-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 139. Opdracht 7.
Plaats jouw antwoorden hieronder:-
1. Hij studeert volgend jaar.
2. Jullie gaan om 9 uur.
3. Wij eten met onze ouders om 6 uur.
4. Jij komt morgen.
5. Zij werkt vanmorgen. -
1. Ik maak vanochtend ontbijt.
2. Zij bijwoont om 11.00 uur de bruiloft.
3. Hij komt vanavond thuis
4. Je drinkt elke dag koffie.
5. De trein vertrekt om 5 uur. -
1. Ik begin morgen om 9 uur.
2. Ik de boodschappen doen later.
3. Ik werk vanavond.
4. Ik lunch na de vergadering.
5. Wij vertrekken morgen ’s ochtends. -
1. Ik werk morgen.
2. Ik loop vanavond.
3. Ik kom om 22:00.
4. Ik slaap voor middernacht.
5. Ik maak thuis in het weekend schoon.
6. Ik ruim de tafel 5 minuten later op. -
1. Ik kom om 10 uur.
2. Jij vertrekt in 5 minuten.
3. Jullie studeren in het weekend.
4. Wij weten het morgen.
5. Je koopt volgende week. -
1. Wij rijden vanavond.
2. Hij gaat morgen.
3. Ik koop volgende week.
4. Jullie beginnen om 22.00.
5. Ik maak na werk schoon. -
1. Ik reis later.
2. Je bezoekt vanavond.
3. U vertrekt morgen.
4. Hij slaapt om 10 uur
5. Zij werkt in het weekend.
6. Wij zoeken vandaag.
7. Jullie komen op vrijdag.
8. Zij spellen het volgende week. -
1. Ik wandel vanavond.
2. Jij werkt morgen.
3. Zij strijken om 20.00 uur.
4. Jullie zwemmen op maandag.
5. Wij kopen volgend jaar. -
1. Ik controleer de plannen deze avond.
2. Zij kookt eten vanavond.
3. Ik draag de bagage volgende keer.
4. We spreken morgen met haar.
5. Zij vliegen morgen. -
1. Ik werk morgen.
2. Wij reizen volgende week.
3. Hij gaat op donderdag naar Amsterdam.
4. Hij komt vanavond thuis.
5. Zij bezoekt haar ouders op in het weekend. -
1. Ik kook avondeten om 3 uur.
2. Hij speelt Monopoly vanavond.
3. Zij parkeert mijn auto morgen.
4. Jij geeft jouw planten water in het weekend.
5. Jullie kijken naar de film om 10 uur. -
1. Wij komen om 20 uur aan.
2. Hij maakt zijn huiswerk morgen af.
3. Ik bel mijn ouders dit weekend.
4. Wij eten samen vanavond.
5. Zij gaat op vakantie deze zomer. -
1. Ik rijd vanavond.
2. Ik kook morgen.
3. Jullie leren dit weekend.
4. Jij tennissen later.
5. Wij wandelen volgende week. -
1. Ik wandel vanochtend in het park.
2. Ik bouw morgen het model van mijn nieuwe huis.
3. Zij logeert volgende week bij opa.
4. Wij oefenen na de pauze met onze docent.
5. Ik verhuis naar een andere stad over een jaar. -
1. Wij gaan naar de bioscoop in Eindhoven om 8 uur ‘s avonds.
2. Ik bel mijn moeder in het weekend terug.
3. Wij komen bij jullie met onze auto voor 9 uur aan.
4. Hij haalt mij morgen op Schiphol op.
5. Jullie maken het avondeten om 6 uur klaar. -
1. Wij komen morgen naar de les.
2. Zij helpt zijn ouders vanavond.
3. Ik sta om 8 uur op.
4. Jullie nemen een pauze overmorgen.
5. Jij haalt jouw diploma op vrijdag. -
1. Ik schrijf vanavond.
2. Ze bellen om 2 uur.
3. Ik aankom op 8 Januari.
4. Hij slaapt later.
5. Wij gaan oom 6 uur naar de kerk. -
1. Ik reis morgen naar Parijs.
2. Ik begin volgende week met een nieuwe baan.
3. Ik ga deze donderdag naar Paleis Het Loo in Apeldoorn.
4. Ik ben lid van een paardrijclub vanaf 15 maart 2026.
5. ik blijf tot augustus in Nederland. -
1. Ik vertrek morgen vroeg.
2. Jij werkt vanavond laat.
3. Hij komt straks naar huis.
4. Zij studeert morgen in de bibliotheek.
5. Wij vertrekken vanmiddag naar de stad.
6. Jullie beginnen morgen met de cursus.
7. Ik bel je straks terug.
8. Jij gaat vanavond sporten.
9. Zij reist volgende week naar België. -
1- Ik geef volgende maand les.
2- Zij koopt morgen de rok.
3- Jullie trekken vanavond de nieuwe kleding aan.
4- Ik bel volgende week de arts.
5- Wij ontvangen op 1e april de nieuwe bank -
1.Ik ga morgen naar school.
2.Jij komt straks naar huis.
3.Hij vertrekt morgen vroeg.
4.Zij begint vanavond met haar studie.
5.Wij eten straks avondeten.
6.Jullie gaan morgen naar de stad. -
1. Ik ga morgen naar werk.
2. Jij komt vanavond langs
3. Hij vertrekt over een uur.
4. Zij begint om negen uur.
5. Wij eten straks lunch.
6. Jullie gaan morgen naar de markt.
7. Ik begin volgende week met mijn werk.
8. Jij speelt straks voetbal. -
1. Ik studeer morgen.
2. Ik kijk naar een voetbalwedstrijd dit weekend.
3. Ik werk vanavond.
4. Zij komt om 18:00 uur.
5. Hij loopt morgen van 6:00 tot 7:00 uur.
6. Ik doe volgende maand mee met een nieuwe cursus. -
1. Ik haal je morgen om 2 uur op.
2. Ik sta morgen om 7:30 op.
3. Ik breng volgende week de boeken terug.
4. Ze stappen vanavond om 8 uur de trein uit.
5. Ik neem deze boeken mee op vakantie.
6. Hij kijkt morgen het huiswerk na.
7. Ik vul het formulier morgenochtend in.
8. Ik maak morgen mijn huiswerk af.
9. Ik bel naar het ziekenhuis.
10. Ik…Read More -
1. Ik begin vanmorgen met yoga.
2. Je gooit deze donderdag oude kleren weg.
3. Jij haalt vanavond tienduizend stappen.
4. U verandert het werkrooster op 1 juli dit jaar.
5. Zij is helemaal blut aan het einde van deze maand.
6. Hij gaat volgend jaar naar een hogere groep.
7. We verlaten het schip over een half uur.
8. Wij vliegen om negen uur.
9.…Read More -
1. We gaan morgenochtend erg vroeg naar Schiphol.
2. We bezoeken in het weekend onze ouders.
3. Ik bel je later terug.
4. Jullie hebben morgen lunch met ons.
5. Ik boek je kamer voor je later. -
1. Ik neem de trein morgen.
2. Je geeft morgenavond een presentatie op het werk.
3. Wij praten vanavond bij.
4. Binnenkort sta je op.
5. Ik maak over een jaar mijn studie af.
6. Hij is in de toekomst rijk. -
1. Ik maak volgende week geen huiswerk meer.
2. Hij kookt vanavond.
3. Ze verhuist volgende maand.
4. Je verft morgen.
5. Ze ontmoeten elkaar op het werk. -
1. Ik bereid mijn maaltijd later.
2. Hij schiet de vogels morgen.
3. Wij verbouwen een plant volgend jaar.
4. Ik trek een overhemd aan morgen.
5. Ik haal mijn koffie later.
6. Wij repareren de auto morgen.
7. Wij maken ons huiswerk morgen af.
8. Ze stelen de juwelen ‘s nachts.
9. De les eindigt om 20.00 uur,
10. Ik toon jullie waar ik werk volgende week. -
1- Ik koop morgenavond.
2- Hij vliegt volgend weekend.
3- Ze repareren later.
4- Jullie ontmoeten volgende maand.
5- De trein vertrekt een uur later. -
1. Hij drinkt koffie met mij morgen.
2. Ik lees dit boek volgende maand.
3. Wij gaan naar Amsterdam op mandaag.
4. Ik zwem met mijn man vanavond.
5. Jullie kopen deze bank volgende week. -
1. Ik probeer dit nieuwe recept dit weekend.
2. Jij rijdt naar Amsterdam volgende week.
3. U trekt deze jas vanavond aan.
4. Hij praat in de vergadering morgen.
5. Zij leert de auto rijden van mandaag.
6. Wij doen in de marathon op zaterdag mee.
7. Jullie verhuizen volgende maand.
8. Zij rijden naar het treinstation morgen. -
1. Ik maak mijn huiswerk morgen.
2. Ik ga naar de tandarts volgende week.
3. Wij spelen tegen hen volgende maandag.
4. Jij eet KFC morgen.
5. Ik fiets naar het werk morgen. -
1. Ik bezoek mijn ouders volgende maand.
2. Wij bekijken de presentatie vanavond.
3. Hij verkoopt zijn fiets volgende week.
4. Jullie reserveren een tafel morgen.
5. Zij leest dat boek dit weekend.
- Load More Posts

4..bezichtigen later een paar huizen.
5..om/tegen 20 uur naar…