-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 138. Opdracht 4.
Plaats jouw antwoorden hieronder:115 Comments-
1. Ik ga herinneren.
2. Ik ga lopen.
3. Jij gaat slapen.
4. Wij gaan studeren.
5. Jullie gaan leren. -
1. Ik ga snijden.
2. Ik ga knippen.
3. Jij gaat strijken.
4. Jij gaat verschijnen.
5. U gaat verdwijnen.
6. Hij gaat kiezen.
7. Zij gaat liegen.
8. Wij gaan ga schieten.
9. Jullie gaan verliezen.
10. Zij gaan fluiten. -
1. Ik ga werken.
2. Zij gaat vieren.
3. We gaan hardlopen.
4. Hij gaat onderwijzen.
5. Jullie gaan bewegen. -
1. Ik ga eten.
2. Jij gaat drinken.
3. Hij gaat slapen.
4. Zij gaat kopen.
5. Wij gaan spelen.
6. Jullie gaan reserveren.
7. Zij gaan aantonen.
8. Je gaat zitten.
9. Ze gaan vragen.
10. Ik ga vertellen. -
1. Ik ga dansen
2. Hij gaat spelen.
3. Jullie gaan beginnen.
4. Zij gaan tennissen.
5. Jij gaat rokken. -
1. Ik ga wandelen.
2. Zij gaat winkelen.
3. Wij gaan de Nederlandse cursus in november afronden.
4. Jullie gaan mijn huiswerk nakijken.
5. Hij gaat voetballen.
6. Zij gaat op Schiphol aankomen.
7. Hij gaat zich aankleding. -
1. Ik ga vanavond koken.
2. Wij gaan in Eindhoven met jullie winkelen.
3. Jullie gaan morgen in Amsterdam werken.
4. Hij gaat naar de AH lopen.
5. Wij gaan met het vliegtuig naar Mexico reizen. -
-
1. Ik ga voorbereiden.
2. Jij gaat reizen.
3. U gaat lesgeven.
4. Hij gaat vechten.
5. Zij gaat schaatsen.
6. We gaan investeren.
7. Ze gaan weigeren.
8. Jullie gaan goedkeuren.
9. Ze gaat klagen.
10. Hij gaat terugkomen. -
1- Ik ga rekenen.
2- Ik ga graven.
3- Hij gaat liggen.
4- Zij gaan genezen.
5- Zij gaat poetsen.
6- Jullie gaan schieten.
7- Wij gaan bieden.
8- Ik ga verzamelen.
9- Wij gaan ontdekken.
10- Zij gaat fluisteren. -
1.Ik ga leren.
2.Jij gaat werken.
3.Wij gaan reizen.
4.Dat gaat veranderen.
5.Wij gaan oefenen.
6.Ik ga koken.
7Jij gaat vertellen.
8.Dit gaat groeien.
9.Jij gaat bouwen.
10.Ik ga vergeten. -
1. Ik ga bieden.
2. Jij gaat vallen.
3. Wij gaan winnen.
4. Dat gaat blijken.
5. Wij gaan bijhouden.
6. Ik ga indienen.
7. Jij gaat achterlaten.
8. Dit gaat drogen.
9. Jij gaat breken.
10. Ik ga missen. -
1. Ik ga bakken.
2. Zij gaat vissen.
3. Hij gaat tekenen.
4. Wij gaan ontspannen.
5. Jullie gaan reizen.
6. Zij gaan schilderen.
7. Wij gaan vergaderen.
8. Hij gaat verhuizen.
9. Ik ga hiken.
10. Hij gaat surfen. -
1 Ik ga rijden.
2 Jij gaat zwemmen.
3 U gaat helpen.
4 Hij gaat slapen.
5 Zij gaat eten.
6 Wij gaan drinken.
7 Jullie gaan reserveren.
8 Zij gaan komen.
9 Het gaat gebeuren.
10 Je gaat winkelen. -
1. Wij gaan organiseren.
2. Hij gaat bestellen.
3. Jullie gaan blijven.
4. Ik ga kiezen.
5. Je gaat verkopen.
6. Zij gaan spelen. -
1. Jullie gaan aannemen.
2. Ik ga aankondigen.
3. Jij gaat reizen.
4. Ik ga raspen.
5. We gaan vissen.
6. We gaan tuinieren.
7. Je gaat breien.
8. Ik ga uitzoeken.
9. Hij gaat uitstellen.
10. Ik ga slapen. -
1. Ik ga plannen.
2. Je gaat opruimen.
3. Hij gaat beleggen.
4. Wij gaan rijden.
5. Jullie gaan bezoeken. -
1. Ik ga ontspannen.
2. Hij gaat sterven.
3. We gaan onderhandelen.
4. Zij gaat meedoen.
5. De crimineel gaat toegeven.
6. Mijn bedrijf gaat aanschaffen.
7. Hij gaat aanraken.
8. Zij gaan afwassen.
9. Het toiletpapier gaat verdwijnen.
10. Zij gaat afkeuren. -
-
1. Wij gaan in het weekend naar een festival in Amsterdam
2. Zij zal vrijdag thuis een koffer inpakken.
3. Hij gaat volgende week de reparaties in huis doen.
4. Ik ga morgen op mijn werk een presentatie geven.
5. Hij gaat volgende maand op school een toets maken. -
1. Ik ga kopen.
2. U gaat betalen.
3. Jij gaat wandelen.
4. Hij gaat boodschappen doen.
5. Zij gaat dansen.
6. Wij gaan luisteren.
7. Jullie gaan spelen.
8. Zij gaan tuineren. -
1. Ik ga leren.
2. Zij gaat kopen.
3. Wij gaan bezoeken.
4. Hij gaat schoonmaken.
5. Zij gaan kijken.
- Load More Posts

4..boodschappen doen.