-
Dutchbook huiswerk:👍
Oefening 12 (pagina 11)
Plaats jouw antwoorden hieronder:117 Comments - Load More Posts
DutchCourseEindhoven
Dutchbook huiswerk:👍
Oefening 12 (pagina 11)
Plaats jouw antwoorden hieronder:
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
Dit is een noot.
Dat zijn aardbeien.
Dat is een huis.
Dit zijn huizen.
Dit zijn wolken.
Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit in een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4, Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit in een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos
1) Dit is een noot
2) Dat zijn aardbeien
3) Dat is een huis
4) Dit zijn huizen
5) Dit zijn wolken
6) Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dat is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dat is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
Dit is een noot.
Dat zijn aardbeien.
Dat is een huis.
Dit zijn huizen.
Dit zijn wolken.
Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2.Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4.Dit zijn huizen.
5.Dit zijn wolen.
6.Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1- Dit is een noot.
2- Dat zijn aardbeien.
3- Dat is een huis.
4- Dit zijn huizen.
5- Dit zijn wolken.
6- Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
Dit is een noot.
Dat zijn aardbeien.
Dat is een huis.
Dit zijn huizen.
Dit zijn wolken.
Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1- Dit is een noot.
2- Dat zijn aardbeien.
3- Dat is een huis.
4- Dit zijn huizen.
5- Dit zijn wolken.
6- Dat zijn een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot
2.Dat zijn aardbeien
3.Dat is een huis
4.Dit zijn huizen
5.Dit zijn wolken
6.Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2.Dat zijn aardbeien
3.Dat is een huis
4.Dit zijn huizen
5.Dit zijn Wolken
6.Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardebeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1- Dit zijn wolken.
2- Dat is een roos.
3- Dit is een noot.
4- Dat zijn aardbeien.
5- Dit zijn huizen.
6- Dat is een huis.
1- Dit is een noot
2- Dat zijn aardbeien
3- Dat is een huis
4- Dit zijn huizen
5- Dit zijn wolken
6- Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1- Dit is een noot
2- Dat zijn aardbeien.
3- Dat is een huis.
4- Dit zijn huizen.
5- Dit zijn wolken.
6- Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1.Dit is een noot.
2.Dat zijn aardbeien.
3.Dat is een huis.
4.Dit zijn huizen.
5.Dit zijn wolken.
6.Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardebeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardebeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot
2 Dat zijn aardbeien
3 Dat is een huis
4 Dit zijn huizen
5 Dit zijn wolken
6 Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6.Dat is een roos.