Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 3 days, 5 hours ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Boek. Pagina 76👍
    Opdracht 5
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    117 Comments
    • 1. De docent schrijft dit boek.
      2. De man eet deze eten.
      3. Het meisje neemt deze schoenen.
      4. De kat slaapt op dat bed
      5. Het kinderen spelen met deze ballen.
      6. De boer koopt dit gebouw.
      7.De medewerker werkt op dat kantoor.
      8. De mannen drinken op die bar.
      9. De advocaat praten met deze man.
      10. De secretaress rijdt die trein.
      11. Het schaap…Read More

    • 1. De manager leidt deze werkgroep.
      2. De familie spelen dat bordspel.
      3. De verkoper weegt deze groente.
      4. De ingenieur bouwt die huizen.
      5. Het meisje drinkt dit sap.
      6. De student begrijpt deze les.
      7. De jongens hebben die boeken.
      8. De vrouw heeft deze tas.
      9. De man spaart dat geld.
      10. De buurman heeft die schoenen.
      11. De baas heeft deze…Read More

    • 1. De kinderen hebben die tassen. 
      2. De meisjes zien dat huis. 
      3. De man krijgt deze tafel.
      4. De vrouw vergeet deze sleutels.
      5. Een kind eet die aardbeien.
      6. Het kind ziet die bloemen.
      7. Een vrouw verliest deze jas. 
      8. De jongens kopen die soda’s.
      9. De man koopt deze telefoon.
      10. De mannen bouwen die muur.
      11. Het kind bouwt deze auto…Read More

    • 1. De kinderen hebben die boeken.
      2. De huisarts kent dat medicijn.
      3. Het meisje eet deze taart.
      4. De politie brengt die kat.
      5. De buurman neemt deze krant.
      6. Het kind bakt dit brood.
      7. Een dief steelt dat geld.
      8. De medewerker zet dat etiket.
      9. De collega drinkt dit bier.
      10. Een postbode geeft deze post.
      11. Een zakenman koopt die…Read More

    • 1. De studenten studeren af aan deze universiteit
      2. De vrouwen immigreren naar dat dorp
      3. De passagiers stappen uit dit vliegtuig
      4. De kinderen gebruiken deze schaar
      5. De voetgangers lopen op dat voetpad
      6. De tiener grijpt die tompoucen
      7. De stagiair heeft deze vaardigheid nodig
      8. De medewerkers gaan naar die vergadering
      9. De jongen…Read More

    • 1. de huurders lezen deze brief.
      2. de kinderen nemen deze bus.
      3. de vrouw koopt die auto.
      4. de student gebruikt dit boek.
      5. de vrouw maakt die thee.
      6. de man schoonmaakt dit huis.
      7. de verkoper openen die winkel.
      8. de ouders koken dit eten.
      9. het kind loopt met die hond.
      10. de vrouw annuleert deze afspraak.
      11. de man zoekt deze…Read More

    • 1. De klanten kopen die producten.
      2. De man opent dat raam.
      3. De leraar schrijft dit woord.
      4. De vrouw drinkt die koffie.
      5. De studenten maken die opdracht.
      6. De jongen leest deze krant.
      7. De moeder kookt dat eten.
      8. De dokters controleren die patiënten.
      9. De vrienden spelen dit spel.
      10. De artiest tekent dat schilderij.
      11. De…Read More

    • 1. De huurders lezen deze brief.
      2. De kinderen nemen deze bus.
      3. De vrouw koopt die auto.
      4. De student gebruikt dit boek.
      5. De vrouw maakt die thee.
      6. De man schoonmaakt dit huis.
      7. De verkoper openen die winkel.
      8. De ouders koken dit eten.
      9. Het kind loopt met die hond.
      10. De vrouw annuleert deze afspraak.
      11. De man zoekt deze…Read More

    • 1. De man leest dit boek.
      2. Het meisje tekent dit huis.
      3. De leraar schrijft op dat bord.
      4. De student leest deze krant.
      5. Het kind eet dit brood.
      6. De vrouw koopt die stoel.
      7. Het meisje drinkt uit dit glas.
      8. Het kind vindt dit boek.
      9. De vrouw opent die deur.
      10. De jongen vindt dit geld.
      11. De moeder wast dit kind.
      12. De vrouw helpt dit kind.

    • 1. De student gaat naar deze school
      2. De bezoekers kijken naar deze kunst
      3. De bewaker beschermt dit gebouw
      4. De politie arresteert die man
      5. De docent scoort die papieren
      6. De dokter zorgt voor deze patiënten
      7. De ingenieurs berekenen deze meting
      8. De kerk is open op deze dag
      9. Het team speelt in deze wedstrijd
      10. De mensen kappen die…Read More

    • 1. Het meisje bakt deze taart.
      2. De jongen speelt met deze pop.
      3. De oma loopt met deze schoenen.
      4. De vader vindt die bol.
      5. De vriendin draagt deze jurk.
      6. De moeder hoort die vogel.
      7. De buurman leent die stoelen.
      8. De politie arresteert die kinderen.
      9. De docent leert die studenten.
      10. De ouders kennen die school.
      11. De collega’s l…Read More

    • 1. De bazen regelen deze conferentie
      2. Het meisje zingt dat lied
      3. Het kind drinkt dit water
      4. De werknemers werken op dat kantoor
      5. De ouders kopen dit huis
      6. De kleinkinderen drinken dat sap
      7. De kunstenaar bezoekt dit museum
      8. De jongen vindt dat potlood
      9. De leraren schrijven deze boeken
      10. De muzikant hoort die concerten
      11. De…Read More

    • 1. Een koper leest dit boek.
      2. Oma verkoopt dat huis.
      3. De bouwer verft deze tafel.
      4. Een meisje draagt die stoel.
      5. De chef verscherpt dit mes.
      6. Een hooligan breekt dat glas.
      7. De zoon belt deze telefoon.
      8. De broer gebruikt die computer.
      9. Een reparateur windt dit horloge.
      10. De expert herkent dat schilderij.
      11. Een chauffeur raakt…Read More

    • 1. De kinderen selecteren dit speelgoed.
      2. De politie stopt die auto’s.
      3. Het meisje duwt deze deur.
      4. De grootvader huurt deze aanhangwagen.
      5. De leraar spelt dit woord.
      6. De student typt deze tekst.
      7. De man weigert dit aanbod.
      8. De dokter waarschuwt die patiënt.
      9. De manager bespreekt deze onderwerpen.
      10. Het kind stuurt dit pa…Read More

    • 1. Het meisje kijkt die film.
      2. De jongen rijdt dit paard.
      3. De buurman heeft die auto’s.
      4. De kinderen spelen met deze spelletjes.
      5. De hond bijt dat bot.
      6. De familie kiest deze vakantie.
      7. Het kind vangt die bal.
      8. De jongen sluit deze deur.
      9. De dokter gebruikt deze medicijnen.
      10. De moeder kookt deze taarten.
      11. De student leest d…Read More

    • 1. De man koopt deze appel.
      2. Het meisje zoekt dit paard.
      3. De oom bouwt dat huis.
      4. De buurman leest die boeken.
      5. De vrouw drinkt deze koffie.
      6. De tante wil dit water.
      7. De ouders hebben deze tuin.
      8. De collega heeft die baas.
      9. Isaak en Anna kiezen dit huis.
      10. Het kind kijkt deze film.
      11. De zoon koopt die fiets.
      12. De bakker maakt…Read More

    • 1. De kinderen hebben dit speelgoed.
      2. De docent geeft deze les.
      3. De oma maakt deze eten.
      4. De collega’s drinken deze bieren.
      5. De studenten lezen die boeken.
      6. De man heeft deze afspraak.
      7. Het meisje heeft deze tassen.
      8. De broer betaalt die rekening.
      9. De buurman bestelt dit pak.
      10. De jongens hebben deze fietsen.
      11. De vriend drinkt…Read More

    • 1. De vrouwen krijgen deze bloemen.
      2. De arts geeft dit geneesmiddel.
      3. Het kind gooit deze bal.
      4. De jongen koopt deze spijkerbroek.
      5. Het kind knuffelt dit speelgoed.
      6. Het meisje klimt op deze boom.
      7. De buurvrouwen gieten deze bloemen.
      8. De brandweerman blust dit vuur.
      9. De lerares geeft dit boek.
      10. De medewerkers eten deze…Read More

    • 1. De timmerman bouwt deze tafel.
      2. De jongen opent deze flessen.
      3. De mens leest die krant.
      4. De man zit op deze stoel.
      5. De vrouw koopt deze boodschappen.
      6. Het meisje ziet die steen.
      7. De leraar heeft deze auto.
      8. De huisarts woont in dat huis.
      9. De moeder kookt deze maaltijd.
      10. De oma breit deze trui.
      11. De man gaat naar dat…Read More

    • 1. De automobilist volgt dat weg.
      2. De vrouw bouwt die tuin.
      3. De kinderen gaan naar die kindertuin.
      4. De beeldhouwer maakt dat beeld.
      5. De boer koopt deze koe.
      6. De lerares zoekt naar dat kind.
      7. De voorraadhouder vult die plank.
      8. De trainer kiest deze manier.
      9. Het personeel kiest dit horloge.
      10. De slager koopt dit mes.
      11. De oma…Read More

    • 1. De broers hebben deze beker.
      2. Het kind heeft dat potlood.
      3. De zus ziet deze hond.
      4. Het meisje koopt deze schoenen.
      5. De man draagt ​​dit shirt.
      6. De vrouw draagt ​​deze rok.
      7. De vriend kookt dit vlees.
      8. De baas koopt die krant.
      9. De dokter schrijft de patiënt.
      10. De leraar schrijft deze brief.
      11. De student leest deze brief.
      1…Read More

    • 1. De studenten willen die boeken.
      2. Het meisje zoekt dat woord.
      3. De zoon koopt deze auto.
      4. De zus verhuist naar dit huis.
      5. De familie heeft deze kinderen.
      6. De ouders lezen die brief.
      7. De vader schrijft dat boek.
      8. De moeder knipt dit papier.
      9. De broer sluit dit raam.
      10. De jongen eet dat brood.
      11. De mensen kijken naar die…Read More

    • 1. De mannen spelen voetbal in dat park.
      2. De kinderen rennen naar die school.
      3. De werknemer werkt bij dat bedrijf.
      4. De docent geeft les aan deze studenten.
      5. De moeder slaapt op dit bed.
      6. De manager reist naar dat kantoor.
      7. De verkoper verkopt deze sokken.
      8. De koper koopt deze bloemen.
      9. De jongens gaan naar dat museum.
      10. Het…Read More

    • 1. De studenten hebben dit boek.
      2. Het kind speelt met deze pop.
      3. De kok snijdt die tomaten.
      4. De klanten kopen dit product.
      5. De vader leest dit verhaal.
      6. De muzikanten spelen die concerten.
      7. De brandweerman ziet deze brand.
      8. Het meisje rijdt die bus.
      9. De buren hebben deze tuin.
      10. De baas schrijft deze regels.
      11. De dokter kent…Read More

    • 1. De politie rijdt in deze auto’s.
      2. De danser danst in dit theater.
      3. Het meisje speelt in dit park.
      4. De bouwer bouwt dat huis.
      5. Marie en ik kopen deze aardbeien..
      6. De man schrijft op deze krant.
      7. De vrouw heeft die tuin.
      8. Het kind drinkt deze melk.
      9. De werkgever kent deze werknemer.
      10. De bakker maakt deze wafel.
      11. De mensen g…Read More

    • 1. De ober brengt deze bestelling.
      2. De vrouw koopt die appels.
      3. De moeder vergeet die pil.
      4. De leraar heeft die klas.
      5. De postbode draagt die schoenen.
      6. Die man verkoopt dit boek.
      7. De studenten leren die zinnen.
      8. De buurman verwijdert dat afval
      9. De bakker bakt die broden.
      10. De boer zorgt voor die planten.
      11. De koning heeft dit…Read More

    • 1. De man ziet die auto
      2. De vrouw werkt op deze school
      3. De jongen schrijft dit boek
      4. Het meisje woont in dit dorp
      5. De jongen eet die appel
      6. De leraar spreekt deze taal
      7. De leerling leert die taal
      8. Een dokter koopt de medicijnen
      9. Een student maakt dit huiswerk
      10. De buurman wacht op deze kaarten
      11. Een kok snijdt deze tomaten
      12.…Read More

    • 1. De kinderen spelen met dat speelgoed
      2. De jonges fietsen in die straat
      3. Het meisje eet deze bananen
      4. De vrouw heeft deze pennen
      5. De man heeft deze boeken
      6. De baas schreeuwt tegen die werknemer
      7. De manager praat met deze werknemer
      8. Het meisje krijgt deze baan
      9. De klant neemt dat product
      10. De man koopt die dadels

    • 1. De huizen hebben deze fietsen.
      2. De kinderen hebben deze voetbal.
      3. De mensen hebben die tatoeages.
      4. De zussen hebben die ringen.
      5. De docent heeft dat boek.
      6. De dokters hebben die truien.
      7. De visser heeft die vis.
      8. De elektricien heeft deze hulpmiddelen.
      9. De slagers hebben dat vlees.
      10. De timmerman heeft die…Read More

    • 1. De man leest dit boek.
      2. Het meisje opent die doos.
      3. De collega’s typen dat verslag.
      4. De mensen kopen dit huis.
      5. De kinderen maken die puzzel.
      6. De man wast deze auto.
      7. De leraar leest dit artikel.
      8. De buurman repareert deze fiets.
      9. De monteur maakt dit apparaat.
      10. De klant betaalt dit product.
      11. De kok kookt dat eten.
      12. D…Read More

    • 1-De postbode neemt die brief
      2-Een dokter geeft medicijnen deze patiënt
      3-De passagiers wachten op die trein
      4-De buurman geeft deze bloem water
      5-De studenten kopen die schriften
      6-De vrouw leest dit boek
      7-Deze vrouw ziet die jongen
      8-De jongen opent dit raam
      9-De man leest deze krant
      10-De docent opent deze deur
      11-De jongen breekt dat…Read More

    • 1. De serveerster serveerde deze wijn
      2. De ruiter voedt dat paard
      3. De kok kookt dat eten
      4. De vrijwilligers staan ​​op dat pad
      5. De studenten liggen op die matten
      6. De leraar onthoudt die les
      7. De wandelaars klimmen die bergen
      8. De dief breken dat ramen
      9. De overheidsfunctionaris verstuurt deze brieven
      10. De jongens vinden voor deze bro…Read More

    • 1. De collega rijdt die auto.
      2. De werknemer krijgt dat geld.
      3. De oma bakt deze koekjes.
      4. De zoon bezoekt die tuin.
      5. De kinderen kijken deze film.
      6. Het meisje eet dat voedsel.
      7. De buurman heeft die sleutel.
      8. De leidinggevende vergeet deze vergadering.
      9. De vriend draagt die kleding.
      10. De jongen speelt met dat speelgoed.
      11. De opa…Read More

    • 1. De studenten doen deze opdracht.
      2. De vrouw gebruikt dit boek.
      3. De man drinkt deze soep.
      4. De klant koopt deze bloemen.
      5. De vader rijdt in deze auto.
      6. De moeder bakt deze koekjes.
      7. De vrouw leest deze brief.
      8. Het kind schrijtf deze brief.
      9. De leraar kent dat kind.
      10. De kinderen hebben die pennen.
      11. De man doet dit werk.
      12. De…Read More

    • 1. Het meisje heeft die auto.
      2. De leraar leest dit boek.
      3. De man wil die broodjes.
      4. De oma kookt die aardappelen.
      5. De vrouw koopt die tas.
      6. Het kind ziet die vogels.
      7. De dokter geeft dit medicijn.
      8. De moeder bakt deze koekjes.
      9. De student zoekt dat boek.
      10. De chef snijdt deze groenten.
      11. De vader bouwt die tafel.
      12. De buurman…Read More

    • 1. De man bouwt dit huis.
      2. De vrouw belt dat meisje.
      3. De studenten maken dit huiswerk.
      4. De buurman wandelt met deze hond.
      5. De buurvrouw hoort deze vogels.
      6. De leraar leest dat boek.
      7. De kinderen spelen met deze bal.
      8. Het kind gaat naar die school.
      9. Het meisje draagt deze jurk.
      10. De student gaat naar deze school.
      11. De…Read More

    • 1. De kinderen hebben dat boek.
      2. Het meisje luistert naar dit liedje.
      3. De honden eten die botten op.
      4. De buurman speelt dat spel.
      5. Een jongen rijdt op die fiets.
      6. De mannen hebben die pennen.
      7. Ze is op zoek naar die bus.
      8. De kinderen leren deze taal.
      9. De ouders praten over die film.
      10. De jongens kijken naar deze tekenfilm.
      11. De…Read More

    • 1 – Het kind heeft dit speelgoed.
      2 – De politie vangt deze criminelen.
      3 – De opa’s zien die paarden.
      4 – De mensen spelen deze videogame altijd.
      5 – Ze zingt dit liedje soms.
      6 – De kinderen schrijven met deze pennen.
      7 – De wetenschappers geven deze theorie.
      8 – De vrouw slaapt op dat bed.
      9 – De poezen eten deze muisjes.
      10 – De dokter doodt d…Read More

    • 1. De jongens spelen dat spel.
      2. De dames doen deze make-up.
      3. De man eet dat eten.
      4. De buren houden die tuin in de gaten.
      5. De dokters genezen deze patiënt.
      6. De ouders lachen om deze film.
      7. De kinderen hebben dit huiswerk.
      8. Het kind heeft die vrienden.
      9. Het meisje zingt dit liedje.
      10. De jongen rent voor die trofee.
      11. De oma wast…Read More

    • 1. De man heeft deze auto.
      2. De dochter gaat naar die school.
      3. De moeder koopt die bloemen.
      4. De zussen hebben die schoenen.
      5. De broers eten die chocolade.
      6. De zus heeft die stickers.
      7. Het kind leest dit boek.
      8. De kinderen horen dat liedje.
      9. De tuinman plant die bloemen.
      10. Het meisje eet dat fruit.
      11. De buurman kookt dit…Read More

    • 1. De kinderen krijgen deze cadeaus.
      2. De man heeft deze auto.
      3. De vrouw neemt dit bonnetje.
      4. Het meisje leest dit boek.
      5. De jongen speelt deze game.
      6. Het kind eet deze appel.
      7. De docent luistert naar die student.
      8. Het personeel spreekt deze talen.
      9. De huisarts ziet deze klant.
      10. De collega’s lopen naar dat station.
      11. De m…Read More

    • 1. Het meisje leert die taal.
      2. Het kind koopt deze suiker.
      3. Het huis heeft deze ramen.
      4. De vrouwen horen die stemmen.
      5. De jongens spelen met deze ballen.
      6. De docent leest deze artikelen.
      7. De huisarts onderzoekt deze arm.
      8. De zonen gaan naar die school.
      9. De collega’s zien dat meisjes.
      10. De ingenieur repareert deze sloten.
      11. De w…Read More

    • 1. De jongen koopt dat spel.
      2. De vrouw wast die auto.
      3. De student leert deze zinnen.
      4. De leraar leest dit boek.
      5. Het meisje opent dat raam.
      6. Het meisje stuurt dat pakket.
      7. De moeder wast deze kleren.
      8. De vrouw gebruikt die pen.
      9. De jongen schrijft deze brief.
      10. De vader leest dat tijdschrift.
      11. De jongen speelt deze sport.
      12.…Read More

    • 1. De jongen leest dit boek.
      2. Het meisje eet die appel.
      3. De vader draagt deze jas.
      4. De kinderen tekenen op dat papier.
      5. De moeder koopt deze bloemen.
      6. De docent opent die deur.
      7. De hond speelt met dit bot.
      8. De vrouw schrijft in dat schrift.
      9. De opa zit op deze stoel.
      10. De studenten leren in dat lokaal.
      11. De buurvrouw wast die…Read More

    • 1. De vrouw voert dit konijn.
      2. Het kind drinkt dat appelsap.
      3. De man ziet die kikker.
      4. De mannen hebben dit huisdier.
      5. Het meisje gebruikt dat mes.
      6. De kinderen zitten op deze stoelen.
      7. Het kind schrijft deze brief op die tafel.
      8. De oma bezoekt die winkels.
      9. De jongen drinkt deze thee.
      10. De vader neemt die boeken.
      11. De buurman…Read More

    • 1. De buren bezitten dat huis.
      2. De boer maakt deze kaas.
      3. De onderzoeker werkt aan deze onderzoekspaper.
      4. De leeuwen eten dat vlees.
      5. De koe slikt deze pil.
      6. De leraar gebruikt die pen.
      7. De vrouw draagt die jurk.
      8. De man draagt dat pak.
      9. Mijn vriend vertelt dat verhaal.
      10. Het konijn eet dit gras.
      11. De jongen gaat naar deze…Read More

    • 1- De jongens hebben deze ballen.

      2- De meisjes dragen die jurken.

      3- De mannen kopen deze auto’s.

      4- De vrouwen lezen die boeken.

      5- De leraren gebruiken deze pennen.

      6- De studenten maken die toetsen.

      7- De ouders zien deze huizen.

      8- De kinderen eten die appels.

      9- De buren horen deze muziek.

      10- De vrienden spelen die spellen.

      11- D…Read More

    • 1. De mensen hebben die boeken.

      2. De mannen hebben deze tassen.

      3. De vrouwen hebben dat speelgoed.

      4. De meisjes hebben deze stoelen.

      5. De vrienden hebben die kaarten.

      6. De leraren hebben deze boeken.

      7. De studenten hebben die pennen.

      8. De ouders hebben die fietsen.

      9. De mannen hebben deze ballen.

      10. De vrouwen hebben die…Read More

    • 1. De kinderen openen die pakketjes.
      2. De man rijdt in die auto.
      3. De vrouw neemt die rugzak.
      4. Het meisje leest die krant.
      5. De jongen speelt dat instrument.
      6. Het kind eet dat koekje.
      7. De docent luistert naar die presentatie.
      8. Het personeel spreekt die dialecten.
      9. De huisarts ziet die afspraak.
      10. De collega’s lopen naar die b…Read More

    • 1. De kinderen hebben deze fietsen.
      2. De man koopt die auto.
      3. De vrouw leest dat boek.
      4. De jongens maken dit huis.
      5. De meisjes dragen die jurken.
      6. De studenten gebruiken deze laptops.
      7. De leraren schrijven dat woord.
      8. De ouders koken dit eten.
      9. De vrienden zien die film.
      10. De buren horen dat geluid.
      11. De mensen eten deze…Read More

    • 1. De man heeft deze sleutels.
      2. De kinderen kijken die film.
      3. De vrouw rijdt deze auto.
      4. De Studenten volgen die regels.
      5. De ober brengt dit bord.
      6. Het meisje eet dat brood.
      7. De dokter belt die patiënt.
      8. De werknemer helpt deze klanten.
      9. De vrouw koopt deze tas.
      10. Het meisje draagt deze jas.
      11. De opa zoekt die bril.
      12. De…Read More

    • 1. De man helpt deze vrouw.
      2. De leraar onderwijst die student.
      3. De kinderen bezoeken deze dokter.
      4. De vrouw belt die collega.
      5. De jongen gebruikt deze computer.
      6. De meisjes openen dat boek.
      7. De technicus repareert deze machine.
      8. De studenten bekijken dat schilderij.
      9. De boer voedt deze koe.
      10. De kinderen aaien dat konijn.
      11. De…Read More

    • 1. De vrouw koopt die auto.
      2. De studenten lezen deze boeken.
      3. De leraar gebruikt dit bord.
      4. De kinderen eten die appel.
      5. De meisjes dragen die jassen.
      6. De buurman heeft deze stoel.
      7. De ouders kopen dit huis.
      8. De vrienden drinken die koffie.
      9. De toerist ziet deze vogel.
      10. De collega’s gebruiken die computer.
      11. De arts schrijft d…Read More

    • 1. Het meisje kookt dit eten
      2. De kinderen drinken die melk
      3. De jongens hebben deze fietsen.
      4. De mannen organiseren dit feest.
      5. De vrouw bezoekt dit land
      6. De moeder leest dat boek.
      7. De zus vindt deze plek.
      8. De meisjes installeren deze computer.
      9. De man wast die auto.
      10. De buurman rijdt op deze fiets.
      11. De broer draagt die…Read More

    • 1. De man heeft deze auto.
      2. De vrouw zoekt dat boek.
      3. De jongen sluit deze duur.
      4. Het paar poetsen dat huis.
      5. Het meisje vind die hond.
      6. De kinderen kijken dat paard.
      7. De oma luistert deze vogel.
      8. De buurman neemt die kat.
      9. De student begin met deze leraar.
      10. De vader mist die vriend.
      11. De collega’s graagen die manager.
      12. D…Read More

    • 1. De mannen wassen die auto.
      2. De moeders koken dit eten.
      3. De jongens eten deze appels.
      4. De mannen bouwen dit huis.
      5. De vrouw leest die krant.
      6. De vrouwen dragen deze jassen.
      7. De vrienden zien die film.
      8. De buren hebben die honden.
      9. De dokters kopen die jassen.
      10. De kinderen hebben dit speelgoed.
      11. De auteurs schrijven dat…Read More

    • 1. De dokter onderzoekt dit kind.
      2. De schilder tekent die boom.
      3. De jongen opent deze deur.
      4. Het kind draagt dat tasje.
      5. De docent schrijft dit rooster.
      6. De bakker snijdt die taart.
      7. De man bouwt deze tafel.
      8. Het meisje leest dat tijdschrift.
      9. De kinderen versieren dit lokaal.
      10. De student gebruikt die pen.
      11. De moeder wast…Read More

    • 1. De bezoekers beschadigen deze schilderijen.
      2. De baby draait dit speelgoed.
      3. De tiener gooit die steen.
      4. De volwassene bepaalt deze agenda.
      5. De oom schrikt deze kinderen.
      6. De verpleegkundige bereidt die medicijnen.
      7. De ondernemer eist dit geld.
      8. De vrijwilliger helpt die bejaarden.
      9. De deelnemers bespreken dit probleem.
      10. De…Read More

    • 1- De archeoloog ontdekt die tombe.
      2- Het kind schildert deze vlinder.
      3- De programmeur test dat systeem.
      4- De muzikant componeert die melodie.
      5- De kapper knipt dit haar.
      6- De bakker levert die taarten.
      7- De piloot bestuurt dit vliegtuig.
      8- De dichter beschrijft dat landschap.
      9- De tuinman snoeit deze rozenstruik.
      10- De trainer motiveert…Read More

    • 1. De vrouw koopt die jas.
      2. De vader gaat naar deze winkel.
      3. De studenten lezen deze boeken.
      4. De man heeft deze tafel.
      5. De ouders verkopen die auto’s.
      6. De buurman drinkt deze koffie.
      7. De jongen ziet die vogel.
      8. De collega’s gebruiken die computer.
      9. De arts schrijft deze brief.
      10. De klanten bestellen die menu’s.
      11. Het kind belt…Read More

    • 1.De kinderen gaan naar deze school
      2. De vrouw heeft dat geld
      3. Het meisje heeft deze tas
      4.De dokter ziet die patienten
      5. De docent leert die student
      6.De oma maakt deze armbanden
      7.De tante kookt deze taart
      8. De man rijdt op dit paard
      9. De jongen zingt dat liedje
      10. De vader neemt deze kat
      11. De moeder slaapt op dat bed
      12. De man…Read More

    • 1. Het bedrijf sponsort dit ziekenhuis.
      2. De griffier opent deze rechtszaal.
      3. De arts bevestigt deze afspraak.
      4. De rechter herroept deze rechten.
      5. De advocaat geeft dat advies.
      6. De klant bezoekt dat verzekeringskantoor.
      7. De vrouw verspreidt dat gerucht.
      8. Het meisje koopt die sjaal.
      9. De burgemeester bezoekt deze buurt.
      10. De gokker…Read More

    • 1. Het meisje leest dit boek.
      2. De man gaat naar deze bioscoop.
      3. De kinderen willen die boterhammen.
      4. De vrouw betaalt deze bon.
      5. De soldaat schiet die vogel.
      6. De brandweerman beschermt dat paard.
      7. De studenten leren deze les.
      8. De kapitein ontdekt dit land.
      9. De ouders gaan naar die stad.
      10. De vader spreekt deze taal.
      11. De kok…Read More

    • 1- De kinderen spelen in dat park.
      2- De vrouw kookt deze kip.
      3- De dokter woont in dat huis.
      4- De leraar leest die boeken.
      5- De man gaat naar dit land op vakantie.
      6.Het meisje gaat naar school in deze straat.
      7- De mannen werken op dat kantoor.
      8- De vrouwen dansen met die mannen.
      9- De tuinman plant deze bloemen.
      10- De kunstenaar maakt dit…Read More

    • 1. De dokter schrijft dit recept
      2. De patiënt drinkt dat sap
      3. De bezoeker gebruikt deze wc
      4. De verkoper verkoopt deze meubels
      5. Het meisje tekent die afbeelding
      6. De ouders rijden die auto
      7. De leraar geeft deze les
      8. De werknemer eet dat eten
      9. Het kind drinkt deze melk
      10. Het personeel luistert naar deze radio
      11. De kunstenaar…Read More

    • 1.De manager geeft dit cadeau
      2.Het huis heeft deze kamers
      3.De ober brengt dit voorgerecht
      4.Het meisje knuffelt met die teddybeer
      5.De mensen lachen om deze grap
      6.De mannen ondersteunen die spelers
      7. De chef proeft dat hoofdgerecht
      8.De buurman verwacht op deze fiets
      9. De kinderen pakken deze koffies
      10. De studenten teleurstellen deze…Read More

    • 1. De kinderen hebben deze fietsen.
      2. De kok bereidt dat gerecht.
      3. De leerling opent dit boek.
      4. De chauffeur bestuurt die bus.
      5. Het kind speelt met deze bal.
      6. De buurman sluit dat raam.
      7. De arts onderzoekt dit probleem.
      8. De klant vergelijkt die prijzen.
      9. De assistent organiseert deze vergadering.
      10. De toerist fotografeert dat…Read More

    • 1. De man vindt deze schoenen.
      2. De docent zit op die stoel.
      3. Het meisje toont deze fietsen.
      4. De klant bespreekt dit project.
      5. De vrouw wil die tas.
      6. De buren huren dat huis.
      7. De chef koopt deze groenten.
      8. Het kind loopt naar dat bos.
      9. De ouders zoeken die kat.
      10. De huisarts bekijkt deze jongen.
      11. De baas verzoekt die…Read More

    • 1. De serveerster helpt deze klant.
      2. De wetenschapper vindt dat probleem.
      3. De chef roept die politie.
      4. De ingenieur begint dit project.
      5. De dokter geneest die patiënt.
      6. De tiener graaft naar deze schat.
      7. De voetbalspeler won die wedstrijd.
      8. De oma ligt op dat bed.
      9. Het meisje voedt dit konijn.
      10. De leraar verlaat die kamer.
      11.…Read More

    • 1. Het meisje eet dit eten .
      2. De kinderen spelen in dat park .
      3. De man zit op die tafel .
      4. De vrouw eet met deze lepel .
      5. Het Kind spreekt dit alfabat .
      6. De mannen lopen over die straat .
      7. De leraar geeft deze les.
      8 .De dokter onderzoekt deze patiënt.
      9. De student leest die boeken.
      10. De jongen drinkt dit sap .
      11. De mensen rijden…Read More

    • 1. De buurman verhuist naar dat vrijstaande huis.
      2. De mannen lopen in deze stad.
      3. Het meisje selecteert die jas.
      4. De studenten schrijven met die pennen.
      5. De jongen drinkt dit water.
      6. De leraar werkt op die school.
      7. De vriend bezoekt deze arts.
      8. De ouders bedanken ons voor dit feest.
      9. De vrouw reserveert deze tafel in dat…Read More

    • 1.De studenten luisteren naar deze man.
      2. De man rijdt in deze auto.
      3. De vrouwen lezen die boeken.
      4. Het kind sluit die deur en dat raam.
      5. Het meisje schildert dat schilderij.
      8. De ouders zorgen voor dat kind.
      9. De kinderen kijken naar die film.
      10. De klant krijgt dat product.
      11. Het kind voert deze hond.
      12. De kinderen hebben dat…Read More

    • 1.Het meisje draagt die hoed.
      2. De ouders spelen met deze kinderen.
      3. De jongen gaat naar die school .
      4. De docent gebruikt deze boeken..
      5. De kinderen hebben dit speelgoed.
      6. De meisjes sluiten die deur.
      7. De vrouw kijkt naar die film.
      8. De buurman bouwt die auto.
      9. De medecursist leent deze boeken.
      10. De chauffeur bestuurt deze bus.
      11.…Read More

    • 1. De man koopt dit boek.
      2. De vrouw opent die deur.
      3. Het kind pakt deze pen.
      4. De leraar leest dat rapport.
      5. De ober brengt deze koffie.
      6. De bakker maakt dat brood.
      7. De dokter ziet dit dossier.
      8. De politieagent vindt die tas.
      9. De student leert deze les.
      10. De buurman verft dat hek.
      11. De vriend zoekt dit adres.
      12. De toerist…Read More

    • 1. De kinderen lezen dat boek.
      2. Het meisje brengt dit water.
      3. De buurman bouwt die huis.
      4. De vader werkt in dat gebouw.
      5. De moeder kookt die kip.
      6. De vrouw koopt deze frinkandels.
      7. De jongens drinken dat sap.
      8. De leraar beantwoordt die vragen.
      9. Het kind heeft deze pennen.
      10. De verkooper wil dat kopen.
      11. De kinderen spelen mit…Read More

    • 1. Het kind heeft deze fiets.
      2. Het meisje vindt die kleding.
      3. Het kantoor ligt in dat gebouw.
      4. Het bedrijf heeft die tafels.
      5. De collega koopt deze schoenen.
      6. De kinderen eten deze stamppot.
      7. De vriend maakt deze afspraak.
      8. De man luistert naar deze muziek.
      9. De docent belt die student.
      10. De ondernemer geeft die presentatie.
      11.…Read More

    • 1. De vrouw wil deze auto.
      2. De oma heeft dat gebouw.
      3. De vader rijdt die auto.
      4. Het meisje kookt deze maaltijd.
      5. De kinderen hebben deze fietsen.
      6. De leraar gaat naar die school.
      7. De baas slaapt vaak op deze stoel.
      8. De meisjes willen dat konijn.
      9. De koning maakt deze pizza.
      10. De klant betaalt deze maaltijd.
      11. Het kind speelt in…Read More

    • 1. De politieman koopt deze handboeien.
      2. De vader bouwt die tafel.
      3. Burak vooruitgang met deze opdrachten.
      4. Max rijdt die circuits.
      5. De leraar brengt die papieren.
      6. De collega lacht om deze resultaten.
      7. De burgemeester annuleert dat project.
      8. Philipe drinkt deze theeën.
      9. De man kaapte dat vliegtuig.
      10. Mario ingeslikt die…Read More

    • 1. De vrouw koopt dat fruit.
      2. De les is in die kamer.
      3. De studenten zitten op deze stoelen.
      4. De buren blijven in dit huis.
      5. De man heeft deze hond.
      6. Het meisje heeft die fiets.
      7. Nico en Otto drinken die bieren.
      8. De kinderen spelen met deze bal.
      9. De jongen eet dit eten.
      10. De dierenarts helpt deze dieren.
      11. De baas heeft die…Read More

    • 1- De dierenarts helpt deze dieren.
      2- De baas heeft die zaak.
      3- De man heeft deze hond.
      4- De les is in die kamer.
      5- De studenten zitten op deze stoelen.
      6- De meisjes dragen deze jassen.
      7- De vrouw koopt dat fruit.
      8- Het meisje heeft die fiets.
      9- De buren blijven in dit huis.
      10- Nico en Otto drinken die bieren.
      11- De jongen eet dit…Read More

    • 1-De buurman ziet dat boek
      2-De koning komt uit dit land
      3-De kok kookt die vis
      4-De spion leent dat mes
      5-De kinderen wonen in dat huis
      6-De leraar koopt deze pen
      7-De vrienden praten over de film
      8-De hond houdt van dit kauwspeeltje
      9-De ster heeft deze kleur
      10-De vrouw koopt dat bord
      11- Het kind knipt dat overhemd
      12-De kat moordt die muis

    • 1. De tuinman plant deze boom.
      2. De kok snijdt dat vlees.
      3. De collega schrijft deze e-mail.
      4. De klant betaalt deze rekening.
      5. De cursist leert dat woord.
      6. De vrouw mist die trein.
      7. De schilder tekent dit landschap.
      8. De kinderen vergeten deze bal.
      9. De baas wilt deze tafel.
      10. De studenten leren voor dit examen.
      11. De docent zoekt…Read More

    • 1. De automobilist volgt die weg.
      2. De vrouw bouwt die tuin.
      3. De kinderen gaan naar die speeltuin.
      4. De beeldhouwer maakt dat beeld.
      5. De boer koop deze koe.
      6. De lerares zoekt naar dat kind.
      7. De voorraadhouder vult die plank.
      8. De trainer kiest deze manier.
      9. Het personeel kiest dit horloge.
      10. De slager koopt dit mes.
      11. De oma bidt…Read More

    • 1. Het kind luistert naar deze televisie.
      2. De vrouw leert deze taal.
      3. De baas betaalt deze rekening.
      4. De studenten vragen dit huiswerk.
      5. De buurman eet dit brood.
      6. De opa verft die muur.
      7. De leraar geeft dat boek.
      8. De man wacht in deze klas.
      9. De tuinman maakt die bomen schoon.
      10. De klant zit op dit terras.
      11. De ouders gebruiken…Read More

    • 1. De man werkt op dat kantoor.
      2. De jongen brengt deze tas.
      3. De leraar controleert dit huiswerk.
      4. Het kind begrijpt dat verhaal.
      5. De oma gebruikt deze auto.
      6. De ouders maken die pasta.
      7. De klasgenoot leent die putenslijper.
      8. De buurman vergeet deze sleutels.
      9. De vrienden krijgen deze korting.
      10. De dochter blijft in die stad.
      11.…Read More

    • 1. De moeder sluit deze deur.
      2. De man rijdt die auto.
      3. De buurman koopt dit huis.
      4. Het meisje knipt deze bloemen.
      5. De jongen biedt die fiets aan.
      6. Het kind eet dit fruit.
      7. De zangeres klimt op die berg.
      8. De architect neemt deze les.
      9. De professor draagt die koffer.
      10. De dierenarts helpt deze olifanten.
      11. De kinderen hangen die…Read More

    • 1. De treinconducteur vertrekt vanaf dit station
      2. De man verkoopt dit tapijt
      3. Het meisje koopt dat zwembad
      4. De kinderen eten deze appels
      5. De baby krijgt dit cadeau
      6. De student maakt dit huiswerk
      7. De docent leest dat huiswerk
      8. De dokter helpt dit meisje
      9. De werknemer woont deze vergadering bij
      10. De buurman geeft die plant…Read More

    • 1. De vrouw kijkt die film.
      2. De leraren geven deze les.
      3. De receptioniste maakt die afspraak
      4. De ouders houden van dit meisje.
      5. De detectives doorzoeken dat huis.
      6. De kok kookt voor dit restaurant.
      7. De barbier knipt dat haar.
      8. De werknemers ontvangen die e-mails.
      9. Het kind doet deze klusjes.
      10. De oma zit in die stoel.
      11. De…Read More

    • 1. De vader koopt deze auto.
      2. Wij bezoeken dat museum.
      3. Zij koopt deze jurk.
      4. Hij drinkt dit water.
      5. De kinderen spelen in dat park.
      6. De leraar legt deze les uit.
      7. De jongen eet deze appel.
      8. De vrouw doet die deur open.
      9. Ik luister naar deze radio.
      10. Het kind eet dit brood.
      11. Hij plant deze bloem.
      12. Wij nemen die trein.

    • 1. De docent kijkt dit examen.
      2. De student leert die lessen.
      3. De kinderen rennen in deze tuin.
      4. De makelaar verkopt dat huis.
      5. De moeder kookt voor die kinderen.
      6. De ingenieur bevestigt deze software.
      7. De opa geeft die bloem water.
      8. De politie rijdt naar die school.
      9. De vrouw eten die cake.
      10. De dokter schrijft dat medicijn.
      11.…Read More

    • 1. De vegers maken dit voetpad schoon.
      2. De docent leest dat boek
      3. De bloemist verkoopt die bloemen
      4. De projectmanager updatet die presentatie
      5. De tante en de oom bakken deze taart voor mijn verjaardag
      6. De cartoonist lacht om deze strip
      7. De moeder kijkt naar deze planeten met mijn telescoop.
      8. De beeldhouwer repareert dit beeld.
      9, De…Read More

    • 1. De trein vertrekt van dit station.
      2. Het vliegtuig landde op deze luchthaven.
      3. De moeder verkoopt die tas.
      4. De man leest deze krant.
      5. Het meisje schrijft dit boek.
      6. De moeder opent die deur.
      7. De kat speelt met dat speelgoed..
      8. De kinderen bouwen dit kasteel.
      9. De ober brengt deze bestelling.
      10. Het meisje opent dat cadeau.
      11. De…Read More

    • 1. De vrouw koopt deze jurk.
      2. Het kind speelt in die tuin.
      3. De hond eet dit vlees.
      4. De jongen opent dit raam.
      5. De moeder koopt die appels.
      6. Het meisje draagt deze jas.
      7. De man drinkt deze koffie.
      8. De studenten lezen dat artikel.
      9. De mensen wonen in dat huis.
      10. Het bedrijf maakt deze producten.
      11. Het kind eet dit koekje.
      12. De…Read More

    • 1. De baas schrijft deze brief.
      2. De leraar heeft dat boek.
      3. De mensen hebben deze antwoorden.
      4. De vrouw koopt deze tas.
      5. De man geeft deze bloemen.
      6. Het meisje draagt die rok.
      7. De jongen heeft die fiets.
      8. De kinderen spelen met dat speelgoed.
      9. De vrouw wil deze tafel.
      10. De studenten zoeken dat boek.
      11. De koning houdt deze…Read More

    • 1. De hond blaft naar die man.
      2.De vrouw zingt deze liedjes vanavond.
      3. Het orkest speelt deze muziek.
      4. De katten eten dit voer.
      5. De kinderen spelen op deze straat.
      6. Het meisje speelt met deze pop.
      7. De honden spelen met dat speelgoed.
      8. De studenten doen dit examen.
      9. De zwemmers zwemmen in dit zwembad.
      10. De leraar geeft deze…Read More

    • 1. De bakker verkoopt dat brood.
      2. De mannen lezen deze kranten
      3. De vrouwen lopen op dat pad
      4. Het kind speelt met dit speelgoed
      5. Het meisje maakt dit cookie
      6. De werknemer gebruikt die computer.
      7. De ouders helpen dat kind.
      8. De student leest dat boek.
      9. De kok maakt deze maaltijd.
      10. De leraar schrijft deze woorden.
      11. De kapper…Read More

    • 1. De kinderen spelen in dat zwembad
      2. De ouders wonen in dit huis
      3. Het meisje studeert op die school
      4. De jongens rennen over die weg
      5. De vrienden ontmoetten elkaar in dat restaurant
      6. De man kookt de maaltijd in die pan
      7. De vrouw werkt bij dat bedrijf
      8. De studenten lezen deze krant
      9. De docent zit op die stoel
      10. De verkoper…Read More

    • 1. De man ziet deze hond.
      2. De vrouw koopt dat boek.
      3. De jongen leest deze brief.
      4. Het meisje vindt die sleutels.
      5. De docent gebruikt deze computer.
      6. De huisarts helpt de patiënt.
      7. De vriend drinkt dit water.
      8. De ouders bezoeken die steden.
      9. De student opent deze deur.
      10. De werknemer sluit het raam.
      11. De buurman kijkt naar deze…Read More

    • 1. De politie vraagt deze jongens.
      2. De ouders bezoeken die kerk.
      3. Het kind bedank die docent.
      4. De moeder rijdt deze auto.
      5. De verkoper verkoopt die groenten.
      6. De docent feliciteert die studenten.
      7. De peuter speelt met deze ballen.
      8. De leerlingen sturen dat huiswerk.
      9. Het meisje vergeet deze boeken.
      10. De tuinman brengt die…Read More

    • 1. De dinosaurus rijdt die fiets.
      2. Het kind doodt deze draak.
      3. De vampiers nemen die paraplu’s.
      4. Het spook draagt deze zonnebril.
      5. De hond speelt deze gitaar.
      6. Het meisje bezoekt dit museum.
      7. De apen eten deze pizza’s.
      8. De prins zwemt met deze badeenden.
      9. De astronauten vliegen in die raket.
      10. De heksen vegen dat huis.
      11. Het…Read More

    • 1. De vrouw koopt dit boek.
      2. De man leest deze krant.
      3. Het kind ziet die fiets.
      4. De jongen maakt dat huiswerk.
      5. Het meisje draagt deze tas.
      6. De moeder kookt dit eten.
      7. De vader opent die deur.
      8. De student schrijft deze brief.
      9. De leraar controleert dat antwoord.
      10. De buurman wast deze auto.
      11. De oma zoekt die bril.
      12. De…Read More

    • 1. De student wil dit boek.
      2. De moeder draagt die jas.
      3. De man wast deze auto.
      4. De vrouw zoekt die bril.
      5. De buurvrouw komt naar dat huis.
      6. De vrienden maken dit huiswerk.
      7. De ouders verkopen die auto.
      8. De leraar leest dit boek.
      9. De vrouw koopt die fiets.
      10. De kinderen zien dat huis.
      11. De man opent deze deur.
      12. De student…Read More

    • 1. Het meisje gaat naar deze school.
      2. De vrouw maakt deze lunch.
      3. Een kind speelt in dit park.
      4. De man werkt bij dit bedrijf.
      5. Een jongen leest dit boek.
      6. De dokter gaat naar dit ziekenhuis.
      7. De medewerkers werken in dat gebouw.
      8. De patiënt neemt dit medicijn.
      9. De man loopt in deze tuin.
      10. Het meisje wil dit boek.
      11. De manager…Read More

    • 1. De hond ziet deze kat.
      2. De vrouw koopt dat boek.
      3. De leraar kent deze mensen.
      4. De toeristen bezoeken die steden.
      5. De jongen vindt deze auto leuk.
      6. De kat hoort die vogel.
      7. De makelaar vindt dit huis mooi.
      8. De student gebruikt deze computer.
      9. De kinderen kijken naar die films.
      10. De leerling leest dit boek.
      11. De ouders helpen…Read More

    • 1, De jongen speelt met die bal
      2. De moeder geeft die appels
      3. De paarden rennen naar die boom
      4. De huisarts onderzoekt deze man.
      5. De melk staat in de koelkast.
      6. De kamer heeft deze lampen
      7. De vrouw neemt die citroenen mee
      9. De dierenartsen zoeken die katten
      10. De lerares schrijft deze brief
      11. De neushoorn drinkt dit water
      12. De man…Read More

    • 1. De kinderen hebben deze fietsen.
      2. De mannen eten deze appels.
      3. De vrouwen kopen deze jassen.
      4. De meisjes lezen deze boeken.
      5. De mensen zien deze huizen.
      6. De leraren nemen die bussen.
      7. De koks bakken die taarten.
      8. De honden eten dat vlees.
      9. De jongens wassen dat paard.
      10. Het meisje luistert naar deze muziek.

    • 1. De vissers hebben deze boten.
      2. De vrouw heeft die bloemen.
      3. De boer heeft deze ganzen.
      4. De baas heeft die auto.
      5. De chef ontwerpt dat menu.
      6. De koeien eten dit gras.
      7. De jongens nemen die rugzakken.
      8. De cursisten maken deze zinnen.
      9. De man maakt deze foto.
      10. De brandweerman bestuurt die brandweerwagen.
      11. De winkel verkoopt…Read More

    • 1. Ik luister naar die muziek.
      2. Hij eet dit eten.
      3. Zij kookt deze tomaten.
      4. Wij spelen met deze kinderen.
      5. Jullie lopen op die straat.
      6. Ik studeer op deze school.
      7. Hij werkt in dat kantoor.
      8. Wij leren deze talen.
      9. Zij drinkt dat bier.
      10. Wij praten door die telefoon.
      11. Ik speel in dat centrum.
      12. Wij rijden met die auto.

    • 1. De serveerster draagt deze borden.
      2. De journalist schrijft die reportage.
      3. De makelaar verhoogt die prijzen.
      4. De ingenieur ontwierp deze reactoren.
      5. De visser vangt dit zeepaardje.
      6. De architect vernietigt dat plafond.
      7. De werknemers temperen dit enthousiasme.
      8. De studenten leggen die examens af.
      9. De vrienden maken deze…Read More

    • 1. De opa heeft deze fietsen.
      2. De dokter ziet die kinderen.
      3. De leraar leest dit boek.
      4. De oma koopt die jassen.
      5. De politieagent helpt deze kinderen.
      6. De verpleegkundige kent die patiënten.
      7. De man heeft dit huis.
      8. De vrouw koopt dat cadeau.
      9. De leraar ziet deze studenten.
      10. Het meisje heeft dat speelgoed.
      11. De opa kent deze…Read More

    • 1. De vrouw vindt dit geld.
      2. Het kind kleurt deze tekening in.
      3. De broer poetst deze gootsteen.
      4. Een deelnemer wint dit spel.
      5. De moeder knuffelt dit kind.
      6. Fietsers gaan deze weg.
      7. De dierenarts behandelt dit konijn.
      8. De verkoper verkoopt die schoenen.
      9. De acteur speelt deze rol.
      10. De regisseur regisseert deze film.
      11. De…Read More

    • 1. De ober gooit die vorken weg.
      2. De man doet die lamp uit.
      3. Het meisje eet dit ijsje.
      4. De medewerker steelt dat geld.
      5. De oorlog legt dit internet plat.
      6. De kinderen bezitten deze telefoons.
      7. Het huis biedt die kamers.
      8. De regering legt deze informatie uit.
      9. De bewoner uit deze ontevredenheid.
      10. De bakker bakt die taart.
      11. Het…Read More

    • 1. De man koopt dit boek.
      2. De vrouw leest die krant.
      3. De jongen ziet deze auto.
      4. Het meisje pakt dat glas.
      5. De leraar schrijft dit woord.
      6. De moeder wast die fiets.
      7. De vader bouwt dit huis.
      8. De dokter gebruikt deze stoel.
      9. De student opent dat raam.
      10. De opa draagt die jas.
      11. De oma maakt deze taart.
      12. De kinderen eten dat brood.

    • 1. Het meisje drinkt die melk.
      2. De vrouw maakt dit eten.
      3. De jongen zoekt die sleutel.
      4. De kinderen spelen met deze bal.
      5. Het kind eet die banaan.
      6. De vader leest deze krant.
      7. De student schrijft dit woord.
      8. De buurman rijdt deze auto.
      9. Het meisje tekent deze bloem.
      10.De student begrijpt dit antwoord.
      11.De kok snijdt deze…Read More

    • 1 De journalist noteert dit interview.
      2 De buurman repareert die fiets.
      3 De politieagent controleert dit rijbewijs.
      4 De ingenieur kalibreert dat instrument.
      5 De schrijver herschrijft dit manuscript.
      6 De artiest tekent die graffiti.
      7 De boer irrigeert dat veld.
      8 De wetenschapper simuleert dat experiment.
      9 De monteur vervangt deze deur.
      10…Read More

    • 1. Wij kiezen die bussen.
      2. U wast deze borden.
      3. De mannen lezen die boeken.
      4. Ik draag deze schoenen.
      5. De honden volgen die sporen.
      6. De opa wint die wedstrijd.
      7. De oom typt op dat toetsenbord.
      8. Jullie bezoeken die musea.
      9. Het meisje drinkt dat sap.
      10. Die vrouwen kopen die tassen.
      11. De atleet gooit deze frisbee.
      12. De kinderen…Read More

    • 1. De opa betaalt die bon.
      2.Het kind bestelt deze boeken.
      3.De moeder kookt dat recept.
      4.De studenten gebruiken deze stoelen.
      5.De kinderen spelen in dat park.
      6.De schildpadden zien dat huis.
      7.Het meisje wast die auto.
      8.De oom verkoopt deze aardbeien.
      9.De vrouw wacht op die bus.
      10.De man leest deze kranten.
      11.De mannen zien dit…Read More

  • Load More Posts