-
Boek. Pagina 40

Opdracht 4. Maak minimaal 10 zinnen. Gebruik nummers: 1,2,3…
Post your answer below:126 Comments-
1. De vrouw rijdt een auto.
2. De jongen tekent een afbeelding.
3. De ober serveert het eten.
4. De boekhouder rekent de uitgaven.
5. Het meisje kijkt de tekenfilm.
6. De boer cultiveert de groente.
7. De bakker bakt een broed.
8. De advocaat wint een rechtszaak.
9. De kinderen spelen een spel.
10. Een politieman vangt een dief.
11. De docent…Read More -
1. De vrouw vindt een mes.
2. De dochter doet huiswerk.
3. Dick zoekt de boek.
4. Anna en Pieter halen fietsen.
5. Een schilder selecteert kleuren.
6. De man houdt de deur.
7. De moeder schoonmaakt het huis.
8. Een postbode ophaalt het pakket.
9. Maria maakt een stoel.
10. De kinderen zien de gat.
11. Het meisje heeft een paar sokken.
12. De…Read More -
1. De klant koopt de tafel.
2. De hond eet het vlees.
3. De kinderen kijken de films.
4. De docent geeft een test.
5. De politie krijgt een klacht.
6. Het meisje snijdt het papier.
7. Een persoon wil een cake.
8. De man verkoopt een auto.
9. De jongens schilderen de muur.
10. De chef kookt de maaltijd. -
1. De vrouwen kopen boodschappen
2. De studenten volgen een taalcursus
3. Het meisje bestudeert wilde dieren
4. De oma gaat naar de groentemarkt
5. De man betaalt de rekening
6. Het paar wordt ouders
7. Het meisje verliest de sleutels
8. De jongen koopt een woordenboek
9. De kinderen gaan naar school
10. De vrouwen reizen naar Japan
11. De neven…Read More -
1. De vrouw verkoopt het huis.
2. De kinderen vinden de sleutels.
3. De man rijdt de fiets.
4. De vrouw bezoekt het ziekenhuis.
5. De verkoper opent de winkel.
6. De jongen speelt de gitaar.
7. De moeder kookt vlees.
8. De studenten leren Nederlands.
9. Het meisje heeft een kat.
10. De vriend leent een pen.
11. Het kind leest een boek
12. De…Read More -
1. De vrouwen kijken naar het huis.
2. Het kind slaapt op het bed.
3. De patiënt belt een dokter.
4. De leraar spreekt met een student.
5. De man leest een boek.
6. Anna eet een maaltijd.
7. De jongen helpt een vriendin.
8. De moeders wachten bij de school.
9. De ingenieur zoekt een computer.
10. Jasmijn en ik kopen de tickets.
11. De ober krijgt…Read More -
1. De jongens hebben een boek.
2. De vrouw leest een krant.
3. De mannen spelen een spel.
4. De leraar schrijft een brief.
5. De student heeft een pen.
6. De dokter schrijft een recept.
7. Het meisje tekent een foto.
8. De bakkers maken een taart.
9. De vrienden hebben een computer.
10. De vrouw heeft een tas.
11. De man drinkt een koffie.
12. De…Read More -
1. De man koopt een fiets.
2. De werknemer werkt in het kantoor.
3. De baby beantwoordt de vraag.
4. De buurman rijdt het paard.
5. De zus draagt een jurk.
6. Het konijn houdt van wortels.
7. De opa’s spelen met kinderen.
8. De oma maakt pasta voor het avondeten.
9. De studenten denken de wiskundeproblemen.
10. Maria en de vrouw schrijven een verhaal -
1. De vrouw loopt naar het station.
2. Het meisje speelt met een bal.
3. De buurman bakt een taart.
4. De kinderen horen muziek.
5. De medewerker werkt met de baas.
6. De oma koopt een cadeau.
7. De zoon houdt van kerstmis.
8. De man heeft een auto.
9. Het kind eet een appel.
10. De vrouw kookt aardappelen.
11. De opa krijgt een fiets.
12. Het…Read More -
1. De student leest een boek.
2. Een ober serveert het avondeten.
3. Een manager geeft salaris.
4. Een koper betaalt een rekening.
5. Een kind hoort een verhaal.
6. Een huisarts geneest een wond.
7. De buur ontvangt het pakket.
8. Een man koopt bloemen.
9. Ouders bekijken een show.
10. Een wetenschapper ontdekt een medicijn.
11. Een verkoper toont…Read More -
1. De vrouw kookt een maaltijd
2. Een man maakt een afspraak
3. Het meisje betaalt een kaartje
4. De buren kopen een huis
5. De vrienden nemen de bus
6. Een leidinggevende helpt een collega
7. De buurvrouw poetst de woonkamer
8. Een leraar ziet de film
9. De chauffeur rijdt de auto
10. Een verkoper eist geld
11. De jongens spelen voetbal
12. De…Read More -
1. Het meisje heeft een boek.
2. De man ziet een berg.
3. De vrouw kookt de maaltijd.
4. De oma koopt de stoel.
5. De opa kijkt de film.
6. De oom bouwt een muur.
7. De tante bakt een taart.
8. De jongen polijst de vloer.
9. De neef bespeelt het instrument.
10. Het nichtje heeft een pop.
11. Het neefje heeft een bal.
12. De zus volgt de rij.
13.…Read More -
1. Het kind leest een boek.
2. De moeder koopt een speelgoed.
3. De vader verkoopt de fiets.
4. De oom vindt een sleutel.
5. De tante zoekt een huis.
6. De grootvader volgt een hond.
7. De grootmoeder eet een appel.
8. De man opent de deur.
9. De vrouw zingt een slaapliedje.
10. Het meisje vertelt een verhaal.
11. De baby wil een ballon.
12. De…Read More -
1. Het kind heeft het speelgoed.
2. De buren drinken koffie.
3. Haar vader leest een krant.
4. De vrouw loopt naar huis.
5. De vrouw plant de bloemen.
6. Het meisje luistert naar muziek.
7. Een oudje vertelt het verhaal.
8. Jouw oma kopt een bril.
9. De chef kookt het eten.
10. De atleet loopt de marathon.
11. De huisarts sluit de kliniek.
12. Een…Read More -
1. De vrouw leert een taal.
2. De broer rijdt een auto.
3. Het kind leest een boek.
4. De moeder kookt een ei.
5. De vader leent een fiets.
6. De student heeft een rugzak.
7. De vriend koopt een tulp.
8. Het kind bouwt een toren.
9. De zus loopt een hond.
10. De leraar leert een klas.
11. De toeriste bezoekt een kerk.
12. De collega’s kopen een s…Read More -
1. De man opent een deur.
2. Het meisje koopt een pen.
3. De jongen draagt de stoel.
4. De vrouw ziet een tas.
5. Een man leest een boek.
6. Een meisje sluit het raam.
7. De mannen kopen de pennen.
8. De dochter afwast een bord.
9. De zon kiest de tafel.
10. Mannen gebruiken computers.
11. Het meisje wil een appel.
12. De ouders kijken een…Read More -
1. Mijn buurman koopt een auto.
2. Het meisje leest het boek.
3. Mijn broer werkt thuis.
4. Mijn vriend kijkt een film.
5. Sean spreekt Nederlands.
6. Mijn moeder is een vrouw.
7. Mijn collega rent de marathon.
8. De studenten leren Nederlands.
9. Mijn moeder serveert de soep.
10. De man rijdt een fiets. -
1. De vrouw maakt een ontbijt.
2. Hij bakt een taart.
3. Jullie bouwen een zandkasteel.
4. Kinderen eten appels.
5. Ik gooi een bal.
6. Jij speelt de piano.
7. Hij koopt een jas.
8. Zij wordt een docent.
9. Ik snijd een brood.
10. Hij pakt de doos.
11. Ik rijd een motor.
12. Hij zoekt een plek.
13. Ik ruik een bloem.
14. Zij brengt een krant. -
1. De man bouwt de hut.
2. Het meisje heeft de jurk.
3. De vrouw ontwerpt de boot.
4. De jongen ziet het moeras.
5. Het meisje tekent het dorp.
6. De meneer beschrijft een kamer.
7. De ontwerper controleert de structuur.
8. De buurman bouwt een schommel.
9. De vriend koopt een tent.
10. De broer koopt een verlengsnoer.
11. Een oom veegt de…Read More -
1. Mijn vader is piloot.
2. De baas heeft een vergadering.
3. Het gezin is op vakantie.
4. Het kind eet een appel.
5. De slager snijdt vlees.
6. Oma´s lezen de krant.
7. De kunstenaar verkoopt het schilderij.
8. De moeder schrijft een brief.
9. De tandarts heeft een patiënt.
10. De collega´s drinken bier. -
1. De ouders hebben verplichtingen.
2. De ober brengt de bestellingen.
3. De dokter studeert geneeskunde.
4. Het meisje speelt voetbal.
5. De vrouw houdt van Italiaans eten.
6. Mijn broer kijkt naar de tv.
7. Haar vriend drinkt sap.
8. De verkoper heeft een speciale aanbieding.
9. De student leest de boeken.
10. De collega van mij koopt een nieuwe…Read More -
1. De buurman draagt een jas.
2. De ober brengt een menu.
3. De student leest het boek.
4. Een leraar schrijft een brief.
5. Het meisje eet een appel.
6. De jongen koopt een fiets.
7. Een vrouw drinkt koffie.
8. Een man wast het bord.
9. Het kind speelt voetbal.
10. De vader repareert een stoel.
11. Een opa leest een krant.
12. Een ingenieur werkt…Read More -
1. De buurman drinkt het water.
2. Het meisje speelt voetbal.
3. De moeder kookt een broodje kroket.
4. De kinderen nemen de boeken.
5. De jongens drinken de bieren.
6. De oma fietst naar het park.
7. De huisarts geeft advies.
8. De docent luistert naar de vragen.
9. Het kind vindt een jas.
10. De advocaat leest een boek.
11. De manager drinkt de…Read More -
1. De vrouw werkt thuis
2. De jongen maakt een tekening
3. Het meisje kookt een aardappel
4. De vader danst op een liedje
5. De moeder tekent een kat
6. De leraar drinkt sap
7. De collega schrijft een brief
8. De buurmannen bouwen een tafel
9. De dochters wassen twee poppen
10. De broers gooien een bal
11. De opa’s lezen de krant
12. De vrienden s…Read More -
1. Een man wandelt een hond.
2. De werknemers werken aan de tafels.
3. Het meisje speelt voetbal.
4. De boeren hebeen een truck.
5. De bakker bakt koekjes.
6. De vrouwen drinken de wijn.
7. Een piloot vliegt een vliegtuig.
8. De baas eet een frikandel.
9. Docenten hebben de boeken.
10. Pieter maakt een sculptuur. -
1. Een man heeft een tafel.
2. De student leert de boeken.
3. De mensen hebben een paard.
4. De jongen is een student.
5. Het huis heeft een deur.
6. De auto heeft vier wielen.
7. De boom heeft een appel.
8. De mens leert een onderwerp.
9. De jongen speelt met een voetbal.
10. Een trein heeft zitplaatsen.
11. Het kopje heeft koffie.
12. De man…Read More -
1. Een vrouw loopt in de straat
2. De kinderen spelen in het park
3. het meisje leest een boek
4. De jongen rijdt een auto
5. Het meisje eet de koekjes
6. De leraar staat voor de klas
7. De leerlingen zitten in de klas
8. De man strijkt het hemd
9. De vrouw kookt de vis
10. Een volwassene drinkt het bier
11. Een kind drinkt het sap
12. De jongens…Read More -
1. De vrouw leest het boek.
2. De buurman gaat naar de sportschool.
3. De buurvrouw drinkt het water.
4. De jongens eten appels.
5. Het meisje hoort de vogel.
6. De kinderen volgen de katten.
7. De leraar spreekt de Turkse taal.
8. De studenten maken het huiswerk.
9. De leraar draagt een bril.
10. De mannen zien het bos.
11. De vrouwen dansen met…Read More -
1. De winkelier verkoopt een tafel.
2. Het hert eet het gras
3. De man betaalt voor de sinaasappel
4. De kapper knipt het haar.
5. De student drinkt een koffie.
6. De hond plast in de struiken.
7. De vrienden blijven het huis.
8. Het volk kiezen de President
9. De kok proefde de taart.
10. De koning belooft het volk
11. De rechercheur gelooft de…Read More -
1-De vrouw bloemen water geeft
2-De jongen eet een ijsje
3-De man leest een krant
4-U geeft een boek
5-De hond rent in de tuin
6-De kat drinkt melk
7-Het meisje leest een boek
8-De man sluit de deur
9-De kinderen zingen een liedje
10-De buurvrouw koopt een appel
11-De dokter onderzoekt de patient
12-De vissen zwemmen in de zee
13-De broer rijdt…Read More -
1. Het kind heeft een boek.
2. De danser luistert naar de muziek
3. De vrouw heeft een jurk.
4. De kat heeft een muis
5. De buurman heeft een hond.
6. De studenten luisteren naar de leraar.
7. De kinderen spelen op de tuin.
8. De jongens dragen de pet.
9. De meisjes bezoek de winkel.
10. De oma winkelt bij Jumbo.
11. De opa en oma wandeling in de…Read More -
1. Het kind heeft een voetbal.
2. De man sluit de deur.
3. De vrouw koopt de boodschappen.
4. De moeder schrijft een brief.
5. De familie eten het voedsel.
6. De broer belt de zus.
7. De kinderen geloven de ouders.
8. De oma bakt koekjes.
9. De leraar drinkt een vruchtensap.
10. Rudolph heeft een auto. -
1. De batman bezoekt de grappenmaker
2. De buurvrouw opent de deur
3. Het kind eet het ijs
4. De dokter gebruikt een mes
5. De kinderen kijken de film
6. De studenten spelen de muziek
7. Het team begrijpt het probleem
8. De manager geeft een cadeau
9. De ingenieur bouwt het programma.
10. Het meisje rijdt een fiets.
11. De werknemers maken een…Read More -
1. De man hoort de kat.
2. De vrouw ziet de grote hond.
3. De student luistert naar de leraar.
4. De moeder knipt het papier.
5. De jongens spreken Nederlands.
6. Het meisje praat met een jongen.
7. Het kind zegt het woord.
8. De baby pakt een lepel.
9. De accountant werkt bij een bedrijf.
10. De arts schrijft woorden.
11. De buurvrouw leest…Read More -
1. Het kind wandelt thuis.
2. De kinderen kijken naar de film.
3. De man luistert naar de muziek.
4. De vrouw heeft een auto.
5. De jongen stuurt een brief.
6. Het meisje neemt een koekje.
7. De huisarts onderzoekt een patiënt.
8. De docent geeft een opdracht.
9. De student rekent de som.
10. De mannen fietsen naar een school. -
1. De man leest een krant.
2. De moeder draagt een tas.
3. Het kind eet een koekje.
4. Het meisje zingt een liedje.
5. De buurman plant een boom.
6. De collega maakt een plan.
7. De vrouw koopt een boek.
8. De vriend brengt een taart.
9. De vader opent een deur.
10. De leraar vraagt de naam.
11. De leraar geeft een toets. -
1. De mannen leren de nieuwe woorden.
2. De buurvrouw kookt de kip.
3. De leraar blijft thuis.
4. De opa geeft een cadeau.
5. De kinderen spreken de Nederlandse taal.
6. Het meisje krijgt het salaris.
7. De dochter verwacht regen.
8. Het kind mist een les.
9. De koper heeft een vraag.
10. De meisjes vinden het geld.
11. De man koopt een rode…Read More -
1. De man heeft een boek.
2. Het kind heeft een student.
3. De jongen heeft een goede naam.
4. Het meisje heeft een mooie outfit.
5. De buren hebben luidruchtige machines
6. De leraar heeft een nieuwe pen.
7. De oma heeft een paar borden.
8. De moeder heeft twee kinderen.
9. De opa heeft een stoel.
10. De vrouw heeft drie vrienden. -
1. De vrouw heeft een deken.
2. De jongen heeft een speeltje.
3. De moeder heeft een jurk.
4. De oma heeft een tuin.
5. Het kind heeft een skateboard.
6. De dochter heeft een rok.
7. De zonen hebben een gitaar.
8. De baby heeft een flesje melk.
9. De vader heeft een telefoon.
10. De dochter heeft een bloem. -
1. De vrouw heeft veel schoenen.
2. De kinderen leren schrijven.
3. De docent geeft de les.
4. De opa leest de krant.
5. De vrouw draagt de jas.
6. De meisjes eten de appel.
7. Het kind tekent het huis.
8. De studenten schrijven de tekst.
9. De mannen kijken naar de film.
10. Het paard trekt de wagen.
11. De koe geeft de melk.
12. De jongens…Read More -
1- De manager schrijft een email
2- De studenten luisteren naar de lezing
3- Een man kijkt de film
4- De moeder eet het dessert
5- Een huisarts helpt de patiënt
6- De chef kookt de maaltijd
7- Het kind neemt de bus
8- De muzikant bespeelt de drums
9- De buurvrouw drinkt de koffie
10- De leraar legt uit de les
11- De jongen drinkt het sap
12- Het…Read More -
1. De bewaker leest een boek.
2. De tante geeft een cadeau.
3. De sporter loopt een marathon.
4. De muzikant maakt een liedje.
5. Een serveerster brengt het eten.
6. De piloot bestuurt een vliegtuig.
7. De brandweerlieden blussen het vuur.
8. De timmerman bouwt een trap.
9. De oom verbrandt het hout.
10. Een ober breekt een bord. -
1. De vrouw heeft een auto.
2. Het kind heeft speelgoed.
3. De man heeft een motorfiets.
4. De vader leest de krant
5. Het meisje speelt met de jongen.
6. Anna en Maria lezen het boek.
7. De chef snijdt de tomaten.
8. De oma bakt een brood.
9. De vader belt het kind.
10. De studenten krijgen huiswerk.
11. De leraar legt de les.
12. De vrienden…Read More -
1. De vrouw leest een boek.
2. De jongen eet een appel.
3. De leraar schrijft een brief.
4. De moeder kookt een maaltijd.
5. De man koopt een auto.
6. De student maakt een foto.
7. De dokter helpt een patiënt.
8. De schilder verft een muur.
9. De bakker bakt een brood.
10. De vader wast een bord.
11. De vrouw drinkt een koffie.
12. De jongen…Read More -
1. De vrouw leest een boek.
2. De jongen eet een appel.
3. De leraar schrijft een brief.
4. Tom koopt een auto.
5. De jongen vindt een bal.
6. Het kind pakt een lepel.
7. De schilder verft een muur.
8. De man leest een krant.
9. De dokter onderzoekt een kind.
10. Tim en Michel vangen een vis.
11. Ana bakt een taart.
12. De student maakt een…Read More -
1. De man koopt een kaas.
2. De kinderen eten het brood.
3. De student leest het boek.
4. De buurman wast de auto.
5. De patiënt belt de dokter.
6. Een bakker bakt een cake.
7. De dochter mist de vader.
8. De jongen drinkt de chocolademelk.
9. De elektricien repareert het licht.
10. De brandweer blust het vuur.
11. De ober brengt de koffie.
12.…Read More -
1. De man kent het lied.
2. De hond geeft het bot.
3. De leraar leest het boek.
4. Het meisje schrijft de zinnen.
5. De jongen verliest het spel.
6. De vrouw gelooft het verhaal.
7. De man speelt voetbal.
8. De koks proeven het eten.
9. De studenten blazen de ballonnen op.
10. Het volk kiest de president.
11. De werkgever betaalt de boete.
12. De…Read More -
1. De man heeft een menu
2. De vrouw heeft twee katten
3. De student schrijft een brief
4. Het meisje rijdt in de auto
5. De oma breit een pullover
6. De Kinderen spellen in het park
7. De jongen ziet de regenboog
8. De winkelier sluit de winkel
9. Het kind eet een ijsje
10. De opa zit in de tuin
11. De moeder heeft twee kinderen
12. De buurvrouw…Read More -
1. De man heeft een auto.
2. De man verkoopt het boek.
3. Een vrouw koopt een tas
4. De jongen helpt zijn zus.
5. De kinderen drinken de sap.
6. Het meisje houdt de pop.
7. De meisjes eisen de poppen.
8. De winkelier opent de winkel.
9. De chef-kok kookt een gerecht.
10. De studenten bedanken de leraar.
11. De jongen zoekt de bal.
12. De spelers…Read More -
1. De vrouw drinkt de thee.
2. De kinderen kopen een snoepje.
3. De buurman snijdt een plant.
4. Maurice heeft een tas.
5. De man draagt een broek.
6. De meisjes zingen een liedje.
7. De chauffeur rijdt een bus.
8. De jongen sluit het raam.
9. De leraar opent een boek.
10. De kok bereidt een gerecht.
11. De makelaar verkoopt een huis.
12. Het kind…Read More -
1. De dokter onderzoekt de documenten.
2. Het kind raakt de tafel.
3. Het meisje vindt de bal.
4. De manager bespreekt de planning.
5. De buurman heeft de tuin.
6. De jongen zoekt het speelgoed.
7. De vrouw leest het boek.
8. De leraar corrigeert de opdracht.
9. De medewerker verwerkt de gegevens.
10. De vader leest een verhaal.
11. De technicus…Read More -
1. De vrouw gaat naar werk.
2. De man kookt een kip.
3. De leraar komt naar de klas.
4. De patiënt krijgt medicijnen.
5. De studenten lezen de boeken.
6. De advocaat praat met de klant.
7. De kinderen spelen met een bal.
8. De vader bakt een taart.
9. De man zoekt de sleutels.
10. Het meisje stuurt een brief.
11. De jongen schrijft een…Read More -
1. De arbeider gebruikt het gereedschap.
2. De vrouw vergeet de sleutel.
3. De jongen krijgt een medaille.
4. Het kind stuurt een brief.
5. De schilder schildert de windmolen.
6. De medewerkers begrijpen de situatie.
7. De ober serveert het gerecht.
8. De secretaris ziet een briefje.
9. De buren brengen een taart.
10. De bezoekers horen een…Read More -
1. Mensen plannen een aanval.
2. Deskundigen ontdekken de aarde.
3. Een meisje krijgt een miljoen.
4. Een baas weigert een oplossing.
5. Gasten eten de taart.
6. Personen bestellen cadeautjes.
7. De vriend kookt een maaltijd.
8. De oma giet thee.
9. Een zoontje verlaat een woonkamer.
10. Een arts schrijft een recept.
11. De lerares spreekt…Read More -
1. De vrouwen geven bloemen
2. De kassier spreekt Nederlands
3.De jongens spelen voetbal
4.Het meisje draagt de jurk
5.De Arts onderzoekt de baby
5.De buurman voert een hond
6.De visser verkoopt vis
7.De klant kiest de bank
8.De man verzendt de brieven
9. De studenten brengen de boeken
10. De moeder maakt het avondeten -
1. De vrouw heeft een paraplu
2. De kinderen eten brood
3. De man spreekt Nederlands
4. Een jongen verkoopt een appel
5. De schilder schildert het huis
6. De ober brengt water
7. De serveerster brengt het eten
8. De brandweerman blust de brand
9. De grootvader zoekt een spiegel
10. De ouders kopen een fiets
11. Het meisje brengt een deken
12. De…Read More -
1- De kinderen spelen in de tuin.
2- De dokter vindt de behandeling.
3- De tuinman werkt in haar tuin.
4- Mijn vrouw maakt een ontbijt.
5- De vrouw bestuurt de auto.
6- Een schilder schildert de muur.
7- Haar moeder werkt in het ziekenhuis.
8- De vader werkt op kantoor.
9- Haar man belt ons.
10- Het meisje speelt met haar collega. -
1. De jongen rijdt op een paard.
2. De dokter geneest een patiënt.
3. De baas drijft een regel.
4. Ik geloof het bericht niet.
5. Het team verliest het spel.
6. De student vertelt het verhaal.
7. De man mist zijn vrouw.
8. Hij legt het boek op tafel.
9. Een kind knipt het papier.
10. Hij plast in een wc. -
1. De vrouw bakt een vlaai.
2. Een vriend rijdt de auto.
3. De ouders verkopen een huis.
4. Het meisje ligt op de bank.
5. De buurman krijgt het adres.
6. De slager neemt het mes.
7. De huisartsen lezen de krant.
8. De kinderen spelen met een hond.
9. De man werkt in de tuin.
10. De jongen blijft in de stad. -
1.De vrouw kookt een maaltijd.
2.Het kind tekent een tekening.
3.De hond vangt een bal.
4.De jongen leest een boek.
5.De leraar schrijft een brief.
6.De kat vangt een muis.
7.De vogel bouwt een nest.
8.Het meisje plant een bloem.
9.De vis zwemt in de rivier.
10.De chef snijdt een ui.
11.De jongen speelt een spel.
12.De vrouw schildert een…Read More -
1. Een student doet het huiswerk.
2. De man leest een boek.
3. De moeder wast de kleren
4. Een vrouw heeft een hond.
5. De jongen eet een boterham.
6. De vrouwen houden een picknick.
7. Het meisje draagt een mand.
8. De buurman bouwt een huis.
9. De boer verkoopt de melk.
10. Een leraar schrijft op het bord. -
1. Het mesije spreekt engles .
2. De buurman rijdt een auto .
3. De makelaar heeft veel huizen
4. De mensen hebben staarten .
5. De man draagt een tas
6.De man zit op de stoel
7.De jongen schrijft met een pen .
8.Het kind drinkt de sap .
9.De vrouw praat aan de telefoon.
10.Het meisje speelt met speelgoed -
1. De kinderen maken het huiswerk.
2. De timmerman werkt in het huis.
3. De mensen gaan naar het stadion.
4. De vrouw fietst naar het restaurant.
5. De jongen speelt piano.
6. Het meisje rijdt naar het centrum.
7. De buren wonen in een appartement.
8. De chef kookt in de keuken.
9. De oma stuurt een email.
10. De moeder serveert het diner. -
1. De vrouw belt het kind.
2. De kinderen lezen het verhaal.
3. De studenten leren het alfabet.
4. De grootouders luisteren naar het lied.
5. Het meisje eet appeltaart.
6. De jongen maakt het huiswerk.
7. De mannen drinken koffie.
8. De buurvrouw kookt het eten.
9. De dief duwt de deur.
10. De moeder rijdt in de auto.
11. De politie zoekt de…Read More -
1. De collega’s maken de pakketten.
2. De bazen schrijven de brief.
3. De klant zoekt de sleutel.
4. De kinderen bellen de leraar.
5. De buurman koopt de auto’s.
6. De artsen vinden het formulier.
7. De studenten helpen de kinderen.
8. De vriend drinkt de koffie.
9. De leraren begrijpen de boeken.
10. De bakkers spreken de collega’s aan. -
1. De collega’s helpen de klanten.
2. De buurman gaat naar een winkel.
3. De vrouw geeft het eten.
4. De timmerman bouwt het huis.
5. De jongen maakt het huiswerk.
6. De docent leest het boek.
7. Het meisje komt van de school.
8. De bakkers bakken het brood.
9. De vriend koopt een auto.
10. De man schrijft een email. -
1. Wij bellen mijn collega’s
2. De vriend schrift een brief.
3. De buurvrouw bakt de brood.
4. De oma belt een jongen.
5. Otto en Ema sturen de brief.
6. Maria en Nico dansen samen.
7. De stoel is hoog.
8. De collega’s dansen met Nico.
9. De collega’s dansen op tafel.
10. De docenten spellen de woorden. -
1. De jongen rijdt de trein.
2. De buurman maait het gazon
3. Philippe eiste de vijf euro.
4. De studente drinkt het vodkashot.
5. De koe likt de muur.
6. De windmolen raakte de vogel.
7. De vader koopt halters.
8. Het kind speelt het spel.
9. De chef heeft een bord.
10. De man eet de kip. (it was our pet: John) -
1. De assistent heeft een telefoon.
2. De buurman rijdt op een motor.
3. De kok gebruikt het mes.
4. De verkoper heeft een product.
5. De collega woont in de flat.
6. Het meisje blijft thuis.
7. De huisarts schrijft het recept voor medicijnen.
8. De man kookt de pasta.
9. Het huis heeft een raam.
10. De vrouw betaalt de boodschappen. -
1. De klant krijgt de korting.
2. De man wacht de leraar.
3. Het kind drinkt de melk.
4. De docent houdt een boek.
5. De medewerker telt de eieren.
6. De werknemers eisen een salarisverhoging.
7. De shopassistant opent de winkel.
8. De ober sluit het eethuis.
9. De vrouw vindt de portemonnee.
10 De student wordt een astronaut. -
1. De leerlingen luisteren naar de les.
2. De oma geeft het geld.
3. Het meisje rijdt een auto.
4. De dochter bakte een pizza.
5. De jongen begint met het huiswerk.
6. De buurman heeft het balkon.
7. De kinderen spelen in het park.
8. De moeder serveert het ontbijt.
9. De klant koopt de laptop.
10. De vrienden koken het avondeten. -
1. De man loopt in het park.
2. De docent geeft een opdracht.
3. De dokters helpen de dierenarts.
4. De vrouwen voeden de vogels.
5. De studenten luisteren naar de leraar.
6. Het meisje maakt het huiswerk.
7. De jongen leest het boek.
8. Willem en Anna helpen de dieren.
9. De ouders lopen in de tuin.
10. De vader geeft het geld.
11. De zussen…Read More -
1. De jongen eet een boterham.
2. De man koopt het huis.
3. Het meisje bakt een pizza.
4. De hond heeft een vriend.
5. De leraar geeft het huiswerk.
6. De moeder heeft een kind.
7. De buurman drinkt een koffie.
8. De baas plant een vergadering.
9. De oma draagt een jurk.
10. De opa eet een maaltijd. -
1. De ober serveert het eten.
2. Het kind tekent een tekening.
3. De hond vangt een bal.
4. De boekhouder rekent de uitgaven.
5. De leraar schrijft een brief.
6. Een politieman vangt een dief.
7. De vogel bouwt een nest.
8. Het meisje plant een bloem.
9. De advocaat wint een rechtszaak.
10. De chef snijdt een ui.
11. De jongen speelt een spel.
12.…Read More -
1. De man ziet een vogel.
2. Maria en Martha koken de maaltijd.
3. De zus draagt een rok.
4. De studenten leren de Nederlandse taal.
5. De baas opent de winkel.
6. De oom koopt een huis.
7. De kinderen spelen volleybal.
8. De oma vergeet de sleutel.
9. Michel drinkt koffie.
10. De vriend geeft een halsketting. -
1. De jongen eet een appel.
2. De vrouw leest een krant.
3. De leraar helpt de student.
4. De moeder kookt het eten.
5. De vader rijdt de auto.
6. De leerling schrijft een brief.
7. De dokter onderzoekt de patiënt.
8. De buurman wast de auto.
9. De vriendin koopt een jurk.
10. Jan en Ellen spelen in de tuin. -
1. Het meisje ziet de slang
2. De man leest het boek
3. De leidinggevende woont in een groot huis.
4. De passagier heeft katjes
5. De klant koopt brood
6. De werknemer spreekt met de werkgever
7. De grootvader heeft kleinkinderen
8. De teamgenoot schiet de bal
9. De vrouw bouwt het meubel
10. De jongens zitten op het dak -
1. De jongen eet een appel.
2. De man schrijft een boek.
3. Het meisje bouwt een huis.
4. De vrouw maakt een tafelreservering.
5. De vader koopt een auto.
6. De klant heeft een afspraak.
7. De moeder gaat naar de supermarkt.
8. Bas kookt lekker eten.
9. De werknemer repareert een raam.
10. Ineke drinkt een thee. -
1. De elektricien sluit de kabel ann
2. De assistent plant de vergadering
3. De ingenieurs veranderen het proces
4. De slotenmaker maakt een sleutel
5. De docent kijkt de examens
6. De dokter sluit de deur
7. De schoenmaker maakt de schoenen schoon
8 De voetballer trapt de bal
9 De bouwvakker klimt op de ladder
10. De schrijver gebruikt de microfoon -
1. De studenten leren de Nederlandse taal.
2. De dochter eet een koekje.
3. De ouders vergeten het ogenblik.
4. Een tuin heeft bloemen nodig.
5. De oma koopt vruchten.
6. De schilder tekent een molen.
7. Ik rijd op een paard.
8. De vrouw leest de krant.
9. De leraar helpt de kinderen.
10. Het meisje plant een bloem. -
1. Het meisje koopt een jurk.
2. De jongen heeft een auto.
3. Sandra neemt de boterham.
4. De vrouw geeft de bloemen.
5. Het meisje proeft de oplossing.
6. De buurvrouw verliest de tas.
7. De leraar doet een belofte.
8. De studenten leren Nederlands.
9. Het kind zegt de naam.
10. De mensen begrijpen het concept. -
1. De vrouw gelooft de uitleg.
2. Het meisje krijgt het speelgoed.
3. De jongens nemen het pas.
4. De vader kookt een maaltijd.
5. De opa vertelt een verhaal.
6. De zonen missen de trein.
7. De mensen beginnen de reis.
8. De buren verkopen het huis.
9. Het kind speelt het spel.
10. De oma maakt de thee. -
1. De politie rijdt naar school.
2. De student maakt huiswerk.
3. De vrouw zorgt voor de baby.
4. De moeder kookt het avondeten.
5. De leraren geven wiskundeles.
6. De kinderen spelen in de tuin.
7. De buurman kijkt naar de bloemen.
8. De mannen verhuizen naar een nieuw huis.
9. De dokter geeft medicijnen aan het kind.
10. De klant koopt melk. -
1.Het kind speelt in het park.
2.Het meisje verkoopt speelgoed.
3.De man loopt in de straat.
4.De vrouw koopt haar auto.
5.Joris leert Nederlands.
6.Sandra heeft een hond.
7.De man stuurt een kaartje.
8.De vrouw zoekt informatie.
9.De passagier wacht op de trein.
10.De docent eist aandacht.
11.Het kind poetst de woonkamer.
12.De kok kookt de…Read More -
1.De man koopt het boek.
2.De vrouw opent de deur.
3.De jongen draagt de tas.
4.Het meisje leest de brief.
5.De docent schrijft de zin.
6.De student gebruikt de computer.
7.De arts onderzoekt de patiënt.
8.De bakker verkoopt het brood.
9.De boer bestuurt de tractor.
10.Het kind gooit de bal.
11.De bediende brengt het menu.
12.De bestuurder start…Read More -
1. De leraar leest een boek.
2. De jongen speelt met een voetbal.
3. Het meisje draagt de kleren.
4. De kinderen gaan naar school.
5. Een man werkt bij de winkel.
6. De vrouw gaat naar de kerk.
7. De baas werkt bij het hoofdkwartier.
8. De pianist speelt piano.
9. De patiënt belt de kliniek.
10. De koning heeft geld.
11. De manager heeft het…Read More -
1. De timmerman heeft een greedschap.
2. De dokter loopt een marathon.
3. De moeder rijdt in een auto.
4. Het meisje speelt met speelgoed.
5. De vader bakt taarten.
6. De leraar geeft huiswerk.
7, De ingenieur bouwt de huizen.
8. De politie geeft een signaal.
9. De kinderen schilderen een schilderij.
10. De buurman koopt een paraplu.
11. De…Read More -
1. De man bouwt een huis.
2. Een vrouw koopt een fiets.
3. De jongen leest een boek.
4. Het meisje draagt een tas.
5. De leraar schrijft een brief.
6. Een student opent de deur.
7. De dokter gebruikt een pen.
8. Een kind tekent een bloem.
9. De moeder maakt het eten.
10. De vader repareert de auto.
11. Een medewerker helpt de klant.
12. De buurman…Read More -
1. De vrouw leest een boek.
2. De jongen koopt een fiets.
3. De dokter opent een deur.
4. De moeder bakt een taart.
5. De kok maakt een maaltijd.
6. De buurman schildert een muur.
7. De politieagent controleert een auto.
8. De klant betaalt een rekening.
9. De kinderen spelen een spelletje.
10. De tuinman plant een boom. -
1. De ingenieur meet de kamer.
2. Het slachtoffer gaat naar het politiebureau.
3. De privédetectives onderzoeken een winkel.
4. Het parlement werkt op het Binnenhof.
5. Amerikanen houden van Nederlands bier.
6. Het protest loopt naar het plein.
7. De buren zien de ontvoering.
8. De schilder schildert het portret.
9. Het meisje zwemt in het…Read More -
1.De vrouw koopt kleding.
2. De jongen speelt een bordspel.
3. De katten rennen naar de muis.
4. Wij bouwen een huis.
5. Onze buurman luistert naar muziek.
6. Mijn broer rijdt auto.
7. Hun ouders fietsen op twee rode fietsen.
8. Ik was het vloerkleed.
9. Zijn opa vertelt een verhaal.
10. Hij leest een krant.
11. Het meisje schrijft een recept. -
1. De politieagent helpt de mensen.
2. De jongen laat de hond uit.
3. De dokter helpt de patiënt
4. De chef-kok bereidt de lunch.
5. De chauffeur bestuurt de bus
6. De boer voert de dieren.
7. De kat slaapt op de bank.
8. De moeder wast de afwas.
9. De student beantwoordt de vraag.
10. De ober brengt de menukaart. -
1. De kleuter pakt een bal.
2. Een voorbijganger ziet rook.
3. Collega’s luisteren naar de radio.
4. De timmerman maakt een tafel.
5. De schrijver schrijft een roman.
6. De boer plant wortels.
7. De ontwerper kiest het patroon.
8. De speler gooit de dobbelstenen.
9. De dochter geeft een cadeau.
10. De verkoopster houdt het wisselgeld.
11. Een j…Read More -
1. De kappers knippen het haar.
2. Een zanger zingt een lied.
3. De bakkers bakken het brood.
4. Een schilder schildert de muur.
5. Fotografen maken foto’s.
6. Een journalist schrijft een artikel.
7. De koks snijden groenten.
8. Een kassier scant de producten.
9. De timmermannen bouwen een tafel.
10. Een muzikant speelt gitaar.
11. De v…Read More -
1. Het meisje rijdt op een motor.
2. De politieagent bestuurt een wagen.
3. De oma naait een hemd.
4. Het kleinkind viert de verjaardag.
5. De studenten sturen brieven.
6. De kinderen lezen de krant.
7. De baas wijzigt het werk.
8. De medewerker stuurt het rapport.
9. De directeur zingt de liedjes.
10. De politici nemen het geld. -
1. De vrouw werkt in een ziekenhuis.
2. Het meisje rijdt op een scooter.
3. De dokter behandelt een patiënt.
4. De leraar schrijft de aantekeningen.
5. De student maakt de opdracht af.
6. De architect maakt het ontwerp.
7. De ouders houden van hun kinderen.
8. De oma woont in een dorp.
9. De koning regeert het land.
10. De postbode bezorgt de post. -
1. De opa koopt een huis.
2. De vrouw heeft een schaap.
3. De jongens hebben de boeken.
4. Het meisje doet de was.
5. De leraar leest het tijdschrift.
6. De jongen zingt een lied.
7. De grootmoeder heeft een huisdier.
8. De politieagent leest de krant.
9. De tandarts geneest de tanden.
10. De jongen koopt een appel. -
1. De brandweerman blust de brand.
2. De onderzoeker bestudeert de geschiedenis.
3. De gemeente bouwt een brug.
4. De regering stuurt een brief.
5. De ouders verbreken het contact.
6. De gemeente helpt de inwoners.
7. Het slachtoffer vergeet haar verleden.
8. De klanten genieten van hun taartjes.
9. Het bedrijf ontwikkelt een…Read More -
1. De kat eet een kaas.
2. De hond gaat naar huis.
3. Het kind leert uit een boek.
4. Het meisje schrijft een brief.
5. Mark en Susan luisteren naar muziek.
6. Dan drinkt thee.
7. De doktor kijkt naar tv.
8. De toiletmedewerker gaat naar het toilet.’
9. De politieagent doet boodschappen.
10. De werker fietst op de fiets. -
1 De bakker bakt veel broden
2 De schilder verft een afbeelding
3 De piloot vliegt een Airbus
4 De boer oogst het mais
5 De politieagent zoekt de fietsendief
6 De verpleegkundige verzorgt voor de zwakke mensen
7 De programmeur codeert het logica achter raketlanceringen
8 De atleet rent het marathon
9 De klant betaalt de boodschappen
10 De tuinier…Read More -
1.De bakker verkoopt de taart.
2.De leraar uitlegt de grammatica.
3.De vogel bouwt een nest.
4.De postbode bezorgt een pakket.
5.De dieven stelen het geld.
6.De dokter genezen de patiënten.
7.Het kind verliest haar speelgoed.
8.De toeristen genieten van hun vakantie.
9.Het team ontwerpt een computerprogramma.
10.De reiziger…Read More
-
1. De dokter bezoekt een patient.
2. De loodgieter repareert de buis.
3. De danser draagt een rok.
4. De zanger schrijft een lied.
5. De ouders kopen snoepjes.
6. De vrouw rijdt op de fiets.
7. Het kind spelt met de adelaar
8. De man draagt een trouwring.
9. De leraar gebruikt het bord.
10. De fotograaf maakt een foto. -
1. De man heeft een televisie.
2. Anna leest een taal.
3. De honden hebben een huis.
4. Jan is een man.
5. De kinderen willen een soep.
6. Marijn en Anna vroegen een vraag.
7. Nico vindt een bloem.
8. Otto wist een pen.
9. Bernard zit een paard.
10. Cornelis en Dirk klimmen een berg.
11. Eduard beweegt een tafel.
12. De vrouw kiest een tas.
13.…Read More -
1. De vrouw kookt een gerecht.
2. De meisjes spelen met het speelgoed.
3. De mannen hebben een zaak.
4. De leraar is een Nederlander.
5. Het kind heeft geen idee.
6. De buurman heeft een hond.
7. De jongens lopen naar het centrum.
8. De man heeft het paard.
9. De moeder heeft meisjes.
10. De collega heeft een vraag. -
1. De jongen schrijft een notitieboek.
2. De oma zoekt de creme.
3.De vader gaat naar de winkel
4.Het meisje leest de krant.
5.De opa geeft de bloemen.
6.De man kijkt een film
7.De kinderen spelen met speelgoed.
8.De leraar praat met de studenten.
9.De politie controleert het verkeer.
10. De vrouw rijdt een auto -
1. Het meisje verkoopt aardbeien.
2. De mannen lezen de boeken.
3. De boer hardloopt in een veld.
4. De jongens betalen voor het eten.
5. De buurman krijgt een varken.
6. De vrouw schoonmaakt een tafel.
7. De zus heeft een krant.
8. De vader praat de taal.
9. De dochter is een student.
10. De medewerker werkt bij Lidl.
11. De man geboort in…Read More
- Load More Posts

1. Het kind schrijft een boek
2. Alice kookt de maaltijd
3. Mama kijkt de kinderen
4. Ik heb een dochter.
5. Jullie rijden de auto
6. Lina koopt schoenen
7. Reinier verkoopt de ring
8. Daniel gebruikt de laptop
9. Jullie doen boodschappen
10. ik ga naar de kerk
11. Marco draagt een polo.
12. Evelyn zwemt in het zwembad.
13. Ik eet buikspek.
14.…Read More