-
-
1. De man draagt deze trui.
2. Het meisje leest dat boek.
3. De jongen rijdt dat paard.
4. De vrouwen lezen deze boeken.
5. De kinderen trekken deze paarden.
6. Het meisje kookt deze gerechten.
7. Het kind schildert dit huis.
8. Ik eet deze komkommer.
9. Wij zien deze honden.
10. Wij bakken deze vlaai.
11. De vrouwen eten die kippen.
12. Ik rijd deze bus. -
1. De vader betaalt voor dit snoepje.
2. Het meisje kijkt deze film.
3. Jouw baas hebt die auto.
4. Oma en opa kennen dit meisje.
5. Het gezin eet die fruit.
6. De klant neemt deze fiets.
7. De vrouw helpt die kinderen.
8. Mijn buurman haalt dit boek.
9. De studenten zingen dat lied.
10. De verkoper hebt die broek.
11. De man luistert naar deze…Read More -
1. De buschauffeur stopt bij die bushalte.
2. De buurman verkoopt deze auto.
3. Het meisje kijkt die film.
4. De moeder wast die borden.
5. De tuinier plant die boom.
6. De politieagent pakt die crimineel op.
7. De kinderen hebben dat speelgoed.
8. De koerier brengt die pakketten.
9. De architect ontwerpt die huizen.
10. De vrouw probeert deze…Read More -
De vrouw heeft deze kleding
De man eet dat fruit
De kinderen spellen met deze speelgoed
De jongen lezen dit boeken
Het meisje leert deze taal
De vrouw heeft deze droom
De buurman heeft deze bloemen
De klant wil deze schoenen
De oma leest dit tijdschrift
De baas wil die klant
De werknamers willen die vakantie
De spelers gebruiken die bal -
1. De buurman heeft die fiets.
2. De arts controleert deze patiënt.
3. De vrouw maakt deze pasta.
4. Het meisje leest dit boek.
5. De kinderen kijken die film.
6. De jongen rijdt dit paard.
7. De oma maakt dit brood.
8. De mensen bouwen dit huis.
9. De moeder heeft dit kind.
10. De vrienden kopen deze pen.
11. De opa leest deze krant.
12. De…Read More -
1. De succesvol mensen hebben deze kwaliteiten.
2. De docent heeft die auto.
3. De ouders verkopen dat huis.
4. De studenten studeren deze lessen.
5. Het meisje draagt deze schoenen.
6. De jongen koopt die fiets.
7. De buurman geeft dit koekje.
8. De buurvrouw leest dat boek.
9. De man dateert die vrouw.
10. De vrouwen lezen dit boek.
11. De…Read More -
1. De vrouw koopt dit wasmiddel.
2. Het meisje eet dat koekje.
3. De jongens leren deze taal.
4. De man fietst deze weg.
5. De oma kookt dit avondeten.
6. De piloot bestuurt dat vliegtuig
7. De postbode brengt dit pakket.
8. De huisarts schrijf dit medicijn voor.
9. De boer zaait deze groenten.
10. Het kind drinkt die melk.
11. De opa maakt dit…Read More -
1. De kinderen hebben die snoepjes.
2. De leraar schrijft dit boek.
3. De slagerij verkoopt dat vlees.
4. Het paard eet deze suiker.
5. De man koopt deze bloemen.
6. De katten horen die muizen.
7. De jongen ziet die vogel.
8. De vrouwen hebben deze fietsen.
9. De buurman heeft die auto’s.
10. Het meisje maakt deze tekening.
11. De ouders koken d…Read More -
1. De man opent deze deur.
2. De meisjes zien dat concert.
3. Een werknemer oplost dit probleem.
4. De moeder baakt deze taart.
5. De boer brengt deze appels.
6. De jongen aanvaardt dit aanbod.
7. De familie kiest deze vakantie.
8. De zanger zingt dit lied.
9. De timmerman snijdt dat houd.
10. De baby speelt dit speelgoed.
11. De vader…Read More -
1. De buren wonen in dit huis
2. Het kind kiest dit speelgoed
3. De docent rijdt deze auto
4. De man wandelt in dit bos
5. De doctor gebruikt deze medicijnen
6. De postbode brengt deze posten
7. De opa slaapt in dit bed
8. De moeder kookt deze taarten
9. De student leest die boeken
10. Het meisje rijdt deze fiets
11. De broer neemt deze…Read More -
1. De mensen volgen deze man.
2. De jongen sluit deze deur.
3. De vrouw koopt deze kleren.
4. De aanvoerder draagt deze armband.
5. De moeder opent dit venster.
6. De mannen hardloopt deze weg.
7. Het kind spelt dit woord.
8. Het meisje heeft dit kopje.
9. Het nichtje danst dit lied.
10. De leraar herhaalt deze zin.
11. De baas belt dit…Read More -
1. De kinderen knuffelen deze kussen.
2. De dochter draagt die schoenen.
3. De vrouwen bewonderen dit schilderij.
4. De man zet deze lamp aan.
5. De politieagent strijkt dat hemd.
6. De klant hangt die handdoek op.
7. De dienstmeisjes schonen die spiegel.
8. De toeristen dragen deze zonnebrillen af.
9. De jongen kijkt naar deze film.
10. Anna en…Read More -
1. Mijn zus heeft deze verfborstel.
2. Jouw buurman duurt die sleutels.
3. De mannen eten deze bananen.
4. Ik aantrek deze trui.
5. Jij ontdekt die wormen!
6. Je binnenkomt deze kamer.
7. Hij repareert dit gat.
8. De kinderen springen op dit springkasteel.
9. Het kind vangt die bal.
10. Ik groei deze kersenboom.
11. Mijn vader rijdt die auto.
12.…Read More -
1. Het meisje maakt dat schilderij
2. De Jongen eet dat brood
3. Deze mensen brengen dat boeken
4. De man heeft dat overhemd
5. Het echtpaar koopt dat huis
6. De Chef kookt die soep
7. De fotograaf fotografeert die bloem
8. De winkelier verkoopt die vloerkleden
9. De dokter brengt dat medicijn
10. De leraar leert dit lied
11. De studenten sturen…Read More -
1. De buurman bezoekt dat feestje.
2. Het huisarts schrijft deze medicijnen.
3. De kapper doet dit kapsel.
4. De oma kookt dit gebak.
5. De opa repareert deze fiets.
6. De conducteur controleert deze kaartjes.
7. De verkoper verkoopt deze kaas.
8. De fabriek produceert deze auto’s.
9. De barman maakt deze cocktail.
10. Het meisje houdt die j…Read More -
1. Het meisje eet die appel.
2. De baas rijdt in deze auto.
3. De mannen schilderen dat kantoor.
4. De vrouwen wassen die auto’s.
5. De jongens lezen die boeken.
6. De ouders beschermen die kinderen.
7. De bouwers bouwen die muur.
8. De bouwers bouwen dat huis.
9. De politieagent helpt die man.
10. De moeder zwemt in dat zwembad.
11. De t…Read More -
1. De winkel verkoopt deze tassen.
2. De kleermaker naait deze broek.
3. De studenten kijken deze film.
4. De boeren zien die ufo.
5. De zwemmers zwemmen naar die schepen.
6. De kinderen tekenen die vlag.
7. De jongens zwemmen in dit meer.
8. De hond achtervolgt dit schaap.
9. Het bedrijf koopt dit gebouw.
10. De man ziet dat schip.
11. De…Read More -
1. De kinderen hebben dit boek
2. De klanten bezoeken die winkel
3. De monteur repareert deze machines
4. De dokters dragen die jassen
5. De vrouw loopt in dat park
6. De man koopt dit huis
7. De jongen heeft die pen
8. De oma maakt dat eten
9. De collega ziet dit gebouw
10. Het meisje rijdt op deze fiets
11. De buurman gaat naar dat…Read More -
1. De kinderen slapen op deze bedden.
2. De leraar gebruikt deze computer.
3. De studenten gaan naar die school.
4. De buurman verkoopt dat huis.
5. De buschauffeur rijdt in deze bus.
6. Het kind tekent deze kat.
7. De vrouw bakt deze taart.
8. De hond drinkt dat water.
9. De tuinier plant deze boom.
10. De zus zit op deze stoel.
11. De klant…Read More -
1. Het meisje heeft dit boek.
2. De ouders blijven in dat huis.
3. De huisartsen werken op dat kantoor.
4. De manager betaalt deze medewerkers.
5. De man belt die vrouw.
6. De jongens drinken deze bieren.
7. De hond loopt op deze straat.
8. De oma kookt die pasta.
9. De vader koopt dat overhemd.
10. Het kind speelt op die computer.
11. De vrouwen…Read More -
1. De jongen heeft deze fietsen
2. Het meisje koopt dat boek
3. De man speelt dat voetbal
4. De vrouw draagt die jurk
5. De oma rijdt die fiets
6. De opa eet die appel
7. De schilder schildert de muur
8. De timmerman maakt die kast
9. De tandarts ziet deze tanden
10. De beheerder schrijft de regel
11. De ingenieur maakt die website
12. De tuinman…Read More -
1. De buren verkopen dit huis.
2. De medewerkers bouwen deze huizen.
3. De ouders schilderen die muren.
4. De zus vergeet deze sleutel.
5. De broer bezoekt die man.
6. De opa past deze broek.
7. De manager sluit dit boek.
8. De politie bestelt die pizza.
9. De docent waarschuwen deze mensen.
10. De chef snijdt dit brood.
11. De werkgevers kennen…Read More -
1. De koning heeft dit paleis
2. De kinderen leuk dit spel
3. De jongen rijdt deze fiets
4. Het meisje leest dit boek
5. De ouders bezoekt die stad
6. De President gemaakt deze aankondiging
7. De acteur wint die prijs
8. De huisarts voorschrift dit medicijn
9. De collega rijdt die auto
10. De buurman reist die dag
11. De advocaat maakt deze…Read More -
1. De buurman heeft die auto.
2. De boer heeft die tractoren.
3. De vrouw koopt deze jurk.
4. De voetgangers lopen op dat pad.
5. De man repareert deze fiets.
6. De bouwer bouwt dat huis.
7. De student leest dit boek.
8. De jongens zitten op dat terras.
9. De toeristen bezoeken dat museum.
10. De tuinman plant die bloemen.
11. De banketbakker…Read More -
1. De leidinggevende betaalt deze rekening.
2. De buurvrouw bakt die koekjes.
3. De docent telt die studenten.
4. De ouders reizen naar dit land.
5. Het meisje herkent die dieren.
6. De bewaker controleert deze tas.
7. De vuilnisman leegt die vuilnisbakken.
8. De patiënten lijden aan deze ziekte.
9. De man verliest dat horloge.
10. De klanten…Read More -
1. De ouders wonen in dat huis.
2. De broer heeft deze jas.
3. De studenten leren deze woorden.
4. De man koopt die krant.
5. De oma bakt deze aardappelen.
6. De buurman ziet die man.
7. De opa vertelt dit verhaal.
8. De vader leest die brief.
9. De zussen maken deze maaltijd.
10. De moeder belt die winkel.
11. De leraar controleert dit…Read More -
1. De vrouw koopt deze schoenen
2. De jongens gaan naar die bioscoop
3. De winkel bij mijn huis heeft deze koekjes
4. De buren zorgt voor die huisdieren
5. De dokter gaaf haar dat recept
6. De oma bakt die taart
7. De opa maait die tuin
8. De jongen luisteren naar die muziek
9. De kinderen bellen dat huizen
10. Het meisje eet deze sinaasappel
11.…Read More -
1 De acteurs spelen in dit theater.
2 De acupuncturist ontmoet deze patiënten.
3 De agrariër beplant dat veld.
4 De ambulancechauffeur rijdt deze auto.
5 De anesthesist neemt deze spuit.
6 De architecte tekent dat huis.
7 De auteur schrift dit boek.
8 De autowasser wast deze vrachtwagen.
9 De bakker bakt dat brood.
10 De barbier knipt dit h…Read More -
1. De leraar leest dat boek.
2. De vrouw heeft deze fiets.
3. De man heeft dit eten.
4. De dokter geeft dat medicijn.
5. De vriend huurt deze kamer.
6. Het meisje heeft deze pen.
7. De oma kookt dit brood.
8. De kat drinkt deze melk.
9. De mensen hebben dit geld.
10. De man zoekt deze auto.
11. De vrouw krijgt deze bloemen.
12. De bouwer bouwt dit huis. -
1. De man maakt dit bureau.
2. De vrouw heeft dat huis.
3. Het kind speelt deze gitaar.
4. Het meisje koopt die jurk.
5. De jongen drinkt dit water.
6. De ouders kijken dat tv-programma.
7. De studenten doen dit huiswerk.
8. De leraars geven deze opdrachten.
9. De docenten presenteren die lessen.
10. De huisarts studeert dit document.
11. De…Read More -
1. Mensen vertonen deze symptomen
2. Een kind knuffelt die boom
3. De oma kust dit meisje
4. Het meisje breekt dat ei
5. Een vrouw bouwt die keuken
6. De dakloze man doorzoekt dat afval
7. Het kind leest deze boeken
8. Boeren zaaien deze wortelen
9. Studenten maken deze opdrachten
10. De Chauffeurs melden deze schade
11. De jongens sjouwen die…Read More -
1. De mannen dragen die jassen. (de jassen)
2. De slager verkoopt dat vlees. (het vlees)
3. De baas bereidt deze toespraak voor. (de toespraak)
4. De chef maakt dit menu (het menu)
5. Het meisje schrijft dit huiswerk (het huiswerk)
6. De bestuurder bestuurt deze auto’s.
7. De verslaggever brengt dit nieuws. (Het nieuws)
8. De ingenieur ontwerpt d…Read More -
1. Het meisje heeft deze laptop.
2. De man kijkt die film.
3. De jongen koopt deze fiets.
4. De opa repareert die muren.
5. De oma kookt deze maaltijden.
6. De vrouw schoont deze school.
7. De arbeider betaalt dat bedrijf.
8. De tiener koopt die auto.
9. De ouders lopen naar dat park.
10. De dochter zingt dit liedje.
11. De zoon heeft deze…Read More -
1. De kinderen spelen met dat speelgoed.
2. De vrouwen koken met die vorken.
3. Het meisje rijdt in die auto.
4. De man kopt dat huis.
5. Het kind loopt op dat zand.
6. De baas werkt in dat gebouw.
7. De werknemer neemt dit geld.
8. De zoon eet met deze lepel.
9. De reiziger gaat naar die luchthaven.
10. De leraar leest dat boek.
11. De man heeft…Read More -
1. De man rijdt in deze auto
2. De oma kookt deze taart
3. De moeder maakt die jurk
4. De vader draagt dit pak
5. De neef zingt dat lied
6. De neef stuurt deze e-mail
7. De buren schilderen die muur
8. De jongen drinkt dat water
9. Het meisje eet deze pasta
10. De vrouw strijkt deze rok
11. Het kind speelt dat spel
12. De dokter controleert dat medicijn -
1. De kinderen hebben deze fietsen
2. De vader leest deze krant
3. De moeder tekent die tekening van haar baby
4. De kinderen spelen in die tuin
5. De mensen hebben altijd deze problemen
6. De vriend van mij heeft deze auto
7. Mijn vrienden maken dit huiswerk
8. Onze buurman werkt bij deze zaak van zijn vader
9. De studenten corrigeren dit…Read More -
1. De vrouw bakt die taart.
2. De man heeft deze sleutels.
3. De kinderen spelen met dat speelgoed.
4. De ouders hebben die boeken.
5. De manager heeft deze pen.
6. De buurman kookt deze maaltijd.
7. De jongen rijdt op deze fiets.
8. De collega’s lopen naar dat kantoor.
9. Het meisje danste op dat lied.
10. De man waste die borden
11. De vrouw s…Read More -
1. De winkel heeft deze boodschappen
2.de kinderen gaan naar deze school
3.het paard eet dat voedselhool
4.mensen lopen op dat pad
5. Mijn vriend speelt met die bal
6.het kind schrijft in dit boek
7.het meisje luistert naar die muziek
8. De vrouw heeft die bloemen.
9. Mijn ouders lazen die boeken
10.de student concentreert zich op deze dans
11.de…Read More -
1. De kinderen hebben dat feestje
2. De ouders kochten deze snoepjes
3. De grootouders hebben die vaas gerepareerd
4. De meisjes gebruikten deze verf
5. de kat achtervolgde die muis
6. De vrouw dronk deze koffie
7. De opa hebben deze foto getekend
8. De jongen hebben deze koekjes gegeten
9. De oma hebt deze fles sap gedronken
10. De hond at deze…Read More -
1. Het meisje koopt dat speelgoed.
2. De mensen gaan naar die kerk.
3. De moeder kookt deze groene groenten.
4. Mijn broer voetbalt met die kinderen.
5. Mijn opa geeft wiskundeles aan al die leerlingen.
6. Mijn vriend werkt op dit kantoor.
7. De mensen rennen op dat pad.
8. De kinderen spelen in die rechtbank.
9. Dat meisje organiseert dit…Read More -
1. De studenten kennen dit lesgever.
2. Het kind leest deze krant.
3. De vrouw spelt die piano.
4. Mijn vriend spreekt dit tal.
5. De jongens schrijft deze brief.
6. Het meisje heeft dit boek.
7. De oma kookt dit eten.
8. De vader spreekt met deze man.
9. De kat slaapt naast deze raam.
10. De ouders wonen in dat huis.
11. De moeder belt deze…Read More -
1. De docent schrijft dit boek.
2. De man eet deze eten.
3. Het meisje neemt deze schoenen.
4. De kat slaapt op dat bed
5. Het kinderen spelen met deze ballen.
6. De boer koopt dit gebouw.
7.De medewerker werkt op dat kantoor.
8. De mannen drinken op die bar.
9. De advocaat praten met deze man.
10. De secretaress rijdt die trein.
11. Het schaap…Read More -
1. De kinderen kijken die TV.
2. De studenten lezen dat boek.
3. Het kind eet dat brood.
4. De moeder wast die kleren.
5. De mannen kopen die auto.
6. De kok kookt die pasta.
7. De jongen klimt in die boom.
8. Het meisje speelt die pop.
9. De vrouw steekt die kaars aan.
10. De verkoop verkoopt die camera.
11. De baas tekent dat document.
12. Het…Read More -
. De man heeft ook dit auto.
2. Het kind loopt op dat straat.
3. De vrouw gekocht die huis.
4. Mijn broeder werkt op dit bedrijf.
5. De hond spelt met dit bal.
6. De student les dat boek.
7. De bewoner bouwt dat huis.
8. De man betaalt met deze kredietkaart.
9. De dochter droeg dit jurk.
10. de moeder zwemt in dit meer. -
1. De buurvrouw luistert naar deze radio.
2.De kinderen hebben dit speelgoed.
3. De medewerkers lezen deze tijdschriften.
4. Het meisjes hebben deze auto’s.
5. De jongens hebben deze boeken.
6. De broers hebben deze schoenen.
7. De studenten hebben deze cadeaubonnen.
8. De huurders hebben deze schilderijen.
9. De politie heeft deze wapens.
10. D…Read More -
1. De kinderen hebben deze fietsen.
2. De artsen hebben dit medicijn.
3. De tandartsen geven deze behandeling.
4. De studenten lezen deze les.
5. De chauffeurs leiden deze staking.
6. De mensen maken dit geluid.
7. De buren hebben die speeltuin.
8. Het echtpaar heeft deze hond.
9. De vader kocht deze kat.
10. De moeder houdt van deze kerk.
11. Het…Read More -
1. De man neemt dit boek
2. De jongen wilt deze appels
3. De vrouw rijdt die fiets
4. De tandarts koopt die bananen
5. De boer woont in dat huis
6. Het meisje heeft deze rok
7. De obers gebruiken deze borden
8. De honden zien dat schaap
9. De arbeiders werken in die fabriek
10. De zoon krijgt deze cadeau
11. De moeder geeft hem deze speelgoed
12.…Read More -
1. De zus heeft dit geneesmiddel.
2. De jongen draagt die broek.
3. De oom koopt die jas.
4. Het gezin zien deze bomen.
5. De studenten eten die biefstukken.
6. De vriend rijdt deze auto.
7. De man spreekt die taal.
8. Het meisje houdt van die vogel.
9. De kleinzoon kent deze docent.
10. De vrouw is die student.
11. De tante zingt dat liedje.
12.…Read More -
1. De meisjes gebruikten deze jurk.
2. Het kind leest deze krant.
3. De vrouw spelt die piano.
4. Mijn vriend spreekt dit tal.
5. De jongens schrijft deze brief.
6. De opa bakt dit brood.
7. De jongens eten deze koekjes.
8. De oma drinkt dit sap.
9. De hond eet deze appel.
10. De dochter draagt deze jurk. -
1. De vrouw drinkt deze koffie.
2. De vriend betaalt dat rekening.
3. De jongen spreekt deze taal.
4. Het meisje heeft dat boek.
5. De werkgever houdt deze conferentie.
6. Het kind heeft dat tafel.
7. De buurman besteelt deze pennen.
8. De oma bakt deze taart.
9. De docent leest die muziek.
10. De buitenlander fietst deze fiets.
11. De…Read More -
1. De man koopt deze auto.
2. Het meisje vindt dat speelgoed.
3. De jongen heeft deze bal.
4. Een vrouw draagt die tas.
5. De docent leest dat boek.
6. Een student schrijft deze scriptie.
7. De kok bereidt dat gerecht.
8. Een kind speelt met die hond.
9. De kunstenaar schildert dat portret.
10. Een leraar geeft deze les.
11. De vrouw vindt deze…Read More -
1. De man ziet deze vis.
2. De vrouw kijkt naar dat paard.
3. De studenten luisteren naar die leraar.
4. Peter heeft dit boek.
5. Het kind speelt dit instrument.
6. De mannen kijken naar die film.
7. De ober brengt die maaltijd.
8. De kunstenaar tekent die boom.
9. De arts behandelt deze man.
10. De boer voedt die koe.
11. De vrouw drinkt dat…Read More -
1. De baby wil deze banaan.
2. De vrouw draagt deze oorbellen.
3. De studenten willen deze docent.
4. Het meisje speelt met dit speelgoed.
5. De man werkt in dit gebouw.
6. Anna eet dit gehakt.
7. De jongen bestuurt die auto.
8. Het kind wil die fiets.
9. De docent kent die student.
10. De man staat op dat dak.
11. De kinderen drinken dat sap.
12.…Read More -
1. Het meisje weet dat verhaal
2. De visser maakt die vissen schoon
3. De kinderen kijken die film
4. De ingenieurs bieden deze oplossing
5. De ouders geven die spellen
6. De oma luistert die muziek
7. De buren kopen dit huis
8. De bloemist maakt dat boeket
9. De studenten verlaten deze klas
10. De jongen poetst die slaapkamer
11. De vader opent…Read More -
1. De artsen zien die patiënt.
2. De leraar geeft deze les.
3. De chef-kok maakt die taart.
4. De broer brengt die stoel.
5. De leraar corrigeert die fout.
6. De leerlingen lezen dit boek.
7. Het meisje maakt dit huiswerk.
8. De politieman ziet die auto.
9. De vrouw doet dit werk.
10. Het meisje leest deze krant.
11. De receptioniste geeft die…Read More -
1. De vader maakt deze soep
2. De huisarts fietst deze fiets
3. De jongen maakt dit huiswerk
4. De verzorger koopt deze bank
5. De medecursist heeft deze tas
6. De oma drinkt deze koffie
7. De studenten eten deze taart
8. De kinderen lezen deze les
9. Het meisje spreekt deze taal
10. De moeder duurt deze medicijnen
11. De boer kost deze trui
12.…Read More -
1. De jongen drinkt dit sap.
2. Het meisje eet deze rijst.
3. De buurman leest deze kranten.
4. De kinderen zien dat paard.
5. De jongens horen die paarden.
6. De docent controleert dit huiswerk.
7. Het kind pakt deze tas.
8. De vrouw koopt deze boodschappen.
9. De muzikant speelt dit liedje.
10. De mensen voeren deze vogels.
11. De vrouwen…Read More -
1. De man eet dit brood.
2. De kinderen kopen dat boek.
3. Het meisje leest dit artikel.
4. De student schrijft zijn scriptie.
5. De jongen eet die rijst.
6. Het meisje kijkt deze televisie.
7. De man luistert dit album.
8. De vrouw koopt deze paraplu.
9. De kinderen spelen die voetbal.
10. De buurman bouwt die auto.
11. De jongen loopt met die…Read More -
1) De kinderen eten deze pizza.
2) De jongens hebben dat huisdier.
3) De docent draagt deze schoenen.
4) Het meisje schrijft dat artikel.
5) De ouders zien deze film.
6) De opa heeft dat probleem.
7) De man drink deze koffie.
8) De buurman speelt dit instrument.
9) De ouders hebben die auto.
10) De kinderen lezen deze krant.
11) De meisjes…Read More -
1. Het meisje kijkt naar die film.
2. De moeder wast de vaat.
3. De tuinman plant die boom.
4. De kinderen hebben dat speelgoed.
5. De vrouw dronk deze koffie
6. De opa heeft deze foto ingelijst
7. De jongens eten deze koekjes
8. De vader draagt dit pak
9. De neef zingt dat lied
10. De neef stuurt deze e-mail
11. De buren zijn die muur aan het…Read More -
1. De man drinkt deze melk.
2. De vrouw koopt dat brood.
3, Het meisje belt die jongen.
4. De vader gooit die bal.
5. De dieven hebben dat geld.
6. De vrouw heeft deze droom.
7. De kinderen hebben dit huiswerk.
8. Het bedrijf betaalt die jongen.
9. De zus maakt deze koffie.
10. De opa maakt die jurk
11. De docenten maken die toets.
12. De arts…Read More -
1. De vrouwen kopen deze stoelen.
2. De kinderen lezen deze boeken.
3. Het meisje kiest die jurk.
4. De oma bakt deze taart.
5. De vader eet deze taart.
6. De dokters stellen deze vraag.
7. De collega’s schrijven die brief.
8. De ober breekt deze fles.
9. De chef kookt deze maaltijd.
10. De politieman achtervogt deze man.
11. De kinderen pakken…Read More -
1. De vrouw heeft die auto.
2. De opa kookt dit eten.
3. Het meisje opent deze deur.
4. Collega’s hebben deze pauze.
5. Mensen helpen dat kind.
6. De man tekent dat schilderij.
7. De dokter gaat naar die patiënt.
8. Het kind kent deze man.
9. Mensen studeren deze plattegrond.
10. Studenten volgen deze cursus.
11. De familie ontvangt deze in…Read More -
1. De man eet deze maaltijd.
2 De vrouw kookt die maaltijd,
3 Het meisje zingt dit lied.
4 De jongen speelt dat spel.
5 De kinderen rennen over dat pad.
6 De leerlingen lezen dit boek.
7 De docenten gebruiken deze pennen.
8 De buurman geeft deze planten water.
9 De receptioniste maakt deze afspraken.
10 De bestuurder bestuurt deze auto.
11 De…Read More -
1. De buren verlaten dit huis
2. De leraar geeft les aan deze universiteit
3. De automonteur rijdt deze auto
4. De man loopt in dit bos
5. De dokter stelde dit medicijn
6. De postbode brengt deze posten
7. De opa slaapt in dit bed
8. De moeder kookt deze taarten
9. De student leest die boeken
10. Het meisje rijdt deze fiets
11. De broer neemt deze…Read More -
1. De kinderen likken deze lepels.
2. De jongens stelen die fietsen.
3. De meisjes dragen die broek.
4. De buren graven dit gat.
5. De man repareert die tafel.
6. De man kookt dit diner.
7. De leraar leest dat boek.
8. De vrouw bestuurt deze auto.
9. De kinderen eten deze snoepjes.
10. De dokter drinkt dat water.
11. De jongen raspt die kaas.
12.…Read More -
1) De dames kopen die tafels.
2) De jongeren bestuderen die verhalen.
3) De tiener kiest deze schoenen.
4) De grootmoeder maakt dat brood.
5) De opa proeft die koekjes.
6) De specialisten beantwoorden die oproep.
7) De medewerkers verzenden dit pakket.
8) De kelner morst die wijn.
9) De kok bereidt dat ontbijt.
10) De agent volgt die auto.
11) De…Read More -
1. De man heeft dat boek.
2. De vrouw schrijft deze brief.
3. Het meisje schrijft deze boeken.
4. De man en de hond lopen door die straat.
5. De hond heeft deze bal.
6. De meisjes hebben deze tassen.
7. De vrouw drinkt deze koffie.
8. De oma eet deze banaan.
9. De moeder leest die krant.
10. De huisarts rijdt die auto.
11. De jonger fietst met die…Read More -
1.De kinderen drinken dit sap.
2.De oma maakt die soep.
3.De zus kijkt naar die film.
4.De moeder heeft die fiets.
5.De jongens willen deze schoenen.
6.Het meisje koopt deze ring.
7.De vriend verkoopt deze auto.
8.Het personeel spreekt deze talen.
9.De bakker maakt dit brood.
10.De student gaat naar deze bibliotheek.
11.De kapper koopt deze…Read More -
1. De moeder kent die buurvrouw.
2. Het meisje leest deze krant.
3. De hond eet die maaltijd.
4. De olifant speelt met dat meisje.
5. De baby drinkt dit water.
6. De kinderen schrijven deze boeken.
7. De boer verzamelt die eieren.
8. De docent geeft deze les.
9. De manager spreekt met die collega’s.
10. De medewerkers ontvingen deze cadeaus.
11. D…Read More -
1) De jongen hebben dit speelgoed.
2) De werkers brengen deze dingen.
3) De meisjes lezen deze boeken.
4) De jongens luisteren deze liedjes.
5) De student schrijft deze notities.
6) De kinderen spelen deze spellen.
7) De vrouw koopt dit huis.
8) De man verkoopt die auto.
9) De jongen drinkt dit sap.
10) Het meisje eet die broodjes.
12) De kinderen…Read More -
1. De man neemt die lepel.
2. Het meisje leest deze krant.
3. De politieagent ziet die winkel.
4. De oma proeft deze soep.
5. De leraar geeft les in dit klaslokaal.
6. De dokter werkt in dit ziekenhuis.
7. Het kind slaapt in die slaapkamer.
8. De student gaat naar deze school.
9. De baby wil die bal.
10. De ober komt naar deze tafel.
11. De buren…Read More -
1. De kinderen spelen deze sporten.
2. De docent krijgt deze les.
3. De moeder kookt dit ontbijt.
4. Het water beweegt die boot
5. De leraren drinken deze bieren
6. De buurman maakt dit huis.
7. De bakker bakt dit brood.
8. De werknemer poets die keuken.
9. De hond ziet deze eekhoorns.
10. De fiets rijdt die straat.
11. De slager verkopen deze…Read More -
1. De buurman heeft die fiets.
2. De arts controleert deze patiënt.
3. De vrouw maakt deze pasta.
4. Het meisje leest dit boek.
5. De kinderen kijken die film.
6. De jongen rijdt dit paard.
7. De oma maakt dit brood.
8. De mensen bouwen dit huis.
9. De moeder heeft dit kind.
10. De vrienden kopen deze pen.
11. De opa leest deze krant.
12. De…Read More -
1. De oma gaat naar dat ziekenhuis.
2. De mensen wandelen naar dat park.
3. De vrouw zoekt deze straat.
4. Het kind zit in die auto.
5. De moeder heeft dat kind.
6. De jongens hebben deze fietsen.
7. De zakenman koopt die winkel.
8. De broer breekt dat raam.
9. De docent luistert naar die leerling.
10. De bakker maakt dat brood.
11. De baby wil…Read More -
1. De man voelt die pijn
2. De vrouw blijft in dat huis
3. De jongen brengt deze computer
4. De zon schijnt die dag
5 Het kind opent deze deur
6. De man trouwt met die vrouw
7. Het meisje kiest die film
8. De vader rekent deze som
9. De moeder gooit dit papier
10. De klant bijt die rundvlees
11. De verkoper verkoopt deze tv
12. De mannen drinken…Read More -
1. De barista maakt die koffie.
2. De advocaat presenteert deze zaak.
3. De bedrijfsleider feliciteert deze collega’s.
4. De kunstenares schildert dit schilderij.
5. De burgemeester houdt van dat nieuws.
6. De verpleegkundige zorgt deze mensen.
7. De dochter kookt deze maaltijd.
8. De neefjes schrijven die brief.
9. De man creëert die zang.
10. De…Read More -
1. De jongen eet die boterham
2. Het meisje drinkt dit sap
3. De vrouw ridjt die auto
4. De man hebt deze fiets
5. De kinderen lezen dit boek
6. De student schrijft deze papier
7. De buurman leest deze krant
8.De familie heeft dat huis
9.De moeder eet dit ontbijt
10. De jongens kijken die film
11. De vader heeft deze stoel
12. Het kind heeft dat speeltje -
1-De vrouwen dragen deze tassen.
2-De mannen bezoeken deze markt.
3- De kinderen spelen spelletjes met dit meisje.
4- De moeders koken voor deze baby’s.
5- De kat vecht met deze hond.
6- De vraag komt voor op dit examen.
7- De vogel gebruikt dit pad.
8- De artsen studeren op deze school.
9- De man koopt dit voertuig.
10- Het kind speelt spelletjes…Read More -
1. De studenten lezen dit boek
2. De mensen drinken dat sap
3. Het meisje leest die klok
4. De moeder poetst dit huis
5. De leerar schrijft deze zin
6. De studenten begrijven die opdracht
7. De verpleegkundige bezoekt deze medicijnen
8. De vrouw koopt die hoed
9. De jongen kijkt deze film
10. De baas voltooit dat project
11. De toeristen bezoeken…Read More -
1. De kinderen eet dat koekje
2. De vrouw komen naar dit huis
3. De man kookt dat avondeten
4. De kinderen tekenen dit huis
5. De man rijdt die paard
6. Het kind gooit dat chocolade
7. De studenten doen dit huiswerk
8. De klanten koopt deze groente
9. De bakker maakt dit taart
10. De docent leest deze boek
11. De kamer heeft die tafel
12. De…Read More -
1. Een jongen eet dat ijsje. (het ijsje)
2. De mannen lezen die kranten. (de krant)
3. De kinderen zien die pop. (de pop)
4. Een meisje heeft dit boek. (het boek)
5. De studenten kopen dat bed. (het bed)
6. De collega’s maken dit huiswerk. (het huiswerk)
7. Een vriend opent dit raam. (het raam)
8. De man kweekt deze ananas. (de ananas)
9. Een v…Read More -
1. De oom heeft dit speelgoed
2. De neef houdt van dat vliegtuig
3. De tiener leest dit boek
4. De dochters spelen dat spel
5. De leraressen kijken dit kind
6. Het gezin kopen dat huis
7. Het jong gooit die bal
8. De baby drinkt deze melk
9. De broeder leest deze krant
10. De cliënt wil deze hoed
11. De bouwer trekt dat karretje
12. De ober…Read More -
1. De vrienden winnen die loterij.
2. De roeiers roeien deze boot.
3. Mijn moeder heeft deze schilderijen.
4. De man verkoopt die luxe auto.
5. De winkelier krijgt deze artikelen.
6. De chef kookt dit rundvlees.
7. De vrienden slapen in dit vakantiehuisje.
8. De werknemers werken aan dit probleem.
9. De student doet dit licht aan.
10. De…Read More -
1. De man ziet die fiets.
2. Een vrouw kijkt deze film.
3. Het kind zoekt die pen.
4. Het paard eet dit gras.
5. De collega schrijft die zinnen.
6. De vrienden gaan naar dat park.
7. De uil eet dit muis.
8. De bouwvakkers gebouwen dat gebouw.
9. De politie beschuldigt die man.
10. De zus bijt deze taart.
11. De hond wil dat bot.
12. Het meisje…Read More -
1. De man koopt dat huis.
2. De kinderen rijden op deze fietsen.
3. De manager heeft die telefoon.
4. De speler heeft deze korte broek.
5. De dochter heeft die auto.
6. De moeder heeft die jurk.
7. De huisarts heeft deze boot.
8. De vriend leest dat boek.
9. De mens brengt deze taart.
10. De buurvrouw neemt deze auto mee.
11. De burgemeester houdt…Read More -
1. De vrouw eet deze boterham.
2. De man kijkt die film.
3. De oma gebruikt dit medicijnen.
4. De verkoper helpt die man.
5. De vrouwen proeven die kaas.
6. De student vormt dat team.
7. De klant kopt die zonnebril.
8. De baas schrijft die brief.
9. De jongen verliest die sleutels.
10. De collega maakt deze koffie.
11. De vader snijdt die…Read More -
1. De tandarts gebruikt dit apparaat
2. De machinist bestuurt deze trein
3. De jongens komen uit dat land
4. Het meisje is met deze groep
5. De dame danst dat lied
6. De kinderen spelen in die tuin
7. De zangers zijn in die zaal
8. De chauffeurs rijden op die weg
9. De chirurg werkt in dat ziekenhuis
10. De schrijver woont in deze stad
11. De…Read More -
1. Het lijk ligt in deze baadkamer.
2. Het echtpaar zit in dat keuken.
3. Het familielid huilt bij dat raam.
4. Het lid woont bij deze vergadering.
5. Het leger marcheert over deze weg.
6. Het team oefent op dat veld.
7. De bestuurder bestuurt deze auto.
8. De mensen bezoeken deze tuin.
9. De patiënt eet in deze kantine.
10. De dorpeling…Read More
-
1. De bakker maakt dit brood.
2. De buschauffeur rijdt deze bus.
3. De boekhouder telt deze geld.
4. Het kind speelt met die kat.
5. Het meisje luistert deze muziek.
6. De studenten maken deze zinnen.
7. De vrouw kent die man.
8. De docent stelt deze vragen.
9. De moeder spreekt met die jongen.
10. De ober brengt dit sap.
11. De kinderen eten die…Read More -
1- De kinderen lesen deze boeken.
2- De buurman gebruikt die stoel.
3- Mijn vriend huurt dit huis.
4- Mijn broer werkt in deze baan.
5- Mensen maken dat huis kapot.
6- De moeder ligt de sleutel in die plantenpot.
7- Mijn vader voedt die honden.
8- Lodewijk bepaalt die biertjes.
9- Karel en Simon schilderen deze muren.
10- De jongen zoekt dit…Read More -
1. De jongen heeft dat boek.
2. Het meisje betaalt dit diner.
3. De vrouw vraagt dit adres.
4. De man eet dat ontbijt.
5. De docent geeft les dit onderwerp.
6. De octopus opent die kan.
7. De patiënt raakt verslaafd aan dit medicijn.
8. De buitenaards wezens eten die kinderen.
9. Ahmet schrijft deze brieven.
10. John trapt deze bal.
11. De vrouw…Read More -
1. De kinderen lezen dat boek.
2. De kok sneed dit rundvlees.
3. De buren hebben die auto.
4. De man luistert naar deze muziek.
5. De jongen speelt deze drums.
6. Het meisje zingt dat liedje.
7. De vrouw danst op dat ritme.
8. De Directeur sprak op die conferentie.
9. De zussen droegen die jurken
10. De winkel had die potloden.
11. De winkelier…Read More -
1. De manager leidt deze werkgroep.
2. De familie spelen dat bordspel.
3. De verkoper weegt deze groente.
4. De ingenieur bouwt die huizen.
5. Het meisje drinkt dit sap.
6. De student begrijpt deze les.
7. De jongens hebben die boeken.
8. De vrouw heeft deze tas.
9. De man spaart dat geld.
10. De buurman heeft die schoenen.
11. De baas heeft deze…Read More -
1. De benodigdheden behoren in dat warenhuis
2. De man roept tegen die vrouw
3. De mensen willen dit stoel kopen
4. De student leert voor dat thema
5. De bas selecteert die medewerker
6. Het meisje speelt met die vriendinnen
7. Die man rent op dat spoor
8. De vrouw laat dit horloge zien
9. De hond rent door dit
10. De kok backt taarten voor…Read More -
1. De tante controleert dit huiswerk
2. de studenten maken deze opdrachten
3. de zanger maakt dit niewe liedje
4. De man poetst die pan
5. De voeder rijdt deze auto
6. het meisje krijgt die baan
7. de oma kokt dit avondeten
8. de bartender geeft me deze lekkere cocktail
9. de werknemer tekent dat contract
10. de toerist zoekt die kerk
11. de…Read More -
1. De mannen hebben die kinderen.
2. De vrouw is die vriendin.
3. Het meisje ziet dat kind.
4. De buurman woont in dat huis.
5. De student leert deze les.
6. De oma kijkt deze film.
7. De bazen geven die baan.
8. De moeder kookt deze maaltijd.
9. De jongens rijden deze fietsen.
10. De zus wil die krant.
11. De broer maakt dit pasta.
12. De…Read More -
1. De leraar helpt die studenten.
2. De vrouw kookt deze vlaai.
3. De kinderen bezoeken dit aquarium.
4. De manager beschrijft die brief.
5. De vriendin krijgt dat boek.
6. De man kijkt die film.
7. De buurman vindt deze sleutel.
8. De zoon duwt de deur.
9. De dokter beschrijft dat medicijn.
10. De katten spelen in dat huis.
11. Het meisje eet dat…Read More -
1. De ouders lopen naar dat huis.
2. De collega’s wachten op deze bus.
3. De opa’s roken deze sigaren.
4. De zusjes spelen met deze dieren.
5. De leeraren schrijven met deze krijten.
6. De olifanten eten deze planten.
7. De verkoopmedewerkers verkopen deze koffie.
8. De schoonmakers maken die trappen schoon.
9. De auto’s rijden op die straa…Read More -
1. De kinderen lezen dat boek.
2. De kok sneed dit brood.
3. De buren hebben die fiets.
4. De vrouw luistert naar deze muziek.
5. De kinderen hebben deze fietsen.
6. Het vrouw zingt dat liedje.
7. De vrouw danst op dat ritme.
8. De beginsel sprak op die school
9. De zussen droegen die jurken
10. De winkel had die potloden.
11. De winkelier had…Read More -
1. De kinderen leren deze les.
2. Het meisje drinken dit sap.
3. De man kopt dat huis.
4. De mannen kopen die huizen.
5. De studenten lezen deze krant.
6. De jongen eet deze appel.
7. Het kind kent die man.
8. De vrouw drinkt deze wijn.
9. De leraar rijdt deze auto.
10. De klanten bellen dat nummer.
11. De meisjes eten deze banaan.
12. De vrouwen…Read More -
1. De ober serveert deze maaltijd.
2. De chef kookt dat eten.
3. De bakker bakt dat brood.
4. De fotograaf maakt die foto’s.
5. De buren zingen dat muziek.
6. De barista maakt deze koffie.
7. De kinderen spelen dit spel.
8. Mijn ouders lezen dit boek.
9. Haar vader woont in dat huis.
10. Mijn opa verkoopt deze auto.
11. Het meisje koopt dit s…Read More -
1. De werkgever heeft deze oefeningen
2. De buurvrouw werkt in die tuin
3. Het kind speelt buiten het park
4. De kinderen spelen binnen het park
5. De oma zoekt aan dit dak
6. De vriend fiets deze fiets
7. De collega’s eten in dat restaurent
8. De werkgever krijgt dat instructie
9. De televisie staat tegen deze muur
10. De kat wandelt rond dit h…Read More -
1. De advocaten winnen deze rechtszaak. (this, de)
2. Het meisje ziet die kat. (that, de)
3. De huisarts schrijft dit medicijn voor. (this, het)
4. De docent heeft dat boek. (that, het)
5. Het kind verliest deze pen. (this, de)
6. De moeder koopt dit glas. (this, het)
7. De medewerker verkoopt die stoel. (that, de)
8. De hoogleraar bezoekt dat…Read More -
1) Het meisje koopt die pen.
2) De jongens vinden dit boek.
3) De buren maken deze soep.
4) De leraar roept dat meisje.
5) De docent vraagt deze studenten.
6) Een verkoper verliest dit geld.
7) Een kind speelt met dat speelgoed.
8) De oma bezoekt dat museum.
9) De opa zoekt dat restaurant.
10) Een vriend belt dit gemeente.
11) De zus…Read More
-
1. De studenten hebben deze boeken.
2. De kinderen hebben die pen.
3. De vrouw leest die krant.
4. De docent speelt die game.
5. Een kind stuurt deze brieven.
6. De jongen houdt van dat meisje.
7. De opa zoekt dat geld.
8. De man luidt die bel.
9. De jongen heeft deze pennen.
10. Het meisje heeft dat speelgoed.
11. De man heeft die auto.
12. De…Read More -
1. De docent controleert dit huiswerk.
2. De visser vangt die vis.
3. Het meisje rijdt deze fiets.
4. De man kapot gemaakt deze telefoon.
5. De werknemer repareert deze auto.
6. Mevrouw schildert deze tekeningen.
7. De man koopt dat fruit.
8. De persoon huurt dit huis.
9. Een man rijdt deze metro.
10. Een vrouw koopt die kleding.
11. Een…Read More -
1. De jongen eet dit brood.
2. Het meisje vindt die sleutels.
3. De dokter onderzoekt dat kind.
4. Het kind speelt met dit speelgoed.
5. De student gebruikt die laptop.
6. De leraar corrigeert dit huiswerk.
7. Het kind bouwt die toren.
8. De politieagent zoekt dat bewijs.
9. De chauffeur bestuurt deze bus.
10. Het kind kleurt die tekening.
11. De…Read More -
1. het verhuurbedrijf beschrijft dat huis.
2. Deze collega stopt dit misverstand.
3. De receptionist belt die vrouw.
4. Het slachtoffer dankt deze advocaat.
5. De vrienden innemen deze fietsen.
6. De leraar constateert dit fout.
7. De kinderen tellen deze cijfers.
8. De man bestelt dat sap.
9. Mijn vriend en ik twijfelen die beslissing.
10. Mijn…Read More -
1. De vrouwen kennen deze huisarts.
2. De bas kent deze informatie.
3. De man ziet dat konijn.
4. De kinderen zien die konijnen.
5. Het meisje maakt dat eten.
6. De jongen gaat naar dit strand.
7. De politie leert deze tekst.
8. De manager voert dit konijn.
9. De verkoper vangt deze vlieg.
10. De docent aait deze hond.
11. De werknemer ziet dit…Read More -
1. De mens begrijpt deze beslissing niet.
2. De meisjes vinden die jongens erg saai.
3.De man koopt die tickets.
4 De vrouw begrijpt mijn mening.
5. De kippen beschermen die eieren.
6. De kinderen schilderen die dieren.
7. De verplegers helpen deze mensen.
8. Die grote bomen groeien in dat park.
9. De jongens kiezen deze beroepen.
10. De ouders…Read More -
1. De oma slaapt in die bed.
2. De politicus wint deze verkiezing.
3. De buurman reparaties die televisie.
4. De zwager heeft dat middel.
5. Het nichtje draagt die jurk.
6. De tante kookt dat recept.
7. De fiets heeft die wielen.
8. De vader heb die auto.
9. De schoonzus heeft deze eieren
10. De moeder wil die tafel
11. De broer leukt deze blo…Read More -
1. De docent geeft deze les
2. De kind neemt dit medicijn
3. De man past deze broek
4. De manager praat over die informatie
5. Het meisje huilt in die kamer
6. De ingenieur doet dat werk
7. De vrouwen huren dit appartement
8. De man drinkt dat bier
9. De man repareert deze fiets
10. De oma bezoekt deze stad
11. De opa houdt deze kinderen
12. De…Read More -
1. De medewerkers betalen deze belastingen.
2. De kinderen eten dat ontbijt.
3. De studenten maken dit huiswerk.
4. De familie heeft dit huis.
5. De medegever heeft die medewerkers.
6. De docent geeft die les.
7. Het kind zet deze sleutel.
8. Het huis heeft die tuin.
9. De vader draagt die schoenen.
10. Het meisje woont in deze stad.
11. De…Read More -
1. De tuin heeft deze bomen
2. Het huis heeft deze meubels
3. De tuin heeft deze bloemen
4. De bus heeft deze haltes
5. De markt heeft deze winkel
6. De winkel heeft dit broed
7. De trein heeft deze naam
8. De bank heeft dit kussen
9. Het kantoor heeft deze mededeling
10. De weg heeft dit bord
11. De stad heeft die naam
12. De muur heeft dit schilderij -
1. De vrouw reinigt deze bibliotheek.
2. De apotheker verkoopt deze medicijnen.
3. De dokter helpt deze patiënten.
4. De vriendin heeft deze krant.
5. De medewerker repareert deze stoel.
6. De collega’s doen dat huiswerk.
7. De buren hebben die bloemen.
8. De man heeft dit boek.
9. De jongen heeft deze voetbal.
10. Het meisje gebruikt die ca…Read More -
1. De jongens spelen met dit speelgoed.
2. De vrouw leest dat boek.
3. De man schildert die boom.
4. De meisjes koken die recepten.
5. De leraar heeft deze pen.
6. De buurman maakt die tuin schoon.
7. De moeder draagt die baby.
8. De slager snijdt dat vlees.
9. De dame bakt die taarten.
10. De manager begint met die vergaderingen.
11. De collega…Read More -
1. De vader zit in deze kamer.
2. De politie blokkeert deze weg.
3. De man is eigenaar van deze tuin.
4. De vrouw heeft die auto.
5. Het meisje speelt dit spel.
6. De mensen houden van dit eten.
7. De advocaat heeft dit kantoor.
8. De man leest deze krant.
9. De buurman loopt in deze tuin.
10. De jongens hebben deze boeken.
11. De kinderen spelen…Read More -
1. Het meisje heeft dit huis.
2. De man heeft dat boek.
3. Zij heeft deze auto.
4. De jongen ziet die fiets.
5. De docent heeft dit boek.
6. De hond heeft dat huis.
7. De dokter heeft dat geneesmiddel.
8. De mannen hebben die manager.
9. De vrouw kookt dit eten.
10. De Tv toont die film.
11. De auto heeft die kleur.
12. De man heeft die pen. -
1. De vader zit in deze kamer.
2. De politie blokkeert deze weg.
3. De man is eigenaar van deze tuin.
4. De vrouw heeft die auto.
5. Het meisje speelt dit spel.
6. De mensen houden van dit eten.
7. De advocaat heeft dit kantoor.
8. De man leest deze krant.
9. De buurman loopt in deze tuin.
10. De jongens hebben deze boeken.
11. De kinderen spelen…Read More -
1. De moeder kookt dat eten.
2. De broers dragen deze pakken.
3. De vrouw leest die krant.
4. De docent speelt die game.
5. Een kind stuurt deze brieven.
6. De jongen houdt van dat meisje.
7. De vader zoekt dat geld.
8. De jongens hebben die boek.
9. De manager drinkt deze koffie.
10. De vrouw heeft deze sleutels.
11. De meisjes bezoekt dat…Read More -
1. De mannen dragen die tassen.
2. De vrouwen lezen deze boeken.
3. De studenten maken die opdrachten.
4. De kinderen spelen met die ballen.
5. De docenten geven deze lessen.
6. De vrienden bezoeken die steden.
7. De jongen eten deze appels.
8. De meisjes drinken die sappen.
9. De ouders kopen dezen huizen.
10. De buren zien die katten.
11. De…Read More -
1. De vrouwen zien dit paard.
2. De mannen kopen deze tomaten.
3. De kinderen gaan naar die school.
4. De meisjes lezen deze kranten.
5. De buurman heeft die stoel.
6. De vrouw kopt dit huis.
7. De man poets deze vloer.
8. De docent spelt met deze worden.
9. De ouders spelen met die kinderen.
10. De advocaat heeft deze documenten.
11. De huisarts…Read More -
1. De man maakt dit drankje.
2. Het meisje neemt dit papier.
3. De jongens spreken deze taal.
4. Anna zingt dat liedje.
5. De zakenman opent deze winkel.
6. De hond sluit die deur.
7. Het kind speelt dit spel.
8. Anna en Peter maken die beelden.
9. De politieagenten drinken deze thee.
10. De acteur schreeuw deze namen.
11. De schoonmaker sluit die…Read More -
1. De kinderen hebben die tassen.
2. De meisjes zien dat huis.
3. De man krijgt deze tafel.
4. De vrouw vergeet deze sleutels.
5. Een kind eet die aardbeien.
6. Het kind ziet die bloemen.
7. Een vrouw verliest deze jas.
8. De jongens kopen die soda’s.
9. De man koopt deze telefoon.
10. De mannen bouwen die muur.
11. Het kind bouwt deze auto…Read More -
1. De dokter maakt die pennen.
2. De docent vraagt deze vragen.
3. De directeur houdt die boeken.
4. De boer kijkt dit huis.
5. De buurman snijdt deze boom.
6. De dochter krijt die tafel.
7. De zoon kookt deze aardappelen.
8. De hulp drink deze koffie.
9. De verkoper ziet dat huis.
10. De vrouw maakt die pasta.
11. De passagier knipt dat…Read More -
1. Het kind speelt met speelgoed
2. Het huis heeft deze tuin
3. De mannen dragen deze tassen
4. De vrouwen lezen die boeken
5. De studenten maken deze opdrachten
6. De leraren geven die lessen
7. Het dier eet dat voedsel
8. Het boek ligt op deze tafel
9. De auto heeft dat wiel
10. Het kind leest die krant
11. De man koopt dit huis
12. De hond ziet dat raam -
1. De vrouwen lezen deze krant.
2. De kinderen hebben deze fietsen.
3. De studenten doen deze opdrachten.
4. De kinderen spelen met deze ballen.
5. De leraren geven deze lessen.
6. De vrienden bezoeken deze steden.
7. De jongens eten deze boterham.
8. De meisjes drinken deze melk.
9. De ouders hebben deze auto’s.
10. De vrouw helpt die k…Read More -
1. De kinderen kijken naar deze tv-programma’s
2. De werknemers hebben deze trainingen afgerond
3. De mannen kijken graag naar deze sporten
4. De dokter raadde deze diëten aan
5. De leraar geeft vandaag die les
6. Pieter is bezig met die klus
7. De manager geeft vandaag prioriteit aan dit werk
8. De studenten hebben die opdracht niet af…Read More -
1. De kinderen hebben die boeken.
2. De huisarts kent dat medicijn.
3. Het meisje eet deze taart.
4. De politie brengt die kat.
5. De buurman neemt deze krant.
6. Het kind bakt dit brood.
7. Een dief steelt dat geld.
8. De medewerker zet dat etiket.
9. De collega drinkt dit bier.
10. Een postbode geeft deze post.
11. Een zakenman koopt die…Read More -
1.De vrouwen hebben deze fietsen.
2.De kinderen zien die schildpadden.
3.De vader gebruikt deze computer.
4.De moeder spreekt die taal.
5.Peter ziet deze kinderen.
6.De mannen dragen deze pakken.
7.Maria heeft die tassen.
8.De jongens zagen deze schildpaarden
9.De leraar geeft die lessen.
10.De buren hebben deze grote tuin.
11.De vader drinkt dat…Read More -
1. De buurman heeft die auto.
2. De vrouw koopt deze tafel.
3. De kinderen spelen met die bal.
4. Een man maakt dat dak.
5. Het meisje leest dit boek.
6. De ouders vinden deze leraar leuk.
7. Een jongen rijdt die fiets.
8. De moeder kookt dit avondeten.
9. Een werkgever maakt deze advertenties.
10. Het kind knuffelt dat speeltje.
11. De mensen…Read More -
1. De dokter onderzoekt deze knie.
2. De elektricien schroeft die lamp vast .
3. De chef bereidt dat gerecht.
4. De buschauffeur bestuurt die bus .
5. De buurman steunt dat team.
6. De dierenarts is dat meisje.
7. De slager is die man.
8. De kunstenaar verkoopt dit schilderij.
9. De student vergeet dat boek.
10. De agent eet deze donut.
11. De…Read More -
1. De vader maakte deze maaltijd.
2. Het kind speelde dat spel.
3. De voetganger neemt die route.
4. De fietser vindt deze fiets leuk.
5. De bakker heeft dit recept.
6. De kinderen vinden die leraar leuk.
7. De dochter vindt deze taart lekker.
8. De dierenarts helpt die hond.
9. De oom kijkt naar die film.
10. De grootmoeder maakte dit brood.
11.…Read More -
1. De moeder heeft deze pannen.
2. De timmerman werkt met dit gereedschap.
3. De jongens schilderen deze fiets.
4. De meisjes wassen deze jurken.
5. De vader maait dit gras.
6. De kok maakt dat gerecht.
7. Het meisje speelt met die pop.
8. De buren kennen die man.
9. De studenten leren deze taal.
10. Het kind rent met deze hond.
11. De mensen…Read More -
1. De oma zoekt deze sokken.
2. De poes ligt op dat bed.
3. De broer zwemt in dat zwembad.
4. De mens klimmen die berg.
5. De vader drinkt dit sap.
6. De kinderen hebben die fietsen.
7. De baby eet deze melk.
8. De tante koopt dit fruit.
9. De moeder rijdt in deze auto.
10. De vriend vertelt dat nieuws.
11. De zus zoekt die vrouw.
12. Het kind…Read More -
1. De man ziet deze zon
2. De ouders verkopen deze auto
3. De docent lesgeeft dit kind
4. De arts is een broer van die man
5. De jongens spelen met dat speelgoed
6. Het vrouw wil dit geld
7. Het meisje steelt die pasporten
8. Mijn broer houdt van zijn dat meisje
9. Het schaap eet deze hoed
10. Het varkin drinkt dat water
11. De moeder kookt deze…Read More -
1. De artsen hebben deze instrumenten.
2. De verhuizers hebben die bus.
3. De makelaars hebben dat huis.
4. De verzekeraar heeft die voorwaarden.
4. De bouwer heeft die eigenschap.
5. De brandweerman heeft die vrachtwagen.
6. De postbode heeft die brief.
7. De bakker heeft dat ongedierte.
8. De muzikant heeft dat muziekinstrument.
9. De…Read More -
1. Het meisje ziet die man
2. De leraar legt deze opdracht uit
3. De studenten kopen die boeken
4. De man koopt deze auto
5. De vrouwen bezoeken deze winkels
6. De vogels eten die rijst
7. De medewerker krijgt die wasmachine
8. De huisarts geeft deze prescriptie
9. Het kind speelt met dat speelgoed
10. De docent leest dat boek
11. De vrouw…Read More -
1. De studenten studeren af aan deze universiteit
2. De vrouwen immigreren naar dat dorp
3. De passagiers stappen uit dit vliegtuig
4. De kinderen gebruiken deze schaar
5. De voetgangers lopen op dat voetpad
6. De tiener grijpt die tompoucen
7. De stagiair heeft deze vaardigheid nodig
8. De medewerkers gaan naar die vergadering
9. De jongen…Read More -
1 – De jongen ziet die hond (The boy sees that dog)
2 – De moeder koopt dit fruit (The mother buys this fruit)
3 – De kinderen spelen met dat speelgoed (The children play with that toy)
4 – De klant bestelt deze maaltijd (The customer orders this meal)
5 – De studenten volgen die les (The students follow that class)
6 – De werknemer neemt deze…Read More -
1. Het meisje rent in dat park
2. De jongen drinkt dit sap
3. De vrouw kookt deze maaltijd
4. De oma bakt dit koekje
5. Het gezin woont in dat huis
6. De dokter controleert de patiënt
7. De manager heeft deze agenda
8. De student leest dat boek
9. De politieagent arresteert die man
10. Het kind breekt dat speelgoed
11. De tandarts trekt die…Read More -
1. de huurders lezen deze brief.
2. de kinderen nemen deze bus.
3. de vrouw koopt die auto.
4. de student gebruikt dit boek.
5. de vrouw maakt die thee.
6. de man schoonmaakt dit huis.
7. de verkoper openen die winkel.
8. de ouders koken dit eten.
9. het kind loopt met die hond.
10. de vrouw annuleert deze afspraak.
11. de man zoekt deze…Read More -
1. De klanten kopen die producten.
2. De man opent dat raam.
3. De leraar schrijft dit woord.
4. De vrouw drinkt die koffie.
5. De studenten maken die opdracht.
6. De jongen leest deze krant.
7. De moeder kookt dat eten.
8. De dokters controleren die patiënten.
9. De vrienden spelen dit spel.
10. De artiest tekent dat schilderij.
11. De…Read More -
1. De huurders lezen deze brief.
2. De kinderen nemen deze bus.
3. De vrouw koopt die auto.
4. De student gebruikt dit boek.
5. De vrouw maakt die thee.
6. De man schoonmaakt dit huis.
7. De verkoper openen die winkel.
8. De ouders koken dit eten.
9. Het kind loopt met die hond.
10. De vrouw annuleert deze afspraak.
11. De man zoekt deze…Read More -
1- De man heeft deze auto.
2- Het kind speelt met die bal.
3- De buurman maakt de tuin schoon.
4- De meisjes ontmoeten dat café.
5- De vrouw komt dit huis binnen.
6- Deze jongens schrijven dit scenario.
7- De oma neemt deze kinderen.
8- De vriendin koopt dit cadeau.
9- Deze jongens spelen dit spel.
10- De jongeman kookt deze soep.
11- De man…Read More -
1- De kinderen schrijven deze brief
2- Het meisje studeert bij deze school
3- Mijn vrienden wonen bij dit huis
4- De vrouw werkt bij dat bedrijf
5- De ouders kopen deze hond
7- De mannen sturen die brieven
8- De kok maakt dat gerecht.
9- Het kind rent met deze hond.
10- De jongens schilderen deze fiets. -
1. De man leest dit boek.
2. Het meisje tekent dit huis.
3. De leraar schrijft op dat bord.
4. De student leest deze krant.
5. Het kind eet dit brood.
6. De vrouw koopt die stoel.
7. Het meisje drinkt uit dit glas.
8. Het kind vindt dit boek.
9. De vrouw opent die deur.
10. De jongen vindt dit geld.
11. De moeder wast dit kind.
12. De vrouw helpt dit kind. -
1. De mannen kopen het land
2. Mijn meisje helpt die kat.
3. De leraren begrijpen het probleem.
4. De jongen drinkt deze koffie.
5. De vrouw rijdt deze auto.
6. De vrienden eten dit brood.
7. De werkgever betaalt salaris.
8. De medewerkers krijgen bonussen.
9. Medewerkers krijgen bonussen.
10. De ouders lezen deze krant.
11. De klant koopt die…Read More -
1. De medewerker rijdt deze auto.
2. Het kind heeft die boeken.
3. De kinderen hebben dit boek.
4. De buurman bouwt dat huis.
5. De vrouw bakt deze koek.
6. De student heeft die pen.
7. De ouders spelen met die kinderen.
8. De passagiers nemen deze bus.
9. De oude man lest deze krant.
10. De medewerker koop dit brood.
11. De buurman kent die…Read More -
1 -De leraar leest dit boek.
2 -Het meisje speelt met dat speelgoed.
3 -De studenten kopen deze laptops.
4 -De man repareert die fiets.
5 -De kok maakt deze maaltijd.
6 -De vrouw draagt die jas.
7 -De kinderen tekenen met deze potloden.
8 -De reizigers pakken die koffers.
9 -De jongen eet dit broodje.
10 -De vader leest dat verhaal.
11 -De…Read More -
1. De student gaat naar deze school
2. De bezoekers kijken naar deze kunst
3. De bewaker beschermt dit gebouw
4. De politie arresteert die man
5. De docent scoort die papieren
6. De dokter zorgt voor deze patiënten
7. De ingenieurs berekenen deze meting
8. De kerk is open op deze dag
9. Het team speelt in deze wedstrijd
10. De mensen kappen die…Read More -
1. De vrouw koopt die rok.
2. De man vraagt deze vrouw.
3. De kinderen spelen dit spel.
4. De ouders renoveren die kamer.
5. De studenten maken deze oefening.
6. Het meisje vertelt dat verhaal.
7. De buren hebben deze tuin.
8. De baas belt deze werknemers.
9. De oma verliest die brief.
10. De vader kookt deze maaltijd.
11. De schoonmoeder bezoekt…Read More -
1. Het meisje bakt deze taart.
2. De jongen speelt met deze pop.
3. De oma loopt met deze schoenen.
4. De vader vindt die bol.
5. De vriendin draagt deze jurk.
6. De moeder hoort die vogel.
7. De buurman leent die stoelen.
8. De politie arresteert die kinderen.
9. De docent leert die studenten.
10. De ouders kennen die school.
11. De collega’s l…Read More -
1. De huisarts onderzoekt deze patiënt.
2. De student hoort die podcast.
3. De docent zegt deze zin.
4. De buschauffeur rijdt deze bus.
5. De kinderen vangen die ballen.
6. Het meisje ziet deze winkel.
7. De man kust die vrouw.
8. De vrouw ontmoet deze vrienden.
9. De klanten kopen die appelen.
10. De vriend verzamelt deze postzegels.
11. De zoon…Read More -
1. De man leest dit boek.
2. Het kind drinkt dit sap.
3. De vrouw draagt die tas.
4. Het meisje tekent deze bloem.
5. De jongen ziet dat huis.
6. Het gezin koopt dit huis.
7. De leraar geeft dat antwoord.
8. De buren repareren dat hek.
9. De huisarts schrijft dit recept.
10. De ouder leest deze brief.
11. De moeder wast die kleding.
12. Het kind…Read More -
1. De kinderen eten die pizza’s.
2. De kassier sluit deze kassa’s.
3. De architect bouwt deze gebouwen.
4. De studenten maken die modellen.
5. De vrouw runt dit café.
6. De man zwemt in dat zwembad.
7. De ouders kunnen die buren.
8. De buurman rijdt dat paard.
9. De collega’s plannen dit avontuur.
10. De werknemers willen die bonus.
11. De werkge…Read More -
1. De vrouwen dragen die jurken.
2. De man heeft dat boek.
3. De jongens zingen dat liedje.
4. De mannen bouwen dit huis.
5. Het meisje tekent die bloem.
6. De oma leest dit boek.
7. De politieagenten oppakken die dieven.
8. De docent leert deze studenten.
9. De studenten rijden die bus.
10. De meisjes eten deze chocolade.
11. De kokers maken deze…Read More -
1. Het kind krijgt deze pen.
2. De docent poetst die kamer.
3. De klant opent die tas.
4. De studenten kijken deze film.
5. De werknemer helpt deze collega’s.
6. De vrouw leest dat boek.
7. De buren rijden dit paard
8. De man roept dat kind.
9. De dierenarts voedt die konijnen.
10. Jij kent die vrouw.
11. De baby wil die vis.
12. Het meisje b…Read More -
1. De kinderen dragen die jassen.
2. De jongens hebben dit bal.
3. De meisjes eten deze appels.
4. De mannen rijden die auto’s.
5. De vrouwen dragen die schoenen.
6. De katten zien dat bed.
7. De honden drinken deze bak.
8. De leraren schrijven dat bord.
9. De vrienden lezen deze boeken.
10. De ouders wassen die borden.
11. De kinderen kijken d…Read More -
1. De man heeft dit huis.
2. De grootvader eet die maaltijd.
3. De vrouw heeft die rok.
4. De jongen koopt die appels.
5. De oom zingt dit lied.
6. De bankier telt deze rekeningen.
7. Het echtpaar koopt dat appartement.
8. Het meisje woont in deze stad.
9. De postbode bezorgt die brieven.
10. De kinderen hebben dat speelgoed.
11. De moeder wast…Read More -
1. De bazen regelen deze conferentie
2. Het meisje zingt dat lied
3. Het kind drinkt dit water
4. De werknemers werken op dat kantoor
5. De ouders kopen dit huis
6. De kleinkinderen drinken dat sap
7. De kunstenaar bezoekt dit museum
8. De jongen vindt dat potlood
9. De leraren schrijven deze boeken
10. De muzikant hoort die concerten
11. De…Read More -
1. Een koper leest dit boek.
2. Oma verkoopt dat huis.
3. De bouwer verft deze tafel.
4. Een meisje draagt die stoel.
5. De chef verscherpt dit mes.
6. Een hooligan breekt dat glas.
7. De zoon belt deze telefoon.
8. De broer gebruikt die computer.
9. Een reparateur windt dit horloge.
10. De expert herkent dat schilderij.
11. Een chauffeur raakt…Read More -
1. De kinderen hebben deze boeken.
2. De vrouw verkoopt deze tas.
3. De man draagt die broek.
4. De ouders koken deze soep.
5. Het kind gebruikt die telefoon.
6. Het meisje verft deze kaarsen.
7. De studenten leren dit onderwerp.
8. De werknemer voltooit dat project.
9. De baas ontmoet deze klanten.
10. De serveerster brengt dit eten.
11. De…Read More -
1. De kinderen halen die bal.
2. De loodgieter repareert dit toilet.
3. De postbode vindt dit huis
4. De bakker maakt die taart
5. De zoon koopt die fiets
6. De visser gebruikt die boot.
7. De journalist schrijft dit verhaal.
8. De leraar lesgeeft die klas
9. De collega’s bieden dit geschenk
10. De vrouw schoonmaakt dit slaapkamer
11. De baas m…Read More -
1. De kinderen eten deze taart.
2. De moeder schoonmaakt deze kamer.
3. De oma kijkt die wolk.
4. De zus houdt van deze rok.
5. De slager verkoopt deze kip.
6. Het kind leest dit boek.
7. De leraar wil dat potlood.
8. De vrouw koopt dit speelgoed.
9. Het gezin zit in deze auto.
10. Het meisje breekt dat raam.
11. De boer voert die dieren.
12. De…Read More -
1. De man schildert dit huis
2. De vrouw rijdt deze motorfiets
3. De jongen eet deze appel
4. Het meisje speelt met dat speelgoed
5. De kinderen slapen in die slaapkamer
6. De oma baakt deze taart
7. De opa repareert deze fietsen
8. De moeder houdt van dit liedje
9. De vader schrijft dat bericht
10. De leraar helpt deze student
11. De brandweerman…Read More -
1. De vrouw koopt dit water
2. De man ziet die auto
3. De man geeft die deur
4. De oma tekent dat papier
5. De grootvader verwisselt die kleren
6. De kinderen zien die fiets
7. Het meisje verkoopt dat vliegtuig
8. De tante maakt dat brood
9. De oom kookt deze lunch
10. De jongens wassen deze auto
11. De vader ontvangt dat cadeau
12. De moeder…Read More -
Pagina 76
Opdracht 5
1. De moeder bezoekt die vrienden.
2. De tante koopt die jurk.
3. De familie drinkt dit sap.
4. De grootvader stuurt dat cadeau.
5. Het kind steelt die snoepjes.
6. De vriend verkoopt die taart.
7. De kleinkinderen zingen die liedjes.
8. De advocaat wint die zaak.
9. De man breekt die pot.
10. De zoon schildert dit beeld.
11.…Read More
- Load More Posts
1. Het meisje eet die vlaai
2. De buren komen naar dit huis
3. De oma kookt dat ontbijt
4. De kinderen tekenen dit figuur
5. De man rijdt die auto
6. De vader gooit die bal
7. De studenten doen dit huiswerk
8. De kapper koopt deze winkel
9. De bakker maakt dit broodje
10. De docent drinkt deze koffie
11. De kamer heeft die kleur
12. Het konijn eet…Read More