Dutch Course Eindhoven A2 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 month ago
  • 97

    Posts

  • 84

    Members

  • Dutchbook huiswerk:👍
    Boek. Pagina 152
    Opdracht 4
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    56 Comments
    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalt jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. War speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1.Waarom luisterde zij niet?
      2.Waar werkte hij?
      3.Waarom antwoordde jij niet?
      4.Waar praatten jullie over?
      5.Waar speelden jullie?
      6.Wie haalde jou op?
      7.Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar pratten Julie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschapptas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar pratten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. War speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wie haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praatten jullie over?
      5. Waar speelden jullie?
      6. Wit haalde jou op?
      7. Waar zette jij de boodschappentas neer?

    • 1. Waarom luistert zij niet? → Waarom luisterde zij niet?
      2. Waar werkt hij? → Waar werkte hij?
      3. Waarom antwoord jij niet? → Waarom antwoordde jij niet?
      4. Waar praten jullie over? → Waar praatten jullie over?
      5. Waar spelen jullie? → Waar speelden jullie?
      6. Wie haalt jou op? → Wie haalde jou op?
      7. Waar zet jij de boodschappentas neer? → Waa…Read More

  • Load More Posts