Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 8 hours, 46 minutes ago
  • 105

    Posts

  • 183

    Members

  • Boek. Pagina 51✍️
    Opdracht 5. Maak minimaal 10 vragen. Gebruik nummers: 1,2,3…
    Post your answer below:

    128 Comments
    • 1. No “een” needed
      8. het sprookje < ?

    • 1. Slaap jij op het bed?
      2. Neemt hij de fiets?
      3. Blijf Daniel op school?
      4. Kookt Reinier de kip?
      5. Kopen jullie het gebouw?
      6. Lezen wij de kranten?
      7. Snap jij dat?
      8. Is hij een hond?
      9. Heb je werk?
      10. Tekenen jullie het schaap?

    • 1. Lees jij het verhaal?
      2. Eten jullie het ontbijt?
      3. Kijkt hij de film?
      4. Geef jij de sleutel?
      5. Zoekt zij het adres?
      6. Heb jij boeken?
      8. Sluit zij de deur?
      9. Krijgen jullie de certificaten?
      10. Branden jullie plastic?
      11. Gebruikt hij een bril?
      12. Begint zij huiswerk?

    • 1. Kop je het huis?
      2. Openen jullie het restaurant?
      3. Krijgt Philippe een laptop?
      4. Eten zij het ontbijt?
      5. Speel je de game?
      6. Kent u een leraar?
      7. Heb je de laarzen?
      8. Drinkt hij koffie?
      9. Vertellen we het verhaal?
      10. Kennen we de man?
      11. Besteden jullie het geld?
      12. Danst zij salsa?

    • 1. Bak ik de taart?
      2. Kijkt hij de film?
      3. Kopen zij de tv?
      4. Bel jij de huisarts?
      5. Wil ik de kat?
      6. Spelen wij de game?
      7. Sluit ik de deur?
      8. Duw jij de doos?
      9. Drinkt zij thee?
      10. Reken ik het geld?

    • 1. Heb je de sleutels?
      2. Hebt u een afspraak?
      3. Heeft ze huisdieren?
      4. Spreekt u Engels?
      5. Rekenen zij het totaalbedrag?
      6. Schrijf je het document?
      7. Verklaart u het inkomen?
      8. Wilt u een bonnetje?
      9. Hou je van katten?
      10. Ben je geïnteresseerd in geschiedenis?
      11. Heb je een kaart?
      12. Heeft hij broers?

    • 1. Leest hij een boek?
      2. Rijdt zij met een auto?
      3. Hebben jullie kinderen?
      4. Spelen wij voetbal?
      5. Praten jullie Engels?
      6. Slaap hij thuis?
      7. Maakt zij een cake?
      8. Kijk jij de film?
      9. Verwacht jij Pieter?
      10. Sluiten jullie de winkel?
      11. Vindt hij de sleutels?
      12. Verkoopt zij de tafel?

    • 1. Drinkt Floor koffie?
      2. Vinden jullie de antwoorden?
      3. Hoort hij het nieuws?
      4. Betalen wij de rekening?
      5. Hebben zij kinderen?
      6. Haal jij het konijn?
      7. Maken jullie het avondeten?
      8. Koopt hij de pen?
      9. Brengen zij de boeken?
      10. Leest zij een boek?
      11. Poetsen wij de tanden?
      12. Verkopen jullie jassen?

    • 1. Knippen jullie papier?
      2. Kook jij vandaag?
      3. Eten zij soep?
      4. Openen wij de deur?
      5. Maak jij een tekening?
      6. Start hij de auto?
      7. Zien jullie de vogels?
      8. Leest zij een boek?
      9. Weet hij het?
      10. Kijk jij televisie?
      11. Fietsen wij naar school?
      12. Speel jij voetbal?

    • 1. Heb jij een fiets?
      2. Woon jij in Eindhoven?
      3. Fietsen jullie naar werk?
      4. Drink ik sap?
      5. Ga jij naar huis?
      6. Spelen we voetbal
      7. Heeft hij een stoel?
      8 koopt ze een jurk?
      9. Draagt hij een jas?
      10. Koken jullie groenten?
      11. Schrijft zij een boek?
      12. Geeft hij een bord?

    • 1. Schrijf jij de brief?
      2. Werk jij thuis?
      3. Geven jullie de bloemen water?
      4. Zoeken zij ze?
      5. Vindt zij hem?
      6. Open ik het raam?
      7. Blijf jij bij mij?
      8. Wachten zij de bus?
      9. Winkel je in de winkel?
      10. Vraag ik veel vragen?

    • 1. Poets jij de kamer?
      2. Parkeert u een auto?
      3. Oversteekt hij de straat?
      4. Schrijven zij brieven?
      5. Neem jij de beslissing?
      6. Verklaart hij de oefening?
      7. Neem jij een glas?
      8. Bewaart zij het bestand?
      9. Verhuren jullie de kamer?
      10. Verf jij een muur?
      11. Brand jij het papier?
      12. Teleurstelt hij de moeder?

    • 1. Krijg jij het salaris?
      2. Verwachten zij een bus?
      3. Verkoopt hij de auto?
      4. Eet jij een vis?
      5. Betalen jullie de tickets?
      6. Opent zij een raam?
      7. Lees jij een krant?
      8. Blijven zij thuis?
      9. Werkt zij op kantoor?
      10. Maken jullie avondeten?
      11. Hebt u een huisdier?
      12. Ziet zij een kat?

    • 1. Heb je een auto?
      2. Zien jullie de hond?
      3. Zijn we een groep?
      4. Kookt hij de maaltijd?
      5. Heb ik een fiets?
      6. Leggen zij boeken?
      7. Weet ze de buurman?
      8. Kijk je een film?
      9. Sluiten jullie de deuren?
      10. Betaalt ze het vlees?
      11. Volg je het paard?
      12. Zijn zij vrienden?

    • 1. Spreek jij Spaans?
      2. Heb jij een fiets?
      3. Speel je spelletjes?
      4. Lees je boeken?
      5. Hebben jullie kinderen?
      6. Speel jij piano?
      7. Eet jij vlees?
      8. Heeft u een huis?
      9. Win jij een medaille?
      10. Weet u het wachtwoord?
      11. Heb jij de sleutel?
      12. Ken je hem?

    • 1. Vangt de kat de muis?
      2. Stuurt de raad brieven?
      3. Spreekt mijn oma Frans?
      4. Wast zij de groente?
      5. Heb jij vrije tijd?
      6. Koopt zij een nieuwe jurk?
      7. Bak je koekjes?
      8. Geeft mijn moeder een cadeau?
      9. Lezen jullie de boeken?
      10. Drinken de kinderen melk?
      11. Schrijf jij de e-mail?
      12. Slaapt hij in het bed?

    • 1. Eet je een ontbijt?

      2. Drink je een melk-koffie?
      
3. Luister je een podcast?

      4. Maak je een woordenlijst?

      5. Heb je een hond?

      6. Rij je een auto?

      7. Kijk je een film?

      8. Eet je een stroopwafel?
      
9. Bel je een medecursist?

      10. Heb je een horloge?

      11. Speel je een sport?
      
12. Spreek je een taal?

    • 1. Koop jij een boek?
      2. Ziet zij een kat?
      3. Ken jij een man?
      4. Eet ik een vis?
      5. Open ik een deur?
      6. Bezoeken jullie een arts?
      7. Draagt hij een tafel?
      8. Zoek jij een recept?
      9. Lezen ze de krant?
      10. Wachten wij een vouw?
      11. Bel jij het meisje?
      12. Heb ik drie katten?

    • 1. Werk jij thuis?
      2. Heeft zij een kas?
      3. Drinkt hij bier?
      4. Rijden zij de fietsen?
      5. Kook jij het avondeten?
      6. Eten jullie suiker?
      7. Heb jij een broer?
      8. Is het een dier?
      9. Zijn zij getrouwd?
      10. Drinkt u een koffie?

    • 1. Plant jij een boom?
      2. Blijft hij in Eindhoven?
      3. Draagt zij een jurk?
      4. Verkoopt hij kleren?
      5. Heeft de student een antwoord?
      6. Ren jij de marathon?
      7. Hoor jij de hond?
      8. Vrees jij spinnen?
      9. Sluit hij de deur?
      10. Spreekt u Nederlands?

    • 1. Snijdt hij een appel?
      2. Koken jullie soep?
      3. Rijd jij een scooter?
      4. Maakt ze de opdracht?
      5. Wast hij het bord?
      6. Hebben jullie tijd?
      7. Is hij ziek?
      8. Koop jij melk?
      9. Brengt zij het kind?
      10. Lezen jullie boeken?
      11. Kijk jij tv?
      12. Verven jullie het huis?

    • 1. Kook je eieren?
      2. Legt hij de schilderij?
      3. Kent ze de buren?
      4. Eist hij een pannenkoek?
      5. Rekenen wij uitgaven?
      6. Poetst u de tanden?
      7. Verwacht ze de trein? 
      8. Stuur je de e-mail?
      9. Sluit je het raam?
      10. Speel je voetbal?
      11. Eten jullie soep?
      12. Drinken zij koffie?

    • 1. Drinken jullie de soda’s?
      2. Speel jij met de bal?
      3. Ren ik de wedstrijd?
      4. Snijdt hij de appel?
      5. Eten zij de maaltijd?
      6. Hoor jij de uitspraak?
      7. Gaat zij naar de bioscoop?
      8. Spreken wij Spaans?
      9. Verander jij de klok?
      10. Begrijpen jullie het probleem?

    • 1. Koopt hij een huis?
      2. Speel je graag voetbal?
      3. Neemt hij het geld?
      4. Drinken jullie water?
      5. Heb je suiker nodig?
      6. Woon je op de vierde verdieping?
      7. Ken jij mijn moeder?
      8. Ben jij leraar?
      9. Vinden jullie de kat?
      10. Ziet u mijn paard?
      11. Sluit zij de deur?
      12. Slaat ze haar broer?

    • 1. Kookt hij de aardappelen?
      2. Maak jij huiswerk?
      3. Speel je voetbal?
      4. Maakt hij de koffie?
      5. Ga jij naar school?
      6. Schoonmaken jullie de slaapkamer?
      7. Luistert zij naar de muziek?
      8. Zie jij een paard?
      9. Hoor jij een vogel?
      10. Eten wij een kip?
      11. Rijdt hij een motorfiets?
      12. Heeft zij een hond?

    • 1. Speel jij een borspel?
      2. Lezen jullie de krant?
      3. Zoekt zij een bal?
      4. Betalen jullie het huis?
      5. Teken jij de bloemen?
      6. Rijdt zij een uur?
      7. Slaap jij een uur?
      8. Zie jij een hond?
      9. Eet hij brood?
      10. Draagt hij een tas?
      11. Schrijft hij een brief?
      12. Is hij een dokter?

    • 1. Draagt hij een jas?
      2. Brengt hij een menu?
      3. Kopen wij een fiets?
      4. Drink je koffie?
      5. Hoor jij een hond?
      6. Eten jullie de appels?
      7. Ziet zij het paard?
      8. Was jij de borden?
      9. Rijdt zij een auto?
      10. Maken jullie het huiswerk?
      11. Vind jij het boek?
      12. Schrijft hij een brief?

    • 1. Kiezen jullie een huis?
      2. Krijg je de aardappel?
      3. Sluiten jullie de deur?
      4. Bind jij de hond aan de fiets?
      5. Schrijf je met een potlood?
      6. kook je met haar?
      7. Eten jullie vissen of kippen?
      8. Drink je koffie of thee?
      9. Slaap je in de slaapkamer?
      10. Kijk je in de kast of op de plank?
      11. Zwemmen jullie in het zwembad?
      12. Win je de prijs?

    • 1. Kies je een auto?
      2. Werkt zij thuis?
      3. Krijgt de man de paarden?
      4. Gaan wij naar de tuin?
      5. Scrijft hij een krant?
      6. Slaapt zij in het hotel?
      7. Hebben wij koffie?
      8. Koken jullie een taart?
      9. Lees jij het boek?
      10. Drink jij bier?

    • 1. Heb jij een pen?
      2. Heeft zij een kat?
      3. Heeft hij een kantoor?
      4. Eten zij fruit?
      5. Hebben zij de paarden?
      6. Studeert zij aan de universiteit?
      7. Loop jij in het park?
      8. Drink jij koffie?
      9. Hebben jullie een kopje koffie?
      10. Heb jij twee kinderen?
      11. Heeft zij een tas?
      12. Heb jij een auto?

    • 1. Versta jij het meisje?
      2. Ziet zij de kat?
      3. Spreek jij de Nederlandse taal?
      4. Leer jij de Nederlandse taal?
      5. Leest de buurman de krant?
      6. Wandelen jullie met een hond?
      7. Horen de jongens de vogels?
      8. Hebben wij een appel?
      9. Eten zij de sinaasappels?
      10. Drink jij de melk?
      11. Rijdt hij een auto?
      12.Gaan jullie naar de sportschool?

    • 1. Rijdt u het paard?
      2. Serveert serveerster het eten?
      3. Vraagt politie de crimineel?
      4. Eist zij iets?
      5. Hebben zij een fiets?
      6. Speelt kinderen in het park?
      7. Slapen zij in de kamer?
      8. Teken jij het chequeboek?
      9. Spreekt Hij Nederlands?
      10. Werkt hij thuis?
      11. Rekent u de stoelen?
      12. Leggen zij op het stran

    • 1. Heb je een vraag?
      2. Heeft u geld?
      3. Rijd jij motor?
      4. Spelen jullie een kaartspel?
      5. Bent u een leraar?
      6. Schrijven jullie een verhaal?
      7. Drinken jullie water?
      8. Maakt u een afspraak?
      9. Bel je de baas?
      10. Spreek je Nederlands?
      11. Ben je klaar?
      12. Baak je een tart?

    • 1-Kook jij het avondeten?
      2-Speel u gitaar?
      3-Spreekt Alice Nederlands?
      4-Werken jullie thuis?
      5-Woont zij in Rotterdam?
      6-Kent hij de docent?
      7-Lezen jullie een boek?
      8-Kijken zij een film?
      9-Heb je een vergadering?
      10-Strijkt u kleren?

    • 1. Krijg jij het boek?
      2. Openen zij de Raam?
      3. Sluit hij de deur?
      4. Werk jij bij PICNIC?
      5. Begrijpt zij de krant?
      6. Zoekt hij de fiets?
      7. Kom ik naar de winkel?
      8. Tekent hij de tekening?
      9. Poetsen zij de kamer?
      10. Heb ik een appel?
      11. Hebben jullie de auto?
      12. Zijn zij vrienden?

    • 1. Vindt hij de sleutels?
      2. Rijd jij motorfiets?
      3. Heeft zij een kat?
      4. Kijken jullie TV?
      5. Heeft hij een paard?
      6. Koopt u melk?
      7. Proef jij de taart?
      8. Hebben zij een fiets?
      9. Schrijf jij het examen?
      10. Kook jij voedsel?
      11. Reinigt hij de thuis?
      12. Speelt u tennis?

    • 1. Bezoek jij de apotheek?
      2. Kook jij vis?
      3. Verkopen zij het huis?
      4. Gebruikt u het product?
      5. Winnen wij het spel?
      6. Parkeer jij de fiets?
      7. Bel je oma?
      8. Gaan wij het theatre?
      9. Zie jij de regenboog ?
      10. Brengen jullie bier?
      11. Hebben wij de motorfiets?
      12. Drinkt u een Chocomel?

    • 1. Zie jij jouw vrienden?
      2. Hoor je de kat?
      3. Werk ik bij het bedrijf?
      4. Leert u Nederlands?
      5. Luistert hij naar de muziek?
      6. Schrijft zij de woorden?
      7. Kopen wij fruit?
      8. Wonen jullie in Eindhoven?
      9. Lezen ze boeken?
      10. Zeg je de woorden?
      11. Spreekt hij Frans?
      12. Eet zij groenten?

    • 1. Werkt hij in ASML?
      2. Kom jij thuis?
      3. Luisteren zij naar de muziek?
      4. Kijkt u voetbal?
      5. Fiets jij naar jouw werk?
      6. Wandelen jullie in het park?
      7. Nement hij het telefoonnummer?
      8. Krijg jij een cadeau?
      9. Heeft zij een huisdier?
      10. Bewaren zij oude elektronica?

    • 1. Helpt hij de vader?
      2. Spreek jij Nederlands?
      3. Bouwen zij een huis?
      4. Hebben zij een boek?
      5. Sluit zij het raam?
      6. Trainen zij een hond?
      7. Kijk jij een film?
      8. Heeft zij een vriend?
      9. Spelen zij een spel?
      10. Schildert zij een beeld?
      11. Ontmoet zij een buur?

    • 1. Geef jij een voorbeeld?
      2. Vindt hij het adres van het tankstation?
      3. Knipt de klant het papier?
      4. Drinkt het meisje een glas water?
      5. Mist zij een les?
      6. Draagt de man een hoed?
      7. Verwacht jij regen?
      8. Begrijpt u de lessen?
      9. Gebruikt hij de lepels?
      10 Zien de studenten de bijlage in de e-mail?
      11. Pakken jullie de tassen?
      12. Wordt hij vader?

    • 1. Heb jij een hond?
      2. Hebben jullie de certificaten?
      3. Heeft zij de rollers?
      4. Heeft hij nog vragen?
      5. Heb ik de juiste antwoorden?
      6. Hebben zij een afspraak?
      7. Heb jij een huisdier?
      8. Ken je dit boek?
      9. Weet zij van het speelgoed?
      10. Hebben zij een leraar?

    • 1. Heb jij een kat en een hond?
      2. Heeft hij een boek?
      3. Drink jij koffie?
      4. Hebben zij een lepel en een vork?
      5. Spelen jullie piano?
      6. Leest zij een boek?
      7. Eet jij brood?
      8. Heeft zij een zus?
      9. Hebben zij een krokodil?
      10. Zingt zij een liedje?

    • 1. Kijk jij naar de wolk?
      2. Loop jij naar de sportschool?
      3. Maken jullie het huiswerk?
      4. Schildert zij het schilderij?
      5. Kookt hij het water?
      6. Speelt hij de gitaar?
      7. Maken wij de pasta?
      8. Belt hij een buurman?
      9. Eet zij de banaan?
      10. Wandel jij in het park?

    • 1. Spreek jij Nederlands?
      2. Wonen jullie in Amsterdam?
      3. Heb hij een dochter?
      4. Eet zij de appel?
      5. Hou jij van muziek?
      6. Heeft hij een auto?
      7. Speel ik piano?
      8. Zoeken zij het huis?
      9. Lopen jullie de marathon?
      10. Bem jij thuis?
      11. Is hij ziek?
      12. Hebben wij tijd?

    • 1- Zie jij een hond?

      2- Ken jij een vrouw?

      3- Heb jij een boek?

      4- Voer jij een paard?

      5- Help jij een vriend?

      6- Vind jij een kat leuk?

      7- Zoek jij een man?

      8- Maak jij een taart?

      9- Houd jij een baby vast?

      10- Schrijf jij een e-mail?

      11- Poets jij een auto?

      12- Sluit jij de deur?

    • 1. Heeft zij een hond?
      2. Bak jij een brood?
      3. Snijdt hij de tomaten?
      4. Bedank jij de leraar?
      5. Poetsen jullie het schaap?
      6. Telt hij de bijen?
      7. Is zij een meisje?
      8. Is Peter de manager?
      9. Hebben jullie een zus?
      10. Kijk jij de vogel?
      11. Vinden zij een tafel?
      12. Zoeken jullie het boek?

    • 1. Werk jij op school?
      2. Heb jij een broer?
      3. Heeft hij een hond?
      4. Hebben zij een auto?
      5. Woon jij in Nederland?
      6. Eet zij vlees?
      7. Speel jij gitaar?
      8. Leest hij een boek?
      9. Kook jij elke dag?
      10. Schrijf jij een brief?
      11. Kijk jij televisie?
      12. Drink jij koffie?

    • 1. Wil je een koekje?
      2. Eet hij kreeft?
      3. Koopt zij de boodschappen?
      4. Zwem je in de zee?
      5. Zien jullie het landschap?
      6. Aaien ze de hond?
      7. Hebben we een aansteker?
      8. Breng je een paraplu?
      9. Was je de kleding?
      10. Kent hij een loodgieter?
      11. Leest ze tijdschriften?
      12. Bespeel je een instrument?

    • 1. Eet jij vlees?
      2. Werk jij thuis?
      3. Heeft hij een auto?
      4. Hebben zij kinderen?
      5. Leest hij een krant?
      6. Kijkt zij televisie?
      7. Spreken jullie Engels?
      8. Houd jij van muziek?
      9. Heb jij een broer?
      10. Draagt zij een jurk?
      11. Heeft hij een hond?
      12. Schrijven jullie een brief?

    • 1. Leest de man een boek?
      2. Kookt de vrouw het eten?
      3. Tekent het kind een huis?
      4. Drinkt de jongen het water?
      5. Schrijft de leraar een zin?
      6. Leest het meisje de krant?
      7. Speelt het kind een spel?
      8. Pakt de hond de bal?
      9. Eet de kat het vlees?
      10. Wast de moeder het bord?

    • 1. Heb jij een tuin?
      2. Heeft zij tijd?
      3. Helpt hij de collega?
      4. Betaalt u (de) boodschappen?
      5. Begrijp jij het probleem?
      6. Sluit jij het raam?
      7. Spelen zij voetbal?
      8. Krijgen jullie de instructie?
      9. Volgen wij het plan?
      10. Gebruik jij het gereedschap?
      11. Speelt u piano?
      12. Kun jij zingen?

    • 1. Drinkt hij de melk?
      2. Houden zij de baby vast?
      3. Vind je de oorbel?
      4. Bakken zij het brood?
      5. Liften zij de gewichten?
      6. Koopt Anna de eieren?
      7. Bellen zij de dokter?
      8. Laat je de hond uit?
      9. Lees je het boek?
      10. Kookt hij het eten?
      11. Geef je het geld?
      12. Kiest hij de blauwe auto?

    • 1. Lees jij een boek?
      2. Heb jij een pen?
      3. Ga jij mee naar school?
      4. Snap jij deze les?
      5. Werk jij aan de taak?
      6. Eet jij een appel?
      7. Drink jij water?
      8. Speel jij een spel?
      9. Kom jij naar de klas?
      10. Schrijf jij een zin?

    • 1. Drink jij wijn?
      2. Eten zij vlees?
      3. Heeft hij een potlood?
      4. Blaast zij de soep?
      5. Heb jij een pet?
      6. Bakt oma een taart?
      7. Hebben zij boeken?
      8. Kopen wij jurken?
      9. Lopen jullie de marathon?
      10. Helpt zij de moeder?
      11. Draagt u de jas?
      12. Maak je een opdracht?

    • 1. Heb jij een auto?
      2. Wonen jullie in de stad?
      3. Leest zij de krant?
      4. Eet hij een appel?
      5. Schrijf jij een brief?
      6. Spelen wij voetbal?
      7. Zingen jullie een lied?
      8. Kopen wij een tas?
      9. Drinkt zij de thee?
      10. Kent hij de vrouw?
      11. Hebben jullie een kat?
      12. Heeft zij een paraplu?

    • 1. Werk jij bij het bedrijf?
      2. Luisteren zij muziek?
      3. Rookt zij een sigaret?
      4. Moeten jullie eten?
      5. Komen wij bij het huis?
      6. Wil jij een ijsje?
      7. Krijgt u wijn?
      8. Geloof jij het kind?
      9. Geven wij een cadeau?
      10. Neemt hij de auto?
      11. Stel ik een vraag?
      12. Betalen jullie de rekening?

    • 1.Heb je een doos?
      2.Werkt jouw moeder?
      3.Gaan de kinderen naar school?
      4.Zijn de meisjes blij?
      5.Spelen je zonen voetbal?
      6.Is je vader een bankier?
      7. Gaan jullie op een vakantie?
      8.Heb je het cadeau?
      9.Kun je zwemmen?
      10.Is jouw oma een lerares?

    • 1 Leest zij boeken?
      2 Gaan wij sporten?
      3 Drinkt hij de koffie?
      4 Eten wij boterhammen?
      5 Kijkt zij series?
      6 Wonen wij een appartement?
      7 Schrijven wij een brief?
      8 Kopen wij een cadeau?
      9 Koken zij avondeten?
      10 Houdt hij van muziek?
      11 Helpt zij de ouders?
      12 Brengt hij de kinderen?

    • 1. Lach jij om de film?
      2. Neemt hij een boterham?
      3. Spelt zij de naam?
      4. Poetsen jullie het huis?
      5. Verkopen zij de auto?
      6. Opent hij de winkel?
      7. Begin jij het boek?
      8. Weet jij de straat?
      9. Maakt hij de pasta?
      10. Eisen zij een park?
      11. Koken jullie de kip?
      12. Praat hij met het meisje?

    • 1. Begrijpen jullie Duits?
      2. Bel jij de grootvader?
      3. Hebben ze een advocaat?
      4. Beschermt hij dieren?
      5. Bezoekt u de buren?
      6. Duwt hij kinderen?
      7. Vervangt ze de lampen?
      8. Bedreigt hij de collega?
      9. Troosten ze de armen?
      10. Feliciteren wij de winnaar?
      11. Geven ze geld?
      12. Herkennen ze de kat?

    • 1. Neem je de trein?
      2. Helpt u een klant?
      3. Knipt hij het gras?
      4. Verzoekt zij een vergoeding?
      5. Pak jij de bal?
      6. Verwachten wij een antwoord?
      7. Verdient u geld?
      8. Verliezen jullie de wedstrijd?
      9. Ontvangen ze de pakketten?
      10. Bedient hij het toestel?
      11. Maakt zij lawaai?
      12. Bestudeer ik de tekst?

    • 1. Maak jij de vragen?
      2.Geloof jij in de wonderen?
      3.Verwachten jullie een pakket ?
      4.Bouwen Zij het gebouw ?
      5.Eist U het aanvraagformulier?
      6. Annuleert zij de afspraak bij de kapper?
      7.Knipper jij papieren?
      8.Pak jij de stoel ?
      9.Betaalt hij de boodschappen?
      10.Begrijpen We het probleem ?

    • 1. Sluit hij de deur?
      2. Geven jullie de cadeaus?
      3. Maken zij de soep?
      4. Zoekt u een huis?
      5. Betal jij voor het avondeten?
      6. Vergeet zij de sleutel?
      7. Koop hij de bloemen?
      8. Proef jij het gerecht?
      9. Zien jullie de olifant?
      10. Tekent zij het konijn?

    • 1- Ga je naar kantoor?
      2- Ontmoet hij mij?
      3- Geeft hij mij een cadeau?
      4- Werkt hij als ingenieur?
      5- Praat ze met haar buren?
      6- Leest hij een krant?
      7- Speelt ze gitaar?
      8- Maakt de moeder soep?
      9- Repareert de elektricien de lamp?
      10- Rijdt hij op het paard?

    • 1. Heb jij een auto?
      2. Kijkt hij een film?
      3. Maakt ze de pizza?
      4. Koken jullie de kip?
      5. Neem je een de brood?
      6. Lezen zij de krant?
      7. Opent hij de winkel?
      8. Eet jij een appel?
      9. Drinkt U water?
      10. Kopen zij een huis?

    • 1. Rijd ik op het paard?
      2. Bak je brood?
      3. Eet jij twee maaltijden?
      4. Neemt u een douche?
      5. Poetst ze de tanden?
      6. Begint zij de meeting?
      7. Slaat hij zijn vriendin?
      8. Praten jullie ’s avonds?
      9. Wandelen ze in de middag?
      10. Verlaten zij de winkel?

    • 1. Help je de ouders?
      2. Sta ik in de woonkamer?
      3. Kookt zij rijst?
      4. Bellen jullie het bedrijf?
      5. Kijk jij de film?
      6. Weten wij het adres?
      7. Houdt u van het eten?
      8. Koop je een tas?
      9. Vindt hij de dochter?
      10. Slapen zij in de bus?

    • 1.Heeft hij een boek?
      2.Loopt zij naar school?
      3.Slaapt hij op bed?
      4.Drink jij water?
      5.Kijken zij tv?
      6.Speelt hij buiten?
      7.Eet zij een appel?
      8.Rijden jullie naar werk?
      9.Schildert hij een muur?
      10.Heeft jij een pen?
      11.Koken zij samen?
      12.Wandelt hij in het park?

    • 1. Leren we Nederlands ?
      2. Heeft hij een huis ?
      3. Zijn ze de kinderen ?
      4. Spreekt zij Engels ?
      5. Lees jij het menu.?
      6. Speel jij met een kind ?
      7. Heb jij mijn vriend of niet?
      8. Zwem je in water ?
      9. Praat je met hen ?
      10 .Heb je de trui?

    • 1. Heb je een fiets?
      2. Ga je naar het restaurant?
      3. Zijn jullie kinderen?
      4. Hebben wij een broer?
      5. Koken zij de kip?
      6. Neem ik een koffie?
      7. Reserveren jullie een tafel?
      8. Bezoek je de stad?
      9. Versta je de vraag?
      10. Helpt hij het kind?

    • 1. Belt ze het kind?
      2. Lezen zij het verhaal?
      3. Leren jullie het alfabet?
      4. Luisteren zij naar het lied?
      5. Eet hij een appeltaart?
      6. Schrijf je het huiswerk?
      7. Drinken wij koffie?
      8. Kookt zij het eten?
      9. Duwt u de deur?
      10. Rijdt zij op het paard?
      11. Zoek jij naar de dief?
      12. Vinden jullie het geld?
      13. Kijken wij naar de film?
      14.…Read More

    • 1. Drink jij de koffie?
      2. Hoor jij een hond?
      3. Ziet zij een kat?
      4. Wonen zij in mijn huis?
      5. Lezen zij het boek?
      6. Loopt zij met haar broer?
      7. Zingt hij een liedje?
      8. Eisen zij het geld?
      9. Neemt hij het geschenk?
      10. Maak jij de opdracht?

    • 1. Huur ik het huis?
      2. Reist hij naar Eindhoven?
      3. Belooft zij een cadeau?
      4. Pak jij de koffer?
      5. Verhuizen wij naar de stad?
      6. Wacht hij op het varken?
      7. Kies jij de muis?
      8. Vraagt hij het antwoord?
      9. Maakt zij het varken schoon?
      10. Vinden wij het schaap?

    • 1. Heb je een huis?
      2. Komt hij naar het restaurant?
      3. Kopen jullie een fiets?
      4. Helpen we de collega’s?
      5. Ga je naar het hotel?
      6. Hebben zij een auto?
      7. Kookt ze het vlees?
      8. Geef jij de kat?
      9. Eet hij de kip?
      10. Rijden we naar het stadscentrum?

    • 1. Bouwt hij een huis?
      2. Heeft U kinderen?
      3. Danst oma met vader?
      4. Heb jij een fiets?
      5. Luisteren ons naar musiek?
      6. Begginen wij de les?
      7. Heeft jij cursus vandaag?
      8. Bijten jullie de cookie?
      9. Verkopen the winkel salaad?
      10. Heeft de fiets een stuur?

    • 1. Heb je een leeuw?
      2. Luisteren jullie de radio?
      3. Eten vogels vogels?
      4. Bezitten ze het hotel?
      5. Vind je een parkeerplek?
      6. Rijdt u de koe?
      7. Zie je de bakfiets?
      8. Spelt hij Mario?
      9. Drijven ze de cursus?
      10. Koop jij de caudou?

    • 1. Open je de winkel?
      2. Rent hij de marathon?
      3. Leest zij een boek?
      4. Speelt het kind een voetbal?
      5. Kiezen jullie de bloemen?
      6. Vind je de film leuk?
      7. Kennen wij het team?
      8. Weet zij het adres?
      9. Starten jullie de les?
      10. Houd je de informatie?

    • 1. Lach jij de vrouw?
      2. Knippen jullie het papier?
      3. Stuurt u een brief?
      4. Verwacht zij een cadeau?
      5. Blijven ze op het station?
      6. Slaat hij de muur?
      7. Koken ze een maaltijd?
      8. Pak je een wortel?
      9. Beginnen jullie met het avondeten?
      10. Bellen jullie de ambulance?

    • 1. Hebben zij een fiets?
      2. Heeft zij een kat?
      3. Rijd jij de auto?
      4. Loopt hij in het park?
      5. Lezen jullie een boek?
      6. Open jij het raam?
      7. Blijft u in een appartement?
      8. Verkoop je de laptop?
      9. Kijken wij een film?
      10. Werkt hij thuis?

    • 1- Heb je een hond?
      2- Lezen jullie de krant?
      3- Ga ik naar het park?
      4- Speel jij met de kinderen ?
      5- Spel je het woord?
      6- Slapen jullie op de vloer?
      7- Heeft de hond een staart?
      8- Koop je het brood?
      9- Zijn jullie bang?
      10- Zien wij de auto?

    • 1. Helpen jullie de kinderen?

      2. Lees je de krant?

      3. Voert hij de olifanten?

      4. Heeft ze een huis?

      5. Werken ze thuis?

      6. Luisteren jullie naar de katten?

      7. Zie je vogels?

      8. Zoekt hij werk?

      9. Ziet ze de kinderen spelen?

      10. Kijken de ouders tv?

    • 1. Werk jij thuis?
      2. Hebben zij fietsen?
      3. Koop je een boterham?
      4. Wilt u een auto?
      5. Vind jij de mobiel?
      6. Hebben jullie werk?
      7. Rijd jij een auto?
      8. Lezen zij de krant?
      9. Kookt hij het avondeten?
      10. Kijk jij televisie?

    • 1. Lees jij het verhaal?
      2. Krijgen jullie de certificaten?
      3. Bewaart zij het bestand?
      4. Kookt Reinier de kip?
      5. Kopen jullie het gebouw?
      6. Besteden jullie het geld?
      7. Snap jij dat?
      8. Heb je de laarzen?
      9. Draagt hij een bril?
      10. Tekenen jullie het schaap?

    • 1. Weten jullie de baas?
      2. Werk jij bij het bedrijf?
      3. Drinkt hij alcohol?
      4. Hebben zij een hond?
      5. Vind jij het telefoonnummer?
      6. Sluiten wij de duur?
      7. Lacht zij om de grap?
      8. Kook jij pasta?
      9. Helpen jullie de kinderen?
      10. Praat hij met zijn vrouw?

    • 1. Heb jij paarden?
      2. Heb jij een bank?
      3. Heeft zij de pop?
      4. Speelt hij schaak?
      5. Hebben we een kat?
      6. Heeft hij een tuin?
      7. Werk ik thuis?
      8. Heb ik een vork?
      9. Heb jij een beer?
      10. Heb jij kakkerlakken?

    • 1. Werkt hij vandaag?
      2. Woont zij in Rotterdam?
      3. Kijkt hij een film?
      4. Komt hij uit Nederland?
      5. Schrijf jij een e-mail?
      6. Werken jullie samen?
      7. Speel jij voetbal?
      8. Gaat hij naar school?
      9. Maak jij het huis schoon?
      10. Sluit jij de deur?

    • 1. Rijdt hij auto?
      2. Werk jij thuis?
      3. Krijgt zij de krant?
      4. Speelt hij voetbal?
      5. Eet jij frikandellen?
      6. Geloof jij de man?
      7. Heeft hij de fiets?
      8. Sluit zij de deur?
      9. Verblijft hij in het huis?
      10. Stuur jij haar een bericht?

    • 1. Hebt u een reservering?
      2. Heeft hij de zwarte kat?
      3. Luister jij naar muziek?
      4. Schrijven jullie een brief?
      5. Werkt u morgen?
      6. Fietsen zij?
      7. Wandel je in het park?
      8. Koken wij Thais eten?
      9. Rook jij een sigaret?
      10. Slaapt ze in haar slaapkamer?

    • 1. Heb ik een verkeersboete?
      2. Gaan zij dit jaar naar Coachella?
      3. Heeft zij een bordspel?
      4. Wil hij een broek?
      5. Komt hij naar mijn verjaardag?
      6. Kijken wij naar een roze olifant?
      7. Neemt u het stuur over?
      8. Lopen zij op het strand?
      9. Wonen jullie in een hostel?
      10. Maakt zij een margarita?

    • 1. Leer jij Spaans?
      2. Lezen wij de brief?
      3. Verkopt hij groenten?
      4. Slaap jij zeven uur?
      5. Geloven jullie de dokter niet?
      6. Mis jij het huisdier?
      7. Maakt zij een koekje?
      8. Helpen wij de kinderen?
      9. Drink jij sap?
      10. Vragen jullie de ouders?

    • 1. Werk jij thuis?
      2. Heb jij een hond?
      3. Eet jij brood?
      4. Drink jij koffie?
      5. Heb jij een fiets?
      6. Woon jij in een huis?
      7. Speel jij voetbal?
      8. Lees jij een boek?
      9. Heb jij een kat?
      10. Kijk jij tv?

    • 1. Hebben jullie kinderen?
      2. Werk jij thuis?
      3. Maak jij een belofte?
      4. Kookt zij een taart?
      5. Heeft hij een hond?
      6. Eet zij de soep?
      7. Betaal jij de rekening?
      8. Verwacht zij een verandering?
      9. Weten wij het antwoord?
      10. Bereken jij de prijs?

    • 1. Leest de jongen de krant?
      2. Eet de vrouw een boterham?
      3. Drinkt Pieter melk?
      4. Heb jij het menu?
      5. Zegt hij niets?
      6. Ken jij Pieter en Anna?
      7. Vinden jullie een huis?
      8. Wordt het kind een baas?
      9. Snijdt ze een appel?
      10. Tekent hij een kat?

    • 1. Antwoordt hij de vraag?
      2. Begrijpen jullie het huiswerk?
      3. Spreek jij de taal?
      4. Aai ik de kat?
      5. Verkopen zij het huis?
      6. Snijdt u brood?
      7. Koken wij de kip?
      8. Speel ik piano?
      9. Haat hij honden?
      10. Horen zij de muziek?

    • 1. Heeft hij de auto?
      2. Lees jij de krant?
      3. Begrijp u de lessen?
      4. Wandelen zij in het park?
      5. Luistert zij naar klassieke muziek?
      6. Tekent het kind plaatjes?
      7. Praat je met je vrouw?
      8. Loop je naar de kerk?
      9. Sluit zij de deur?
      10. Zoekt hij werk?

    • 1.Speelt hij in het park?
      2.Verkoop jij de auto?
      3.Loop ik in de straat?
      4.Hebben jullie een hond?
      5.Stuurt u een kaartje?
      6.Zoeken wij informatie?
      7.Genees jij de patiënt?
      8.Poetst hij de woonkamer?
      9.Wachten wij op de trein?
      10.Begrijpt u de les?
      11. Kook jij de maaltijd?
      12.Leer ik Nederlands?

    • 1.Heb jij een boek?
      2.Heb jij een pen?
      3.Geeft Maurice de les?
      4.Hebben jullie een huisdier?
      5.Zijn jullie kattenliefhebbers of hondenliefhebbers?
      6.Hebben jullie een echtgenoot?
      7.Hebben jullie kinderen?
      8.Kook jij?
      9.Rijdt zij een auto?
      10.Heeft hij opa en oma?
      11.Is het rood?
      12.Heb jij een fiets?

    • 1. Ontwerpt zij de auto’s?
      2. Meten zij de muur?
      3. Teken jullie een boom.
      4. Danst het meisje?
      5. Zegt u een antwoord?
      6. Zorgt zij voor de huisdieren?
      7. Koop jij de vissen?
      9. Poetst jullie het huis?
      10. Wandel jij met de hond?
      11. Kent hij de dokter?
      12. Begint ze de les?

    • 1. Heb jij een fiets?
      2. Werk jij vandaag?
      3. Spelen zij basketbal?
      4. Hebben jullie een hond?
      5. Heeft de manager het horloge?
      6. Werkt een man bij de winkel?
      7. Gaat de vrouw naar de kerk?
      8. Heeft de jongen twee paarden?
      9. Gaat het kind naar school?
      10. Werkt de medewerker vanuit huis?
      11. Ziet zij een olifant?
      12. Wonen zij in de stad?

    • 1. Werkt hij bioscoop?
      2. Woont zij in Amsterdam?
      3. Spreek jij Nederlands?
      4. Hebben zij kinderen?
      5. Heeft hij een fiets?
      6. Rijdt zij auto?
      7. Kook jij elke dag?
      8. Leest hij boeken?
      9. Sporten jullie vaak?
      10. Drinkt zij koffie?
      11. Speelt hij voetbal?
      12. Houd jij van muziek?

    • 1. Heb jij een huis?
      2. Betalen jullie een auto?
      3. Schrijven zij een boek?
      4. Spreek jij frans?
      5. Heeft zij een zus?
      6. Leert hij een taal?
      7. Kookt de moeder een taartje?
      8. Leest de buurman een krant?
      9. Luisteren de jongens naar muziek?
      10. Vind jij een hond?
      11. Woon jij in een huis?
      12. Koopt hij een fiets?

    • 1. Heb jij een fiets?
      2. Heeft hij een hond?
      3. Heeft zij een kat?
      4. Hebben jullie kinderen?
      5. Werkt hij thuis?
      6. Woont zij in Nederland?
      7. Leest de man een boek?
      8. Koopt de vrouw een auto?
      9. Eet het kind een appel?
      10. Ziet de jongen een vogel?
      11. Rijdt de student auto?
      12. Drinkt de leraar koffie?

    • 1. Meet de ingenieur de kamer?
      2. Ga jij naar het politiebureau?
      3. Onderzoeken de privédetectives een winkel?
      4. Werken zij in het Binnenhof?
      5. Stelt de student een vraag?
      6. Bel jij de dokter?
      7. Eten de varkens appels?
      8. Slapen mensen in bedden?
      9. Zwemt zij in het zwembad?
      10. Schildert u een portret?
      11. Zien jullie de ontvoering?
      12.…Read More

    • 1. Werk jij vandaag?
      2. Woont zij in Nederland?
      3. Hebben jullie een auto?
      4. Kook jij elke dag?
      5. Gaat hij naar school?
      6. Heeft u een vraag?
      7. Drinken zij koffie?
      8. Spreek jij Turks?
      9. Schrijven zij een brief?
      10. Gebruikt zij een computer?

    • 1. Heb jij een pen?
      2. Heeft hij een fiets?
      3. Heeft zij een boek?
      4. Hebben jullie een auto?
      5. Begrijpen de studenten de les?
      6. Heeft u een hond?
      7. Heeft hij de krant bereikt?
      8. Droeg je een jas?
      9. Leest de oma een boek?
      10. Ziet de man een kat?

    • 1. Leest hij een boek?
      2. Koopt zij de auto?
      3. Drinkt hij thee?
      4. Woon jij in Rotterdam?
      5. Werkt zij vandaag?
      6. Bellen jullie de buren?
      7. Hoort hij de vogel?
      8. Gaat hij naar huis?
      9. Ziet de man het raam?
      10. Zoekt de politie de dief?

    • 1.Spelen kinderen voetbal?
      2.Sluit jij het raam?
      3.Sturen wij een mail?
      4.Kook jij de pasta?
      5.Pakken jullie de dozen?
      6.Betaalt hij de rekening?
      7.Kijken wij naar de auto?
      8.Spelt zij het dingwoord?
      9.Help jij jouw moeder?
      10.Heeft u een kat?

    • 1. Roept u het kind?
      2. Help jij jouw moeder?
      3. Spreek je Engels?
      4. Rijdt zij auto?
      5. Koken zij het avondeten?
      6. Draag jij een jas?
      7. Heeft zij een hond?
      8. Heb jij een pen?
      9. Woont zij in een grote stad?
      10. Leest hij een krant?

    • 1. Pak jij een bal?
      2. Zien jullie rook?
      3. Luisteren wij naar de radio?
      4. Maakt zij een papieren vliegtuigje?
      5. Schrijft hij een roman?
      6. Plant u wortels?
      7. Kies jij het patroon?
      8. Gooi ik de dobbelstenen?
      9. Geven zij een cadeau?
      10. Houd jij het wisselgeld?
      11. Laat hij een vlieger op?
      12. Tekent zij een bloem?

    • 1. Koop ik een jas?
      2. Lees jij de krant?
      3. Bakt hij een taart?
      4. Zingt zij een lied?
      5. Voeren wij de paarden?
      6. Schrijven jullie de brieven?
      7. Kookt u een maaltijd?
      8 Fotograferen zij de vogels?
      9. Knip je het haar?
      10. Repareert hij de fiets?
      11. Verzorgt zij de planten?
      12. Bouwen wij een huis?

    • 1. Voel jij de wind?
      2. Hoort zij het geluid?
      3. Zingen wij het lied?
      4. Bellen jullie de directeur?
      5. Roept u het kind?
      6. Vangt hij de muis?
      7. Schrijf jij het verhaal?
      8. Ruik je het gras?
      9. Dansen wij thuis?
      10. Drukken jullie het rapport?

    • 1. Werk je in een kantoor?
      2. Woon je in China?
      3. Bouwt zij een gebouw?
      4. Leert hij een andere taal?
      5. Koopt ze een jurk?
      6. Heb jij een huisdier?
      7. Kijken ze naar voetbal?
      8. Steunen we het team?
      9. Gaat u op vakantie?
      10. Neemt ze de trein?

    • 1. Koopt zij een hond?
      2. Kopen we het huis?
      3. Bouwt hij een gebouw?
      4. Hebben jullie een huisdier?
      5. Repareren wij de keuken?
      6. Drinkt hij een drankje?
      7. Verft jij het haar?
      8. Bestuurt zij een auto?
      9. Koken jullie een maaltijd?
      10. Maait hij het gras?

    • 1. Voelt zij de liefde?
      2. Geniet hij van het huwelijk?
      3. Draaien jullie de ochtenddienst?
      4. Volgen wij de werkvolgorde?
      5. Krijgen de klanten een vergoeding?
      6. Voel je de trillingen?
      7. Gebruikt hij het gereedschap?
      8. Doen wij de handelingen?
      9. Stellen jullie de voorwaarden?
      10. Zoeken zij kinderopvang?

    • 1. Eet je kaas?
      2. Ga je naar huis?
      3. Lees jij een boek?
      4. Schrijft hij een brief?
      5. Luisteren zij naar muziek?
      6. Drinkt hij thee?
      7. Kijkt zij naar tv?
      8. Gaat hij naar het toilet?
      9. Doet zij boodschappen?
      10. Fiets jij op de fiets?
      11. Spelen jullie piano?
      12. Spreken zij Spaans?

    • 1 Onderzoek jij de papegaai?
      2 Praat hij met de robot?
      3 Klikken jullie op het toetsenbord?
      4 Slaat zij het hek?
      5 Varen wij naar Amsterdam?
      6 Roer jij de soup
      7 Mengt zij de koekvulling?
      8 Remen wij het group?
      9 Open jij het raam?
      10 Dobbert hij op het water?

    • 1. Woon jij in Spanje?
      2. Heb jij een printer?
      3. Spreek je Indonesisch?
      4. Verkoop jij het paard?
      5. Zoeken jullie werk?
      6. Koop jij een auto?
      7. Ben jij dokter?
      8. Drinkt u wijn?
      9. Schrijf jij een brief?
      10. Kook jij een diner?

    • 1. Ziet zij de zon?
      2. Geniet hij van het avondeten?
      3. Winnen jullie de hoofdprijs?
      4. Begrijpen wij de handleiding?
      5. Kopen de gasten een versnapering?
      6. Hoor je de geluiden?
      7. Verliest hij het evenwicht?
      8. Maken wij de opdrachten?
      9. Betalen jullie de rekeningen?
      10. Plannen zij vakanties?

    • 1. Weet je?
      2. Heeft hij werk?
      3. Eet ze de appel?
      4. Heb je verstand van muziek?
      5. Ben je ingenieur?
      6. Zijn de mensen lang?
      7. Zoekt Peter Jan?
      8. Is een kip een dier?
      9. Krijgen ze cadeaus?
      10. Rent de man?

    • 1. Begrijpt zij een woord?
      2. Horen jullie een geluid?
      3. Hebben jullie een hond?
      4. Koopt hij een fiets?
      5. Schrijft zij een brief?
      6. Maken jullie huiswerk?
      7. Drinkt hij een koffie?
      8. Heeft zij een kat?
      9. Zoeken jullie een huis?
      10. Bakt hij een brood?

    • 1. Heb jij een fiets?
      2. Woont u in Nederland?
      3. Werken jullie vandaag?
      4. Leest zij een boek?
      5. Drinkt hij koffie?
      6. Kookt de moeder het avondeten?
      7. Speelt het kind buiten?
      8. Opent de buurman de deur?
      9. Kopen jullie brood?
      10. Zingt de leraar een lied?

    • 1. Kook jij?
      2. Werkt hij?
      3. Heeft hij een boek?
      4. Koopt zij een krant?
      5. Eet zij een appel?
      6. Zoekt hij een fiets?
      7. Ziet hij een vogel?
      8. Heeft zij een tas?
      9. Leest hij een krant?
      10. Maakt hij een tafel?

    • 1. Leest hij een boek?
      2. Doe jij het huiswerk?
      3. Maakt zij de klok?
      4. Kopen zij de portemonnee?
      5. Is hij een man?
      6. Spreken wij een taal?
      7. Roept zij de colleaga’s?
      8. Wil jij het kind?
      9. Roepen jullie de dermatoloog?
      10.Kennen wij de danser?

    • 1. Was je de auto?
      2. Lezen jullie het boek?
      3. Volgt hij de regels?
      4. Bouwen zij een huis?
      5. Koop je de vaas?
      6. Bezoeken wij Maastricht?
      7. Ziet zij de spin?
      8. Boeken zij de reis?
      9. Heb jij de hamer?
      10. Dweilt hij de vloer?

    • 1. Hebben zij een paard?
      2. Fiets jij naar het centrum?
      3. Heeft hij een vriendin?
      4. Heeft zij een man?
      5. Weet jij de tijd?
      6. Heb jij dochters?
      7. Heeft u een mening?
      8. Hebben jullie de uitnodiging?
      9. Hardlopen zij een marathon?
      10. Werkt hij in de bioscoop?

    • 1.lees je de krant?
      2.Zoeken zij de honden?
      3.Hebben jullie een kat?
      4.Eten jullie een aardbei?
      5. Ken je de weg?
      6.Bestellen zij het sap?
      7.Hebt u een mening?
      8.Begrijpt hij het?
      9. Zie je een fiets?
      10.Bestellen zij het water?

    • 1. Ben jij een man?
      2. Krijgt hij de fiets?
      3. Hebben jullie het boeken?
      4. Zwemmen zij vanmorgen?
      5. Praten wij met de boeren?
      6. Gebruik jij de tafel?
      7. Vindt u sokken?
      8. Slapen jullie goed?
      9. Hardloopt zij gisteren?
      10. Schrijft u een krant?
      11. Drinkt zij vodka?
      12. Eten zij de maaltijd?

  • Load More Posts