Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 2 days, 8 hours ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Boek. Pagina 80✍️
    Opdracht 4 Maak 5-10 vragen
    Gebruik nummers: 1,2,3…
    Post your answer below:

    117 Comments
    • 1. Loopt hij snel?
      2. Vind je mooi?
      3. Eet jullie langzaam?
      4. Praten jullie duidelijk?
      5. Ben hij rustig?
      6. Is hij vriendelijk?

    • 1. Leest zij duidelijk?
      2. Schrijven jullie langzaam?
      3. Kookt hij snel?
      4. Is zij schattig?
      5. Is het koud?
      6. Ben jij bang?
      7. Zijn zij sterk?
      8. Bent u rijk?
      9. Zijn jullie leuk?
      10. Slaapt hij goed?

    • 1. Rijdt hij snel?
      2. Schildert Isabel mooi?
      3. Is zij slim?
      4. Zijn zij oud?
      5. Werkt hij langzamer?
      6. Is hij grappig?
      7. Ben ik kort?

    • 1. Is hij netjes?
      2. Is zij zwanger?
      3. Loop jij snel?
      4. Zijn zij vriendelijk?
      5. Studeer jij voldoende?
      6. Ben jij nerveus?
      7. Is zij klein?

    • 1. Lacht hij luid?
      2. Is hij normaal?
      3. Is zij vreemd?
      4. Lijkt zij blij?
      5. Zijn zij gezond?
      6. Zijn zij gevaarlijk?
      7. Loop je snel?
      8. Is zij moe?

    • 1. Loopt zij snel?
      2. Praat hij veel?
      3. Werken wij hard?
      4. Rijdt hij langzaam?
      5. Zingt zij mooi?
      6. Leer jij snel?
      7. Kijkt zij voorzichtig?

    • 1. Ben ik moe?
      2. Blijft zij rustig?
      3. Wordt hij groot?
      4. Werk jij hard?
      5. Lopen wij langzaam?
      6. Tekenen zij mooi?
      7. Zingen jullie prachtig?

    • 1. Spreekt hij luid?
      2. Rijden ze snel?
      3. Werkt zij veel?
      4. Zijn wij blij?
      5. Zijn jullie gevaarlijk?
      6. Is het mooi?
      7. Ben jij slim?
      8. Is ze lief?
      9. Schrijf je langzaam?
      10. Is hij grappig?

    • 1. Zijn jullie klaar?
      2. Rijd jij snel?
      3. Ben jij blij?
      4. Is ze mooi?
      5. Ken hij alles?
      6. Koken jullie goed?
      7. Lopen wij langzaam?
      8. Ben ik slecht?
      9. Is ze rustig?
      10. Zijn ze klein?

    • 1. Is het duur?
      2. Is de fiets langzaam?
      3. Ben ik mooi?
      4. Is zij lang?
      5. Is hij dik?
      6. Zijn de bloemen leuk?
      7. Is het eten verrukkelijk?

    • 1. Rijdt zij voorzichtig?
      2. Wandelt hij langzaam?
      3. Leest u snel?
      4. Leer jij diepgaand?
      5. Spring jij hoog?
      6. Ruik ik lekker?
      7. Ben je lang?
      8. Is zij oud?

    • 1. Ben jij creatief?
      2. Rennen jullie snel?
      3. Tekent u mooi?
      4. Bent u geduldig?
      5. Schrijft zij duidelijk?
      6. Zijn wij grappig?
      7. Zijn jullie rustig?
      8. Zijn zij sportief?

    • 1. Ben ik oud?
      2. Werk jij snel?
      3. Kookt hij goed?
      4. Leest zij vaak?
      5. Spreken wij langzaam?
      6. Zijn jullie moe?
      7. Rijd ik snel?
      8. Ben je groot?
      9. Is hij druk?
      10. Fietsen jullie goed?

    • 1. Lees ik snel?
      2. Slaap jij genoeg?
      3. Eet hij langzaam?
      4. Praat zij duidelijk?
      5. Luisteren wij voorzichtig?
      6. Rekenen jullie juist?
      7. Zijn zij laat?
      8. Ben jij ziek?

    • 1) Slaap jij goed?
      2) Spreekt ze langzaam?
      3) Is zij snel?
      4) Hebben wij geluk?
      5) Ben je moe?
      6) Fiets jij snel?
      7) Vind jij het leuk?

    • 1. Ben ik beleefd?
      2. Ben jij slim?
      3. Zijn jullie romantisch?
      4. Spel je dagelijks?
      5. Spreek ik snel?

    • 1. Zijn wij groot?
      2. Is hij grappig?
      3. Bent u lief?
      4. Zijn jullie snel?
      5. Ben ik lang?
      6. Zijn zij mooi?
      7. Ben je mooi?
      8. Werkt u lang?
      9. Kopen jullie veel?
      10. Fietst hij langzaam?

    • 1. Is hij lang?
      2. Ben jij klein?
      3. Is zij mooi?
      4. Zijn zij blij?
      5. Zijn wij sterk?
      6. Werken jullie snel?
      7. Is zij schattig?
      8. Bent u moe?
      9. Ben ik betrouwbaar?
      10. Is hij grappig?

    • 1. Rijdt hij snel?
      2. Zijn jullie gevaarlijk?
      3. Is zij mooi?
      4. Ben jij lief?
      5. Zijn wij oud?
      6. Ben ik blij?
      7. Zijn ze aardig?
      8. Zijn jullie teleurgesteld?
      9. Is hij leuk?
      10. Is hij kort?

    • 1. Ben je dapper?
      2. Fiets ik snel?
      3. Rennen wij langzaam?
      4. Is hij lief?
      5. Zijn we slim?
      6. Is zij mooi?
      7. Is het duur?
      8. Is hij agressief?
      9. Is het gemakkelijk?
      10. Ben ik lang?

    • 1. Is zij leuk?
      2. ben jij lief?
      3. Is hij lang?
      4. Is zij mooi?
      5. Ren jij snel?
      6. Zijn wij slim?
      7. Zijn jullie intelligent?
      8. Zijn zij rijk?
      9. Is het leeg?
      10. Is hij sterk?

    • 1. Ben je sterk?
      2. Is hij oud?
      3. Spreek je langzaam?
      4. Loopt ze snel?
      5. Kookt u goed?
      6. Is hij lang?

    • 1. Werken jullie snel?
      2. Praat hij snel?
      3. Ben je moe?
      4. Ben je saai?
      5. Is het park mooi?
      6. Hebben jullie honger?
      7. Is zij boos?
      8. Zijn zij dom?
      9. Is het belangrijk?
      10. Is hij grappig?

    • 1. Spreek jij langzaam?
      2. Lezen jullie snel?
      3. Is hij moe?
      4. Ben jij sterk?
      5. Komen jullie ziek?
      6. Ben ik kalm?
      7. Kiest zij moeilijk?
      8. Zijn wij trots?

    • 1. Bent u moe?
      2. Wordt zij beroemd.
      3. Werkt hij goed?
      4. Zwem je snel?
      5. Is hij mooi?
      6. Lijken wij blij?
      7. Praat je hard?
      8. Werden jullie rijk?
      9. Ben je serieus?
      10. Rennen jullie langzaam?

    • 1. Bouwt hij sterk?
      2. Ben jij arm?
      3. Lopen jullie snel?
      4. Blijven jullie druk?
      5. Maakt zij schoon?
      6. Is hij bang?
      7. Zijn jullie trots?
      8. Spreken wij langzaam?
      9. Knipt zij het kort?
      10. Ben jij koud?

    • 1. Ben jij moe?
      2. Ben jij blij?
      3. Is hij sterk?
      4. Zijn wij gelukkig?
      5. Zijn jullie druk?
      6. Zijn zij slim?
      7. Zijn jullie vriendelijk?
      8. Blijf jij koud?
      9. Lijkt hij jong?
      10. Blijven wij rustig?

    • 1. Is hij moe?
      2. Ben jij blij?
      3. Zijn wij vriendelijk?
      4. Werkt hij snel?
      5. Leest hij vaak?
      6. Ben ik stil?
      7. Zingt zij mooi?
      8. Leert het kind snel?
      9. Ben jij grappig?
      10. Kookt u goed?

    • 1. Eet hij warm?
      2. Spreek jij zacht?
      3. Schrijven jullie lelijk?
      4. Makt hij traag?
      5. Lopen zij snel?
      6. Denk jij hard?
      7. Werken jullie snel?
      8. Willen jullie koud?
      9. Kom jij snel?
      10. Is hij kort?

    • 1. Ben jij sterk?
      2. Scrijft hij goed?
      3. Leest zij rustig?
      4. zijn zij gelukkig?
      5. Is hij grappig?
      6. Is hij mooi?
      7. Is zij snel?
      8. Ben ik slecht?
      9. Is hij stil?
      10. Is zij dun?

    • 1. Heb je honger?
      2.Slaapt zij laat?
      3.Zijn jullie rijk?
      4.Zijn zij druk?
      5.Ben je dronken?
      6.Kom jij vroeg?
      7. Is hij romantisch?
      8. Ben je verlegen?
      9.Wacht je geduldig?
      10.Fietsen jullie snel?

    • 1) Ziet hij knap?
      2) Rijd jij langzaam?
      3) Slaapt zij beter?
      4) Lachen zij luid?
      5) Is het interessant?
      6) Vergeet hij vaak?
      7) Spelen wij gek?
      8) Zijn zij deskundig?
      9) Glimlachen jongens rustig?
      10) is romantiek pittig?

    • 1) Wandelt hij snel?
      2) Bent jij vrolijk?
      3) Is het warm?
      4) Werkt zij huidig?
      5) Wakker worden jullie vroeg?
      6) Rijdt hij veilig?
      7) Is het vers?
      8) Schrijven zij langzamer?
      9) Speel jij regelmatig?
      10) Is hij rijk?

    • 1. Ren jij snel?
      2. Leest hij langzaam?
      3. Praat ze slim?
      4. Werken jullie hard?
      5. Spelen zij grappig?
      6. Wandelen jullie vrolijk?
      7. Rijden wij saai?
      8. Draagt ​​zij mooi?
      9. Fiets jij veilig?
      10.Praat hij vervelend?

    • 1. Ben je moe?
      2. Vind je lekker?
      3. Spreek je goed?
      4. Is hij sterk?
      5. Blijft zij rustig?
      6. Voelt dat vreemd?
      7. Is het duidelijk?

    • 1. Ete jij langzaam?
      2. Speel ik snel?
      3. Fiets hij altijd?
      4. Ren ik regelmatig?
      5. Werk zij rustig?
      6. Slap jij mooi?
      7. Ben ik koppig?
      8. Spreekt hij vriendelijk?
      9. Studeert ze dagelijks?
      10. Sporten ze wekelijks?
      11. Geeft hij jaarlijks les?
      12. Leest ze snel?
      13. Werkt ze hard?

    • 1. Is Kim Jong dik?
      2. Is zij mooi?
      3. Spreken zij luid?
      4. Is het diep?
      5. Denkt hij logisch?
      6. Zijn jullie vrij?
      7. Is het warm?
      8. Is zij druk?
      9. Is hij saai?
      10. Is hij dun?

    • 1. Rekenen jullie snel?
      2. Kijk ik dun?
      3. Werkt hij veilig?
      4. Zijn zij slim?
      5. Slapen jullie slecht?
      6. Verliest hij snel?
      7. Ben je moe?
      8. Spreken zij snel?
      9. Schildert zij mooi?
      10. Loopt hij langzaam?

    • 1. Studeer ik hard?
      2. Fiets je langzaam?
      3. Speelt hij goed?
      4. Slaapt zij lang?
      5. Zijn wij grappig?
      6. Lezen jullie snel?
      7. Spreken zij luid?
      8. Is Viktor beleefd?
      9. Loop ik snel?
      10. Komen zij vroeg?

    • 1. Is hij klein?
      2. Ben jij boos?
      3. Is zij aardig?
      4. Ben jij beroemd?
      5. Is zij populair?
      6. Is hij dun?
      7. Ben jij grappig?
      8. Zijn zij eenzaam?

    • 1) Ben jij snel?
      2) Heb ik gelijk?
      3) Ben je verantwoordelijk?
      4) Is hij te laat?
      5) Is hij zwart?
      6) Is zij moe?
      7) Is hij vermist?
      8) Zijn zij grappig?
      9) Ben jij slaperig?
      10) Is zij braaf?

    • 1. Spel je snel?
      2. Loop ik langzaam?
      3. Ben jij bang?
      4. Is het appartement leeg?
      5. Kook je goed?

    • 1. Werkt hij hard?
      2. Is zij boos?
      3. Is hij blij?
      4. Leest hij snel?
      5. Schrijven wij langzaam?
      6. Praten wij luid?
      7. Is hij sterk?
      8. Zingen zij zacht?

    • 1. Ben ik klein?
      2. Werk jij hard?
      3. Is hij koud?
      4. Leest zij langzaam?
      5. Slaapt u vroeg?
      6. Eten wij snel?
      7. Zijn jullie schoon?
      8. Zijn zij vies?
      9. Ben ik oud?
      10. Zwem jij leuk?

    • 1. Zing jij goed?
      2. Woont hij ver?
      3. Werken wij lang?
      4. Lopen jullie snel?
      5. Is zij mooi?
      6. Zijn wij oud?
      7. Loopt hij langzaam?
      8. Lezen jullie veel?
      9. Ben ik sterk?
      10. Zijn zij nieuwsgierig?

    • 1. Lopen zij langzaam?
      2. Is het vies?
      3. Werk ik hard?
      4. Gebruiken wij het snel?
      5. Zijn wij jong?
      6. Zingt zij goed?
      7. Rennen wij snel?
      8. Praat je zacht?
      9. Slaapt hij lang?
      10. Eet je veel?

    • 1. Ben jij aardig?
      2. Leert zij Nederlands?
      3. Spreek jij Engels?
      4. Eten wij samen?
      5. Drinken jullie koffie?
      6. Lezen zij een boek?
      7. Heeft hij tijd?
      8. Is zij ziek?
      9. Schrijf jij snel?
      10. Wonen wij dichtbij?

    • 1.Zijn zij nieuw?
      2. Is zij blij?
      3. Ben ik moe?
      4. Ben jij ziek?
      5. Is het koud?
      6. Zijn wij klaar?
      7. Zijn jullie luid?
      8. Zijn zij bang?
      9. Is hij sterk?
      10. Is zij rustig?

    • 1. Loopt hij snel?
      2. Fietst hij langzaam?
      3. Werkt zij laat?
      4. Ben jij blij?
      5. Is zij nieuw?
      6. Leert zij snel?
      7. Is hij boos?
      8. Rijdt hij goed?

    • 1. Ben ik moe?
      2. Ben jij boos?
      3. Is hij snel?
      4. Is zij vriendelijk?
      5. Is het belangrijk?
      6. Zijn wij klaar?
      7. Zijn jullie blij?
      8. Zijn zij rijk?
      9. Ben ik laat?
      10. Is hij sterk?

    • 1. Ben ik blij?
      2. Ben jij moe?
      3. Is hij groot?
      4. Is zij mooi?
      5. Is het nieuw?
      6. Zijn wij sterk?
      7. Zijn jullie slim?
      8. Zijn zij oud?
      9. Ben ik klein?
      10. Is hij grappig?

    • 1- Is hij mooi?
      2- Is het warm?
      3- Heb jij klaar?
      4- Zijn jullie ziek?
      5- Ben ik kort?

    • 1. Drink jij traag?
      2. Slaapt zij vroeg?
      3. Ben ik sterk?
      4. Zijn wij klein?
      5. Woont hij dichtbij?
      6. Ben jij lang?
      7. Is zij nieuw?
      8. Woon jij ver?
      9. Bent u kort?
      10. Eten jullie veel?
      11. Zijn zij blij?
      12. Ben ik luid?
      13. Zijn wij samen?
      14. Is zij lief?
      15. Schrijft hij langzaam?

    • 1. Is zij smal?
      2. Is Hij lang?
      3. Zijn jullie mooi?
      4. Is het lekker?
      5. Slaap jij lang?
      6. Ben ik oud?
      7. Is het nieuw?
      8. Zijn wij lief?

    • 1. Werkt hij snel?
      2. Is zij moe?
      3. Ben jij blij?
      4. Is het koud?
      5. Ben ik laat?
      6. Is hij ziek?
      7. Ben jij boos?
      8. Is zij mooi?
      9. Is het duur?
      10. Ben jij klaar?

    • 1. Ben jij logisch?
      2. Is hij sterk?
      3. Zijn zij vrolijk?
      4. Ben jij boos?
      5. Is zij lui?
      6. Ben jij blij?
      7. Ben jij klaar?
      8. Zijn zij saai?
      9. Is hij verdrietig?
      10. Is zij grappig?

    • 1. Lijk ik moe?
      2. Word jij verdrietig?
      3. Blijft u gezond?
      4. Eet hij langzaam?
      5. Is zij rustig?
      6. Wordt het donker?
      7. Voelen wij sterk?
      8. Lopen jullie snel?
      9. Klinken zij raar?

    • 1. Is het lekker?
      2. Is hij boos?
      3. Ben jij druk?
      4. Is zij blij?
      5. Is het koud?

    • 1. Loopt hij snel?
      2. Fietst hij langzaam?
      3. Werkt zij laat?
      4. Ben jij blij?
      5. Is zij nieuw?
      6. Leert zij snel?
      7. Is hij boos?
      8. Rijdt hij goed?

    • 1- Is hij gelukkig?
      2- Zijn zij laat?
      3- Is zij modern?
      4- Hebben jullie druk?
      5- Zijn zij vriendelijk?
      6- Is het droog?
      7- Is hij afhankelijk?
      8- Ben jij blij?
      9- Rijden wij langzaam?
      10- Ben ik jong?

    • 1- Is jouw auto snel?
      2- Is hij lang?
      3- Is haar haar kort?
      4- Zijn zij groot?
      5- Is het mooi?
      6- Is ze leuk?
      7- Zijn jullie grappig?

    • 1. Bent u kort?
      2. Is zij nieuw?
      3. Rijd je snel?
      4. Is zij lang?
      5. Zijn ze goed?

    • 1. Komt hij zeker?
      2. Begint zij makkelijk?
      3. Gelooft hij waarschijnlijk?
      4. Ben ik snel?
      5. Is zij vrij?
      6.Bent u moe?
      7. Zijn jullie klaar?
      8. Bent u dankbar?
      9. Is zij leuk?
      10. Zijn jullie aardig?

    • 1. Adem ik moeilijk?
      2. Verdien je makkelijk?
      3. Vernietigt u glad?
      4. Schets je mooi?
      5. Antwoordt hij doorzichtig?
      6. Straft zij zwaar?
      7. Passeren wij snel?
      8. Ontsnappen jullie dapper?
      9. Dienen ze gevaarlijk?
      10. Borstel ik aardig?

    • 1. Groet ze vriendelijk?
      2. Is hij aardig?
      3. Werkt hij snel?
      4. Schrijft ze correct?
      5. Danst ze grappig?
      6. Speel je slecht?
      7. Is het makkelijk?
      8. Reageert hij normaal?
      9. Presteren ze perfect?
      10. Spreken ze langzaam?
      11. Schreeuwen ze boos?
      12. Zingen ze prachtig?
      13. Lopen ze voorzichtig?
      14. Ben je blij?
      15. Ben je boos?

    • 1. Is hij lang?
      2. Is het geldig?
      3. Rijd jij snel?
      4. Kookt u goed?
      5. Is zij afhankelijk?
      6. Zijn zij bang?
      7. Zijn wij veilig?

    • 1- Gaat zij langzaam?
      2- Voel je beter?
      3- Smaakt het lekker?
      4- Schrijven wij snel?
      5- Blijft zij kalm?
      6- Komt hij laat ?

    • 1. Loop ik snel?
      2. Jog je langzam?
      3. Lees jij snel?
      4. Eet ze bij?
      5. Draagt zij warm?
      6. Huilt hij hard?
      7. Speelt u lang?
      8. Kruipen wij ver?
      9. Springen jullie hoog?

    • 1. Kookt hij goed?
      2. Schrijf ik duidelijk?
      3. Lees je snel?
      4. Is zij beleefd?
      5. Ben je lui?
      6. Eten wij langzaam?
      8. Praat ik hard?

    • 1. Fiets je snel?
      2. Rent hij langzaam?
      3. Ben je moe?
      4. Is zij boos?
      5. Bent u gelukkig?
      6. Ben ik vriendelijk?
      7. Lees je goed?

    • 1. Lees je snel?
      2. Vind je het leuk?
      3. Fietst hij langzaam?
      4. Ben jij moe?
      5. Sport hij makkelijk?
      6. Schilderen wij genoeg?
      7. Voel je je veilig?
      8. Werkt zij rustig?

    • 1. Werkt zij snel?
      2. Is het bijzonder?
      3. Is hij grappig?
      4. Praat ik langzaam?
      5. Zijn jullie mooi?
      6. Zijn zij gelukkig?
      7. Fiets jij snel?
      9. Is het lang?
      10. Werkt zij snel?

    • 1. Schrijft zij langzaam?
      2. Lopen zij snel?
      3. Danst hij goed?
      4. Zijn ze boos?
      5. Zingt zij goed?
      6. Kook jij lekker?
      7. Zijn wij laat?
      8. Is zij ziek?
      9. Rijdt hij langzaam?
      10. Praten ze luid?

    • 1. Bouw jij snel?
      2. Drinken jullie lekker?
      3. Eet je langzaam?
      4. Koken jullie goed?
      5. Ben jij klaar?

    • 1.Drinkt hij snel ?
      2.Slaap ik mooi ?
      3.Rookt je veel?
      4.Doe ik het goed?
      5.Rijdt u gevaarlijk?
      6.Slaap jij lang?
      7.Ben ik zwaar?
      8. Speel je langzamer?
      9.Bouwt hij snel ?
      10. Eten wij serieus ?

    • 1. Ben jij moe?
      2. Is hij boos?
      3. Zijn wij klaar?
      4. Bent u tevreden?
      5. Zijn jullie hongerig?
      6. Is zij bang?
      7. Ben ik grappig?
      8. Zijn zij rijk?

    • 1.Bent u vriendelijk?

      2.Ben ik hongerig?

      3.Ben jij snel?

      4.Is hij luid?

      5.Is zij creatief?

      6.Zijn wij gelukkig?

      7.Zijn jullie enthousiast?

    • 1. Kom jij snel?
      2. Werken jullie goed?
      3. Is hij slim?
      4. Eten zij langzaam?
      5. Ben je moe?
      6. Sport jij veel?

    • 1. Leert zij gemakelijk ?
      2. Rijdt de bus langzaam ?
      3. Kookt zij lekkee ?
      4. Studeren jullie serieus ?
      5. Werken de studenten hard ?
      6. Woont hij dichtbij ?
      7. Eet zij gezond ?
      8. Fiets hij snel ?
      9. Lesen jullie veel ?
      10. Praat hij luid ?

    • 1. Bestuurt hij snel?
      2. Is hij gevaarlijk?
      3. Speel jij goed?
      4. Ben ik vervelend?
      5. Verkoopt hij goedkoop?
      6. Komen jullie langzaam?
      7. Lopen zij hard?
      8. Ben jij rijk?
      9. Is zij arm?
      10. Ben jij koud?

    • 1. Drink jij snel?
      2. Is hij arm?
      3. Zijn jullie boos?
      4. Bent u beleefd?
      5. Kook jij lekker?
      6. Bestruur jij snel?
      7. Dansen jullie goed?
      8. Spreek jij langzaam?

    • 1. Rijd jij snel?
      2. Ben jij druk?
      3. Komt hij laat?
      4. Is dit zwaar?
      5. Fietsen de kinderen langzaam?
      6. Is zij moe?
      7. Zijn mijn buren vriendelijk?
      8. Werk jij hard?

    • 1. Kookt hij goed?
      2. Is zij leuk?
      3. Bent u grappig?
      4. Werken jullie snel?
      5. Is het duur ?
      6. Is hij lang?
      7. Eet hij gezond?
      8. Werkt hij hard?
      9. Praten jullie langzaam?
      10. Zijn jullie rijk?

    • 1-Ben jij klein?
      2-Dansen zij mooi?
      3-Zijn zij rijk?
      4-Wandelt hij snel?
      5-Praten wij te snel?
      6-Ben ik dom?
      7-Is het duur?

    • 1. Is hij knettergek?
      2. Speel je hartstochtelijk? (He didn’t win.)
      3. Koop jij blindelings? (Tomatoes were all mushed up.)
      4. Komen wij trots?
      5. Ben je oud? (Talking over email, can’t tell.)

    • 1. Is hij lang?
      2. Is het appartement groot?
      3. Zijn de vruchten vers?
      4. Zijn zij rijk?
      5. Is de tafel duur?
      6. Bent u gelukkig?
      7. Is de fiets kapot?
      8. Is de buurman aardig?
      9. Eet hij langzaam?
      10. Is de trein snel?

    • 1. Werken jullie snel?
      2. Praat hij snel?
      3. Ben je moe?
      4. Ben je saai?
      5. Is het park mooi?
      6. Hebben jullie honger?
      7. Is zij boos?
      8. Zijn zij dom?
      9. Is het belangrijk?
      10. Is hij grappig?

    • 1. Ben jij gelukkig?
      2. Werkt hij hard?
      3. Zijn wij klaar?
      4. Kookt zij snel?
      5. Luisteren jullie goed?
      6. Rijdt jij voorzichtig?
      7. Slaap ik lang?

    • 1. Rijd jij snel?
      2. Ben jij druk?
      3. Komt hij laat?
      4. Is dit zwaar?
      5. Fietsen de kinderen langzaam?
      6. Is zij moe?
      7. Zijn mijn buren vriendelijk?
      8. Werk jij hard?

    • 1- Werkt hij hard?
      2- Is het duur?
      3- Kookt hij goed?
      4- Zijn jullie rijk?
      5- Is hij lang?
      6- Praten jullie langzaam?
      7- Bent u grappig?
      8- Eet hij gezond?
      9- Is zij leuk?
      10- Werken jullie snel?

    • 1. Rijd jij snel?
      2. Werkt hij slecht?
      3. Lees jij langzaam?
      4. Koken jullie goed?
      5. Is zij dood?
      6. Ben jij bang?
      7. Is hij blauw?
      8. Zijn zij leuk?
      9. Ben jij sociaal?
      10. Is hij nieuw?

    • 1. Kook jij goed?
      2. Wandelen jullie graag?
      3. Slaapt zij goed?
      4. Eet hij gezond?
      5. Lees jij vaak?
      6. Reizen jullie veel?
      7. Werkt zij vandaag?
      8. Is het koud?
      9. Werken jullie hard?
      10 Ben jij moe?

    • 1. Ben je verdrietig?
      2. Eten ze langzaam?
      3. Slaapt hij kort?
      4. Zing ik mooi?
      5. Leren jullie makkelijk?
      6. Spelen we goed?

    • 1. Loopt zij langzaam?
      2. Lezen wij goed?
      3. Springen jullie hoog?
      4. Ben jij moe?
      5. Is zij druk?
      6. Zingt Diego mooi?
      7. Ben je trots?
      8. Is hij verdrietig?
      9. Weet ik alles?
      10. Dansen Maurice en Beca snel?

    • 1. Lopen zij langzaam?
      2. Fiets jij snel?
      3. Blijf jij kalm?
      4. Kookt zij goed?
      5. Klinkt dat interessant?
      6. Kom jij vroeg?
      7. Slaap jij goed?
      8. Ben jij moe?
      9. Leren jullie snel?
      10. Ben jij bang?

    • 1. Is hij tevreden?
      2. Rijdt zij snel?
      3. Werken jullie hard?
      4. Bellen wij lang?
      5. Voelen jullie je goed?
      6. Is het veilig?
      7. Slaap jij lekker?

    • 1.Eten jullie veel?
      2.Is dat hard?
      3.Is hij blij?
      4.Zingt zij mooi?
      5.Kookt zij goed?
      6.Is de croissant lekker?
      7.Lezen zij slecht?

    • 1- Rent hij snel?
      2- Spreken wij langzaam?
      3- Is hij behoorlijk?
      4- Is de koffie koud?
      5- Slaap jij goed?
      6- Is zij bezig?
      7- Werk jij laat?
      8- Rijdt hij gevaarlijk?
      9- Is het huis gezellig?
      10- Is de vrouw beroemd?

    • 1. De stad is groot.
      2. De baby is klein.
      3. Het paard is wit.
      4. De tuin is groen.
      5. De man is knap.
      6. Het bed is lang.
      7. Het licht is sterk.
      8. Het laken is zacht
      9. De zin is klaar
      10. Het pad is smal.

    • 1. Ben jij gelukkig?
      2. Is hij moe?
      3. Zijn jullie vriendelijk?
      4. Ben ik klaar?
      5. Is zij sterk?
      6. Zijn wij tevreden?
      7. Ben jij nieuwsgierig?
      8. Is hij slim?
      9. Zijn jullie druk?
      10. Is zij rustig?

    • 1. Probeer jij hard?
      2. Kom ik vroeg?
      3. Loopt u langzaam?
      4. Rijdt hij gevaarlijk?
      5. Maakt zij pittig eten?
      6. Spreken wij Nederlands?
      7. Ruik ik iets slecht?
      8. Zijn zij blij?
      9. Fietst hij snel?
      10. Weet u alles?

    • 1. Werk jij hard?
      2. Zwemt hij goed?
      3. Is zij bang?
      4. Kookt u goed?
      5. Fiets ik langzaam?
      6. Leert zij snel?
      7. Slaap jij rustig?
      8. Rijdt zij voorzichtig?
      9. Spreken jullie duidelijk?
      10. Lopen wij snel?

    • 1. Ben je blij?
      2.Is zij klaar?
      3. Zijn ze zenuwachtig?
      4. Ben ik laat?
      5. Is hij vriendelijk?
      6. Zijn wij druk?
      7. Is het warm?

    • 1. Spreek ik rustig?
      2. Loop jij langzaam?
      3. Leert u snel?
      4. Schrijft hij correct?
      5. Kookt zij goed?
      6. Rijden wij voorzichtig?
      7. Dansen jullie mooi?
      8. Zingen zij luid?

    • 1. Speelt hij goed?
      2. Spreek je de taal?
      3. Werk jij vandaag?
      4. Is zij Frans?
      5. Zijn zij grappig?

    • 1. Werkt hij langzaam?
      2. Eet hij snel?
      3. Rent hij snel?
      4. Rijdt hij onveilig?
      5. Werkt hij efficiënt?

    • 1. Is het rood?
      2. Ben ik snel?
      3. Is het te vroeg?
      4. Rijden wij snel?
      5. Zing jij mooi?
      6. Kost het veel?

    • 1. Ben jij klein?
      2. Is zij mooi?
      3. Zijn jullie snel?
      4. Is hij grappig?
      5. Bent u oud?

    • 1. Ben je klaar?
      2. Veranderen zij heel?
      3. Groeit zij groot?
      4. Wordt hij vervelend?
      5. Rijden wij snel?
      6. Fietst zij langzaam?
      7. Begint de batterij leeg?

    • 1. Eten jullie veel?
      2. Zijn we positief?
      3. Spreekt hij hard?
      4. Rent zij snel?
      5. Bent u saai?
      6. Ben ik professioneel?
      7. Ben je vervelend?
      8. Is zij druk?
      9. Slaap jij goed?
      10. Schrijf ik mooi ?

    • 1. Fiets je onzorgvuldig?
      2. Danst hij gracieus?
      3. Rijdt zij voorzichtig?
      4. Schrijven jullie leesbaar?
      5. Praten wij vriendelijk?

    • 1. Werkt hij snel?
      2. Woont opa hier?
      3. Leest oma graag?
      4. Rijdt de dokter snel?
      5. Is de tas zwaar?
      6. Is de auto nieuw?
      7. Is de telefoon nieuw?

    • 1. Rijdt zij langzaam?
      2. Leer jij snel?
      3. Koken jullie goed?
      4. Ben jij lang?
      5. Werkt hij efficiënt?

    • 1. Ben ik aardig?
      2. Ben jij bijzonder?
      3. Is ze nuttig?
      4. Werkt hij langzaam?
      5. Rijden wij voorzichtig?
      6. Slapen zij diep?
      7. Denk ik logisch?
      8. Lacht zij hard?
      9. Koken wij lekker?
      10. Ben ik waanwijs?

    • 1. Koopt Jan elke dag?
      2. Woont ze ver?
      3. Eten we langzaam?
      4. Belt hij vaak?
      5. Leest ze lang?
      6. Gaat de fiets snel?
      7. Slaap jij laat?

    • 1 Ben ik hulpvaardig?
      2 Ben je inactief?
      3 Ben jij kieskeurig?
      4 Bent u krachtig?
      5 Is hij lui?
      6 is zij mensenschuw?
      7 Zijn wij nors
      8 Zijn jullie nuttig

    • 1. Studeren wij snel?
      2. Kook ik mooi?
      3. Duurt hij lang?
      4. Kost hij veel?
      5. Is hij oud?
      6. Rijdt hij snel?
      7. Luister je goed?

  • Load More Posts