-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 138. Opdracht 5.
Plaats jouw antwoorden hieronder:126 Comments-
1. Ik zal jouw sleutel vinden.
2. Ik zal met jouw komen.
3. Hij zal jouw liedje luisteren.
4. Zij zal jouw maaltijd koken
5. Wij zullen onze rekening betalen. -
1. Ik zal naar werk fietsen.
2. Jij zult de afwas doen.
3. Zij zal mijn auto repareren.
4. Wij zullen onze aantekeningen organiseren.
5. Ze zullen ons helpen met de tuin. -
1. Ik zal vandaag naar de tandarts gaan.
2. Ik zal morgen mijn fiets repareren.
3. Wij zullen dit weekend ons huis schoonmaken.
4. Ik zal om 8 uur met mijn moeder bellen.
5. Ik zal in Mai het examen doen. -
1. Ik zal vandaag boodschappen doen.
2. Jij zal morgen op school lesgeven.
3. De studenten zullen hun huiswerk thuis maken.
4. Ik zal ās ochtends de bloemen water geven.
5. Zij zal vanavond haar schilderij tekenen.
6. Hij zal jouw boek meenemen. -
1. Ik zal boodschappen.
2. Wij zullen thuis koken.
3. Hij zal zijn auto repareren.
4. Jullie zullen het boek lezen.
5. Ik zal mijn tas verkopen. -
1. Ik zal de groenten snijden.
2. Ik zal mijn haar knippen.
3. Je zult vandaag je kleding strijken.
4. Je zult voor het examen verschijnen.
5. U zult een tart kiezen.
6. Hij zal in de goochelshow verdwijnen.
7. Zij zal met haar ouders liegen.
8. Wij zullen in het spel schieten.
9. Jullie zullen in het spel verliezen.
10. Zij zullen na onze…Read More -
1. Ik zal morgen groenten kopen.
2. Hij zal de auto opruimen.
3. Zij zal de gerecht koeken.
4. Jullie zullen de winkelen.
5. Wij zullen in vliegtuig vlugten. -
1. Ik zal morgen op het bericht reageren.
2. Ik zal mijn tijd vanaf nu aan het Nederlands besteden.
3. Zij zal pizza bij Dominoās bestellen.
4. Wij zullen dit probleem oplossen.
5. Je zult niet passeren!
6. Zij zullen de auto repareren.
7. Hij zal haar ontmoeten. -
1. Ik zal fietsen.
2. Hij zal voetballen.
3. Ze zullen slagen.
4. Jullie zullen dansen.
5. Jij zal lachten. -
1. Ik zal morgenochtend het contract opstellen.
2. Hij zal de voorwaarden na de vergadering doornemen.
3. Hij zal de tekeningen volgende maand aanleveren.
4. Wij zullen het schip in 2027 bouwen.
5. Ze zullen het conflict na de vredesbesprekingen beƫindigen.
6. Ik zal de eenden in de vijver voeren.
7. Zij zal vanavond de belastingclausules…Read More -
1. Ik zal je straks terugbellen.
2. Zij zal morgen de boodschappen doen.
3. Hij zal vanavond de tafel dekken.
4. Ik zal straks mijn kamer opruimen.
5. Wij zullen morgen samen studeren.
6. We zullen volgende maand op vakantie gaan.
7. Ik zal in de les goed luisteren.
8. Wij zullen morgen de documenten controleren.
9. Jij zult vanavond de deur…Read More -
1- Ik zal vanaf nu zuiniger zijn.
2- Hij zal niet over het weer klagen.
3- Jullie zullen het aanbod weigeren.
4- Zij zullen gerechten dienen.
5- Wij zullen vervangen.
6- Zij zullen de opties beoordelen.
7- Zij zal met de cliƫnten vergaderen.
8- Hij gaat niet gokken.
9- Zij zullen mijn auto spelen.
10- Jullie zullen de examens nakijken. -
1. Ik zal vanavond mijn huiswerk doen.
2. Ik zal morgen een boek lezen.
3. Jij zult vanmiddag de e-mail schrijven.
4. Hij zal morgen de auto wassen.
5. Zij zal vanavond het rapport maken.
6. Wij zullen morgen het project bespreken.
7. Jullie zullen vanavond een film kijken.
8. Ik zal volgende week een nieuwe fiets kopen.
9. Hij zal vanmiddag zijn…Read More -
1. Ik zal je morgen meenemen.
2. Zij zal dit weekend voor ons kind zorgen.
3. Hij zal over twee minuten de telefoon opnemen.
4. Ik zal vanavond het avondeten klaarmaken.
5. We zullen deze week bij onze ouders langskomen.
6. We zullen volgende week bijpraten.
7. Ik zal in de volgende vergadering opletten.
8. We zullen morgenochtend de spullen…Read More -
1. Ik zal morgen mijn rijbewijs brengen.
2. Jij zult doordeweeks werken.
3. Zij zal vanavond haar ouders bellen
4. Hij zal vandaag om 19:00 uur het avondeten maken.
5. Wij zullen dit weekend ons huis schoonmaken.
6. De kinderen zullen hun wiskunde leren.
7. Ik zal jouw pen meenemen.
8. Wij zullen dit weekend naar jouw huis komen. -
1. Ik zal het verhaal vertellen.
2. Ik zal je met jouw huiswerk helpen.
3. Ik zal morgen met mijn werk beginnen.
4. Wij zullen morgen naar India vluchten.
5. Wij zullen elkaar in het weekend ontmoeten. -
1. Ik zal de stilte bewaren.
2. Je zult geen rommel maken.
3. Jij zult mijn gerecht proeven.
4. U zult uw huurachterstand betalen.
5. Zij zal haar uitgaven beperken.
6. Hij zal voor zijn examen slagen.
7. We zullen voor oudere mensen zorgen.
8. Wij zullen jullie bestanden verwijderen.
9. Jullie zullen het nieuws volgen.
10. Ze zullen hun geld overmaken. -
1. Hij zal zijn gegevens verstrekken.
2. Ik zal dit bedrag verdienen.
3. Wij zullen het apparaat aansluiten.
4. Zij zal morgen de boodschappen doen.
5. Je zult de vergadering bijwonen.
6. Ik zal in het weekend mijn familie ontmoeten. -
1. Ik zal het ontbijt maken.
2. Jij zult het vuilnis weggooien.
3. Zij zal het huiswerk afmaken.
4. Jullie zullen naar de bibliotheek gaan.
5. Zij zullen de opdrachten oefenen. -
1. Ik zal vanavond avondeten maken.
2. Wij zullen volgende week naar Eindhoven rijden.
3. Jullie zullen op Vrijdag een vergadering deelnemen.
4. Zij zal dit weekend een huis bezichtigen.
5. Hij zal morgen een klant bezoeken. -
1. Ik zal in de volgende vergadering een presentatie geven.
2. Zij zal me een geheim doorgeven.
3. We zullen ons voor de wedstrijd aanmelden.
4. Jullie zullen jullie bij de cursus inschrijven.
5. We zullen een avondeten maken voor onze familie
6. Hij zal een verrassing voorbereiden voor ons jubileum
7. We zullen naar de spa gaan voor mijn…Read More -
1. Ik zal morgen jouw geld teruggeven.
2. Hij zal zijn opdrachten nu maken.
3. Zij zal de kosten zo snel mogelijk betalen.
4. Wij zullen de producten tot het einde van de week leveren.
5. Ik zal een e-mail sturen. -
1. Ik zal dit antwoord vergeten.
2. Je zal jouw thee drinken
3. U zult uw presentatie doen.
4. Zij zal de reis in Frankrijk boeken.
5. Je zal mijn sleutels teruggeven.
6. Hij zal de film missen. -
1. Ik zal voor de les mijn huiswerk afmaken.
2. Je zal het project voorbereiden.
3. Wij zullen in het weekend niets doen.
4. U zal tot en met deze vrijdag de e-mail sturen.
5. Ze zal op het werk de ppt presenteren. -
1. Mijn baas zal goedkeuren.
2. We zullen samenwerken.
3. De kinderen zullen zwijgen.
4. Ik zal opruimen.
5. Hij zal ontwerpen.
6. Zij zal vermoieien.
7. Ik zal delen.
8. We zullen opletten.
9. We zullen feesten.
10. De bloem zal bloeien. -
1. Ik zal het bedrag investeren.
2. Zij zal een feest geven.
3. Hij zal een piano spelen.
4. Wij zullen Nederlands spreken.
5. Ik zal een taart bakken. -
1. Ik zal nu mijn e-mail beantwoorden.
2. U zult dit pakket morgen ophalen.
3. Jij zult in het weekend je huiswerk maken.
4. Hij zal de bioscoopkaartjes kopen.
6. Zij zal een tafel in dit restaurant reserveren.
7. Wij zullen een cadeau in een winkel ophalen.
8. Jullie zullen morgen naar het treinstation rijden.
9. Zij zullen elke week Nederlandse…Read More
- Load More Posts

5. minus “te”