een hond?
5. Heeft de manager het horloge?
6. Werkt een man bij de winkel?
7. Gaat de vrouw naar de kerk?
8. Heeft de jongen twee paarden?
9. Gaat het kind naar school?
10. Werkt de medewerker vanuit huis?
11. Ziet zij een olifant?
12. Wonen zij in de stad? -
1. Heb jij een huis?
2. Betalen jullie een auto?
3. Schrijven zij een boek?
4. Spreek jij frans?
5. Heeft zij een zus?
6. Leert hij een taal?
7. Kookt de moeder een taartje?
8. Leest de buurman een krant?
9. Luisteren de jongens naar muziek?
10. Vind jij een hond?
11. Woon jij in een huis?
12. Koopt hij een fiets? -
1. Heb jij een fiets?
2. Heeft hij een hond?
3. Heeft zij een kat?
4. Hebben jullie kinderen?
5. Werkt hij thuis?
6. Woont zij in Nederland?
7. Leest de man een boek?
8. Koopt de vrouw een auto?
9. Eet het kind een appel?
10. Ziet de jongen een vogel?
11. Rijdt de student auto?
12. Drinkt de leraar koffie? -
1. Meet de ingenieur de kamer?
2. Ga jij naar het politiebureau?
3. Onderzoeken de privédetectives een winkel?
4. Werken zij in het Binnenhof?
5. Stelt de student een vraag?
6. Bel jij de dokter?
7. Eten de varkens appels?
8. Slapen mensen in bedden?
9. Zwemt zij in het zwembad?
10. Schildert u een portret?
11. Zien jullie de ontvoering?
12.…Read More -
1. Pak jij een bal?
2. Zien jullie rook?
3. Luisteren wij naar de radio?
4. Maakt zij een papieren vliegtuigje?
5. Schrijft hij een roman?
6. Plant u wortels?
7. Kies jij het patroon?
8. Gooi ik de dobbelstenen?
9. Geven zij een cadeau?
10. Houd jij het wisselgeld?
11. Laat hij een vlieger op?
12. Tekent zij een bloem? -
1. Koop ik een jas?
2. Lees jij de krant?
3. Bakt hij een taart?
4. Zingt zij een lied?
5. Voeren wij de paarden?
6. Schrijven jullie de brieven?
7. Kookt u een maaltijd?
8 Fotograferen zij de vogels?
9. Knip je het haar?
10. Repareert hij de fiets?
11. Verzorgt zij de planten?
12. Bouwen wij een huis? -
1. Voelt zij de liefde?
2. Geniet hij van het huwelijk?
3. Draaien jullie de ochtenddienst?
4. Volgen wij de werkvolgorde?
5. Krijgen de klanten een vergoeding?
6. Voel je de trillingen?
7. Gebruikt hij het gereedschap?
8. Doen wij de handelingen?
9. Stellen jullie de voorwaarden?
10. Zoeken zij kinderopvang?
- Load More Posts

1. No “een” needed
8. het sprookje < ?