Dutch Course Eindhoven A2 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 week, 1 day ago
  • 97

    Posts

  • 110

    Members

  • Dutchbook huiswerk:👍
    Maak 20 nieuwe zinnen/vragen.
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    169 Comments
    • 3. paardrijden? Ja, dat kan ik.
      4. Maakt….? Ja, hij maakt het.
      6. Mogen wij voetballen? Nee, dat mag niet.
      9. Wij eten hem (het).
      10. Dat wil ik.

    • 1. Mag ik de krant nemen? Nee, het mag niet.
      2. Gebruiken wij deze computer? Nee, wij gebruiken hem niet.
      3. Koop je de appel? Nee, ik koop het niet.
      4. Werkt jouw koffiezetapparaat? Nee, hij werkt niet.
      5. Maken wij vandaag de vlaaien? Nee, wij maken ze niet.
      6. Mogen wij de fiets lenen? Nee, jullie mogen hem niet.
      7. Mag ik morgen thuis blijven?…Read More

    • 1. Kun jij avondeten koken? Ja, dat kan ik.
      2. Mogen wij hier zwemmen? Nee, het mag niet.
      3. Brengt hij morgen naar het feest zijn bier? Ja, hij brengt het.
      4. Mag hij laat naar zijn kantoor komen? Nee, het mag niet!
      5. Werkt het koffiezetapparaat? Ja, het werkt.
      6. Wil jouw zoon het cadeau? Nee, hij wil het niet.
      7. Mag ik een kopje koffie…Read More

    • 1. Wil je morgen naar de bioscoop gaan? Ja, ik wil het!
      2. Kunnen we vanavond samen eten? Zeker, we kunnen het!
      3. Zullen we morgen een lekker pasta maken? Nee, ik kan het niet
      4. Kan ik in één jaar Nederlands leren? Ja, misschien kun je het
      5. Gebruiken jullie die oude auto? Ja, we gebruiken hem
      6. Kun je vanavond boodschappen doen? Ja, ik kan h…Read More

    • 1. Ziet u het boek? – Ja, Ik ziet het.
      2. Eet Simon het vlees? – Ja, Hij eet het.
      3. Willen Jullie het boodschappen doen? – Ja, Wij willen het.
      4. Ken Jij Peter? – Ja, Ik kem hem.
      5. Levert Cornelis het product? Nee, Hij Levert het niet.
      6. Doen Vrienden de examens? – Ja, Ze doen ze.
      7. Mogen wij daar zitten? – Ja, Dat mogen Jullie
      8. Kan…Read More

    • 1. Kunnen we hier roken? Nee, dat kan niet.
      2. Kan je vannacht slapen in de woonkamer? Ja ik kan het
      3. Kun jij hetzelfde boek in het weekend brengen? Ja, dat kan ik.
      4. Mag ik daar een biertje drinken? Nee, Het mag niet.
      5. Ken jij mijn ouders? Nee, Ik ken ze niet.
      6. Wil hij morgen spaghetti carbonara maken? Ja, Hij wil het.
      7. Kun jij voor mij…Read More

      • 2.., dat kan ik doen.
        6.., dat wil hij doen.
        7. naar mij
        8.., ik heb koorts
        13. Turkse
        15..gaan? Ja, dat kunnen we doen.
        16..hier pinnen?
        19..niet doen
        20. Moeten jullie naar de les?

    • 1. Mogen jullie in de bus roken? Nee, het mag niet.
      2. Kan Willem een nieuwe afspraak maken? Ja, het kan.
      3. Kan jij de Franse taal verstaan? Nee, dat kan niet.
      4. Moet een motorrijder een helm dragen? Ja, dat moet.
      5. Mag ik buiten wachten? Ja, het mag.
      6. Mogen de kinderen op straat spelen? Nee, het mag niet.
      7. Mag ik na 9 uur hier parkeren?…Read More

    • 1. Kan Willem een nieuwe afspraak maken? Nee, hij kan het niet.
      2. Moet motorrijder een helm dragen? Ja, het moet.
      3. Mag ik in de wachtkamer wachten? Ja, het mag.
      4. Kunt u hier contant betalen? Ja, ik kan het.
      5. Horen zij het vliegtuig? Nee, zij horen het.
      6. Mag jij om 4 uur naar huis gaan? Nee, jij mag het.
      7. Maken jullie deze opdrachten?…Read More

    • 1. Mag je hier roken? Ja, ik kan het.
      2. Kunt Willem een nieuwe afspraak maken? Nee, hij kan het niet.
      3. Kun je de Franse taal verstaan? Ja, ik kan het.
      4. Mag ik hier wachten? Na, je kunt hier niet wachten.
      5. Mogen jullie op de straat spelen? Ja, wij mogen het.
      6. Wil je een afspraak maken? Ne, ik wil het niet.
      7. Mogen jullie 120 km/u in…Read More

      • 2. Kan
        10. Kun je hier pinnen? Nee, dat kan niet.
        11.., dat kun je (doen).
        12..heb (!) geluk
        13. wast..
        14.., jij mag een kopje koffie.
        15..de auto
        17.., dat kan ik doen.

    • 4. Hij weet het niet.
      6. Ik kan ze leveren.
      13. Dat kan!

    • 3.., dat kan je niet doen.
      4.., je hebt geen bedrijf.
      5. Wil..
      8.., dat kan ik doen.
      9.., dat moeten we.
      12.., dat kun je doen.
      13.., dat kan niet.
      15.., dat kun je doen.
      16. het
      18. op straat
      20. Engelse…, ik..

    • 1.., wij zien het.
      3.., dat kan ik doen.
      4.., ik ken ze niet.
      5..lever ze niet.
      6. lopen? Ja, dat mag je.
      7. het huiswerk > het
      9..Ik kan het niet verstaan
      10.., dat kan ik doen.
      11.., dat mag je.
      12..een afspraak maken.
      13. ik heb een auto.
      14..kan het koken.
      16.., dat kan ik doen.
      17. Heeft Eduard het examen?
      19. een (!) e-mail.., dat kan ik…Read More

    • 1. just “chocolade”
      5..niet.
      8..de activiteit > (het/haar)
      9. de …machine > hem
      12..de droom..Hij denkt er niet over.
      13. Koop
      14.., dat kun je niet.
      15.., dat mag.
      17. Kan jij autorijden?
      18. Nederlands

    • 6. Die lever ik niet/Ik lever ze niet.
      11. Ik was het.
      13. ze
      16. ze

    • (7. Jij mag het)
      10..ze
      17..je hier parkeren? Dat mag ik.
      18..met mij fietsen?

    • 1. Kan jij een e-mail sturen? Ja, dat kan ik.
      2. Koken jullie water? Ja, wij koken het.
      3. Hoort zij de muziek? Nee, zij hoort het niet.
      4. Koopt Jan haar ticket? Ja, Jan koopt het.
      5. Kan Dirk in het weekend het hotel boeken? Nee, hij kan het niet.
      6. Wil jij morgen ontbijt maken? Ja, ik wil het.
      7. Kunnen jullie de rekening betalen? Ja, dat…Read More

    • 1. Mag ik hier wachten? Ja, dat mag.
      2. Kan jij jouw adres opschrijven? Ja, dat kan ik.
      3. Mag ik jouw jas lenen? Ja, dat mag jij.
      4. Wil Maria vandaag haar huis schoonmaken? Nee, dat wil zij niet.
      5. Kan jij jouw lunch met mij delen? Ja, dat kan ik.
      6. Heb jij het treinkaartje? Nee, ik heb het niet.
      7. Zie jij het hoge gebouw? Ja, ik zie het.
      8.…Read More

    • 1. Zie je mijn boek? Ja, ik zie het. Nee, ik zie het niet.
      2. Eet je vlees? Ja, ik eet het. Nee, ik eet het niet.
      3. Kunnen jullie mijn boodschappen doen? Ja, ik kan het. Nee, ik kan het niet.
      4. Weet je de antwoorden? Ja, ik weet het. Nee, ik weet het niet.
      5. Kun je zwemmen? Ja, ik kan het. Nee, ik kan het niet.
      6. Levert Cornelis het product?…Read More

      • 3. Ik kan het doen. Dat kan ik doen (more natural here for one time-action/request)
        4. ze
        8. doe
        9..een examen/geen examen
        10. doe
        12.., dat kan ik (niet) > personal ability
        13..een feest/geen feest
        14..in Eindhoven 120 km/u rijden?
        15..kent ons (niet)
        19.., dat lijkt me (niet zo) leuk.

    • 1. Kun je een huis bouwen? Ja, ik kan het. Nee, ik kan dat niet.
      2. Wil je morgen de koffie zetten? Nee, dat wil ik niet. Ja, dat kan ik wel.
      3. Gaan jullie morgen het ontbijt regelen? Ja, dat kunnen wij. Nee, dat kunnen wij niet.
      4. Kun je morgen een hotel boeken. Ja, dat kan ik. Nee, dat kan ik niet.
      5. Hoor je dat vliegtuig? Ja, dat hoor ik,…Read More

      • 13..Just “wij gaan” (op vakantie) , or Wij gaan niet (op vakantie) ”
        16..Dat gaan wij doen (one time-future action)
        17…..examendag? Dat is het.
        19.., dat gaan wij (niet) doen.

    • 1. Zie jij dit boek? Nee. Ik zie het niet.
      2. Eet jij de appel? Ja. Ik eet hem.
      3. Kun jij boodschappen doen? Ja. Dat kan ik doen.
      4. Kan zij het antwoord? Ja. Zij kent het.
      5. Mogen jullie zwemmen? Nee. Wij kunnen dat niet.
      6. Mag Rudolf fietsen? Ja. Hij mag het.
      7. Maken de studenten het examen? Ja. Dat doen ze.
      8. Doe jij het examen? Ja. Dat…Read More

      • 5. Wij mogen dat niet (more emphasis on permission)
        14..Ik kook het/ze (uncountable or plural groenten)
        15…een hotel boeken
        16..hier pinnen?
        20.. dat wil ik doen (one action)

    • 1. Willen jullie vanavond uitgaan? Ja, wij willen dat.
      2. Mag ik koffie drinken? Ja, dat mag.
      3. Kan ik een nieuwe afspraak maken? Nee, dat kan niet.
      4. Koopt hij het boek? Ja, hij koopt het.
      5. Kunnen jullie een email sturen? Nee, dat kan niet.
      6. Mag ik betalen? Ja, dat mag.
      7. Kunnen wij hier fietsen? Nee, dat kan niet,
      8. Heb je het tapijt?…Read More

      • 5. e-mail
        9. Regent het morgen?
        10.., dat kan ik (personal ability)
        11.., dat kun/moet je doen.
        14.., dat kunnen wij doen.
        15. het koekje
        16.., dat kunnen we niet.
        18..maak
        20. hij

    • 1. Zien jullie het boek? Ja, wij zien het.
      2. Eet jij dierlijke producten? Nee, het kan niet.
      3. Willen jullie boodschappen doen? Ja, wij willen het.
      4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
      5. Mogen wij zwemmen? Ja, het mag.
      6. Levert Cornelis de producten? Nee, hij levert ze niet.
      7. Mag ik roken? Ja, het mag.
      8. Maak jij het huiswerk?…Read More

    • 1. Zie jij het boek? Nee, Ik zie het niet.
      2. Eten Jullie de appel? Ja, wij eten hij.
      3. Wil jij de boodschappen doen? Nee, ik doe hem niet.
      4. Kennen zij het geheim? Nee, zij kennen het niet.
      5. Mogen wij na 21 uur hier parken? Ja, Dat mag.
      6. Kan jij Frans verstaan? Nee, Ik kan het niet – Dat kan niet.
      7. Wil jij een nieuwe afspraak maken? Ja, I…Read More

      • 2. hem
        3..doe dat niet.
        5. Ja, dat mag (kleine letter)
        6.. Dat kan ik niet (personal ability)
        8. Correct. It’s about permission, can be general “Dat kan niet”or personalized “Jullie mogen het niet/Dat mogen jullie niet”

    • 6. Ik lever ze niet. Die lever ik niet.
      17. Dat kunnen we (more emphasis on us being able to)

    • 4…hem.
      5. Nee,
      7..ze.
      13.., dat kan ik.
      16.., dat kan (je)
      17, 18.., dat kan ik.
      19.., dat kan/mag ik niet.

    • 1..met/in mijn auto…
      2. Colombiaanse…
      5.., dat wil ik doen (clear one time-action)
      19. Wil..

    • 1. Mogen jullie zwemmen hier? Nee, dat kan niet.
      2. Wil je de gerechten eten? Ja, ik kan ze eten.
      3. Wil je dit boek voor mij dragen? Dat kan ik.
      4. Mag ik hier roken? Dat mag.
      5. Vindt hij zijn auto? Nee, hij vindt hem niet.
      6. Kan ik bier kopen onder de 21 jaar? Dat mag.
      7. Kan je mij leren dansen? Ja, dat kan ik wel.
      8. Les je deze krant? Nee,…Read More

      • (1. hier zwemmen)
        6..als ik jonger ben dan 21?
        8. Lees..
        9.., dat gaan wij niet doen.
        15. Zing (!) .., ik kan dezelfde muziek zingen.
        17. .meenemen?
        18..voor mij..
        19. snel
        20. Peter..Ja, dat kan hij.

    • 1. Mogen jullie roken in de bus? Wij mogen het niet.
      2. Wil u het nieuwe afspraak maken? Ik wil het maken.
      3. Kan je de Franse taal verstaan? Dat kan ik niet.
      4. Mag ik hier wachten? Dat kan je wel.
      5. Mogen de kinderen spelen op straat? Dat mogen ze niet.
      6. Mag je hier parkeren na 21:00 uur? Het mag niet.
      7. Wil jij in juli op vakantie gaan? Ik…Read More

    • 1. Ken jij het antwoord? Ik ken het niet.
      2. Zie je de nieuwe baas? Ja! Ik zie hem.
      3. Mag je hier slapen? Nee! Je kan het niet.
      4. Kan ik hier vaak komen? Je dat kan.
      5. Willen ze een nieuwe auto? Ja, ze willen hem.
      6. Mogen we daar dansen? Ja! Het mag.
      7. Maakt zij het taartje? Zij maakt het niet.
      8. Kan hij de reis plannen? Nee, dat kan hij…Read More

    • 1. Zie jij de man? Ik zie hem niet.
      2. Eet Simon de appel? Ja hij eet hem.
      3. Kan jij de boodschappen doen? Ik kan dat doen.
      4. Ken jij Peter? Ja ik ken hem.
      5. Kunnen wij zwemmen? Jullie mogen het.
      6. Levert Cornelius mijn product? Nee hij levert het niet.
      7. Mag ik lopen? Nee dat mag niet.
      8. Maak jij jouw huiswerk? Ja ik maak het.
      9. Maken de…Read More

    • 1. Wil jij de nieuwe museum bezoeken? Ja, ik wil dat.
      2. Kunt u deze e-mails beantwoorden? Ja, ik kan het doen.
      3. Kunnen zij jullie fietsen repareren? Nee, zij kunnen het niet.
      4. Mag jij zuivel producten eten? Dat mag ik niet.
      5. Mag ik deze bagage in de cabine zetten? Het mag niet.
      6. Kunnen wij de rekening delen? Ja, jullie kunnen het.
      7.…Read More

    • 1. Koopt Jan de ticket? Ja, Jan koopt hem.
      2. Willen wij zwemmen? Ja, we willen dat.
      3. Mag jij om 4 uur naar huis gaan? Ja, dat mag ik
      4. Mag jij morgenochtend de koffie zetten? Ja, dat mag ik.
      5. Willen jullie bier drinken? Ja, dat willen we.
      6. Doet Eduard de toetsen? Ja, Eduard doet ze.
      7. Krijgt Hendrik het cadeau? Ja, Hendrik krijgt het.
      8.…Read More

    • 1. Krijg jij het cadeau? Ja, ik snap het.
      2. Heeft Gerard de kaas? Ja, hij heeft het.
      3. Krijg je de cijfers? Ja, het krijg.
      4. Mogen wij morgenochtend thee zetten? Ja, dat mag het
      5. Bouwen jij een garage? Ja, ik bouwen haar.
      6. Mag jij om 4 uur naar jou huis gaan? Ja, ik mag het.
      7. Wil jij vanavond uitgaan? Ja, ik wil het.
      8. Kunnen jullie…Read More

      • 3.., ik krijg ze.
        4.., dat mag/dat mogen we.
        5. Bouw jij een garage? Ja, ik bouw er een.
        6. naar huis gaan
        15. Maken de studenten
        16. Koopt
        18. op vakantie? , dat mogen wij niet.
        19. ze
        20..jouw moeder? …zorg voor haar

    • 1. Zien jullie het boek? Nee, wij zien het niet.
      2. Wil jij de boodschappen doen? Ja, dat kan ik.
      3. Ken jij Peter? Nee, Ik ken hem niet.
      4. Wil Theo hier zitten? Nee, hij wil het niet.
      5. Maak jij jouw huiswerk? Ja, dat maak ik.
      6. Wil jij een bier drinken? Ja, ik wil het.
      7. Kan jij autorijden? Ja, ik kan het.
      8. Wil jij vanavond uitgaan? Ja, ik…Read More

    • 1. Koopt hij de auto? Ja, hij koopt hem.
      2. Doet u het inburgeringexamen? Nee, ik doe het niet.
      3. Kunnen jullie mijn boodschappen doen? Ja, wij kunnen dat doen.
      4. Speelt Nederland aan de wereldbeker? Nee, het speelt niet.
      5. Zie jij mijn hondje? Ja, ik zie hem.
      6. Kun je de muziek horen? Nee, ik hoor ze niet.
      7. Werkt hij met deze…Read More

    • 1. Kan ik binnen komen? Ja, Dat kan je
      2. Mag ik iets zeggen? Nee, je mag niet.
      3. Wil je naar de supermarkt? Nee dat wil ik niet
      4.Kun je me alsjeblieft water geven? Natuurlijk kan ik
      5. Mag hij naar mijn kantoor komen? Hij mag niet
      6. Mag ik mijn koffie binnen de kamer brengen? Het mag niet
      7. Ken jij de stad? Dat ken ik
      8. Willen jullie het…Read More

    • 1.Mogen jullie hier roken ? Ja, Het mag. Nee, Het mag Niet.
      2.Kan Willem een nieuwe afspraak maken? Ja, Het kan. Nee,Het kan Niet.
      3.Kun Jij de Franse taal verstaan ?Ja, Ik kan het . Nee, Ik kan het niet.
      4.Moet Jij jouw helm dragen ?Ja, Ik mag het . Nee, Ik mag het niet.
      5.Mag ik in de wachtkamer wachten ?Ja, Het mag. Nee, Het mag niet.
      6.Mogen…Read More

      • 1..(and elsewhere) watch the capital letters: ja, het mag
        3. , ik kan het verstaan/begrijpen
        6.. op straat
        11..een bedrijf/geen bedrijf
        14..jij…. Ja, dat wil ik doen/dat wil ik niet doen.
        19..kan

    • 1. Kun je het eten? Ik kan het niet.
      2. Hoe laat is het? Het is 10:45.
      3. Waar is mijn diploma? Het is ginder.
      4. Het is van mij? Het is van jou, natuurlijk.
      5. Kun je lang zwemmen? Ik kan het doen.
      6. Zie jij het mooie echtpaar? Ik zie het.
      7. Ga jij naar het feest? Ik ga het niet.
      8. Wat ligt daar? Daar ligt het boek.
      9. Wat is het weer buiten?…Read More

      • 3..daar.
        5.., ik kan het (general ability)
        6.., ik zie ze
        7.., ik ga er niet naartoe.
        9. Hoe is het weer buiten?
        12.. niet lekker
        14. Ik kan het (general ability)

    • 1. Ken jij mijn geheim? Nee, ik ken het niet.
      2. Mogen wij hier zwemmen? Ja, het mag.
      3. Mag jij om 4 uur naar huis gaan? Ja, dat mag.
      4. Wassen zij hun fruit? Ja, zij wassen het.
      5. Kunnen wij het hotel in het weekend boeken? Ja, ik kan het doen.
      6. Mogen de kinderen op straat spelen? Nee, zij mogen dat niet.
      7. Kan Willem zijn nieuwe afspraak…Read More

      • 8.., dat mag hij/zij niet.
        11.., dat mag je (kan je)
        (16. Dat kan << generally possible, not just for you)
        17..geen nieuwe auto (onWAT)
        19., dat kan/dat kun je doen

    • 1. Kunnen mijn ouders in Nederland werken? Ze kunnen niet.
      2. Willen mijn collega’s vanavond uitgaan? Zij willen het.
      3. Mogen wij morgenochtend thee zetten? Het mag.
      4. Hebben zij het brood en kaas? Zij hebben ze niet.
      5. Krijgt Hendrick een cadeau? Hij krijgt het niet.
      6. Kunt u een e-mail sturen? Nee, het kan niet.
      7. Kun je de brieven s…Read More

    • 1, Mogen wij morgenochtend koffie zetten? Ja, het mag
      2. Willen jullie boodschappen doen? Wij willen het doen
      3. Zie jij de man? Ik zie hem
      4. Doet Eduard zijn tests?
      5. Eet jij de dierlijke producten? Ik eet het niet
      6. Kent zij het antwoord? Haar kent het
      7. Mag ik hier fietsen? Dat mag
      8. Mogen wij zwemmen? Dat mag niet
      9. Was jij jou haar? Ik…Read More

    • 1. Hebben zij ons adres? Nee, zij hebben het niet.
      2. Heb jij de sjaals? Ja, ik heb hem.
      3. Kan ik hieraan betalen? Ja, dat kan.
      4. Helpen jullie deze kinderen? Ja, wij helpen ze.
      5. Kan jij zingen? Ja, ik kan dat.
      6. Mag Peter de lampen vinden? Ja, hij mag hem.
      7. Wie heeft jouw paspoort? De politie heeft het.
      8. Zie je het dier? Nee, ik zie hem…Read More

      • 2..ze.
        3.. hier betalen
        6..Kan …vinden? Ja, hij kan ze vinden.
        (8. het…< not a specific animal/gender)
        14.., dat kun je doen.
        15..naar het feest? .., ik ga er niet naartoe.
        16. Zijn dit boeken? Dat zijn boeken.
        20..ze.

    • 1. Ken jij Peter? Nee, Ik ken hem niet.
      2. Mag Theo zwemmen? Ja, het mag.
      3. Leveren Cornelis mijn producten? Ja, hij levert hem.
      4. Mag Rudolf fietsen? Ja, het mag.
      5. Maken jullie huiswerk? Ja, wij maken het.
      6. Maak jij examen? Ja, Ik maak hem.
      7. Doe jij deze examens? Ja, ik doe ze.
      8. Wassen zij de hond? Ja, zij wassen hem
      9. Mogen jullie…Read More

      • 3. levert Cornelis……levert ze.
        4.., dat mag hij.
        6..het examen? >> het
        10..krijgen
        11. het gesprek >> het
        13..een nieuwe afspraak maken? Dat wil ik.
        14..een helm…., dat moet.
        17. Dat kan hij.
        18.. de tickets.., ze
        20..koken groente (onWAT) otherwise “het” (not one concrete object)

    • 1. Hebben jullie het formulier? Wij hebben het niet.
      2. Kan ik hier parkeren? Ja, het kan.
      3. Mag Paul binnen roken? Ja, het mag.
      4. Gebruik jij het mes? Ja, ik gebruik het.
      5. Zie jij het meisje in de klas? Ja, ik zie haar.
      6. Hangt het schilderij aan de muur? Nee, het hangt niet aan de muur.
      7. Vriezen buiten? Ja, het vriezen.
      8. Heeft zij het…Read More

    • 1. Heb je het boek? Wij hebben het niet
      2. Begrijpt hij het probleem? Hij begrijpt het
      3. Kan uw zoon fietsen? Hij kan het/dat
      4. Kan je hier spelen? Het/dat kan niet
      5. Zie je de man? Ik zie hem
      6. Eet Simon de appel? Hij eet hem niet
      7. Wil je boodschappen doen? Ik wil het doen
      8. Ken jij Peter? Ik ken hem niet
      9. Kan Theo zitten? Hij kan…Read More

    • 1. Horen jullie de muziek? Nee, wij horen het niet.
      2. Gaat zij de tuin verzorgen? Ja, dat kan zij.
      3. Ken jij Reinier? Nee, ik ken haar niet.
      4. Wil hij daar gaan zitten? Nee, hij wil het niet.
      5. Schrijf jij de brief? Ja, dat schrijf ik.
      6. Wil jij de ijsje eten? Ja, ik wil het.
      7. Kun jij piano spelen? Ja, ik kan het.
      8. Wil jij morgen sporten?…Read More

    • 1. Hebben zij ons adres? Nee, zij hebben het niet.
      2. Heb jij de sjaals? Ja, ik heb hem.
      3. Kan ik hieraan betalen? Ja, dat kan.
      4. Helpen jullie deze kinderen? Ja, wij helpen ze.
      5. Kan jij zingen? Ja, ik kan dat.
      6. Mag Peter de lampen vinden? Ja, hij mag hem.
      7. Wie heeft jouw paspoort? De politie heeft het.
      8. Zie je het dier? Nee, ik zie hem…Read More

    • 1. Zien jullie mijn boeken ? Nee, wij zien ze niet
      2. Eet Simon dit vlees ? Nee, hij eet het niet
      3. Wil jij boodschappen doen ? Ja, ik wil het
      4. Ken jij Peter ? Nee, ik ken hem niet
      5. Kunnen wij hier zwemmen ? Nee, dat kan niet
      6. Levert Cornelis deze producten ? Nee, hij levert ze niet
      7. Mogen wij hier lopen ? Nee, dat kan niet
      8. Maken…Read More

    • 1. Kan Marie de piano spelen? Ja, zij kan het
      2. Kun jij de brief vertalen? Nee, dat kan ik niet
      3. Kunnen wij deze film vanavond kijken? Ja, dat kunnen wij
      4. Mag jij in de bibliotheek eten? Nee, dat mag niet
      5. Wil Peter de vergadering leiden? Ja, hij wil het
      6. Moet de voetballer de bal passen? Ja, dat moet hij
      7. Mag ik in de tuin werken? Ja,…Read More

    • 1. Kan Gerard zijn adres opschrijven? Ja, dat kan hij
      2. Kan jij het e-mail sturen? Ja, dat kan ik
      3. Kunnen wij dit hotel in het weekend boeken? Ja, dat kan
      4. Mag jij in de bus roken? Nee, dat mag niet
      5. Wil Willem de nieuwe afspraak maken? Nee, hij wil het niet
      6. Moet de motorrijder de helm dragen? Ja, dat moet
      7. Mag ik in de wachtkamer…Read More

    • 1. Heb jij mijn telefoonnummer? Ja, Ik heb het.
      2. Kun je in het strand zwemmen? Nee, Ik kan het niet
      3. Heb je van je ouders de verlofbrief meegenomen ? Ja, Ik heb het.
      4. Wilt u het huis schoonmaken? Ja, Ik wil het.
      5. Kan jij morgen de kantoor komen? Jaa, Ik kan dat
      6. Maak jij de Pizza? Jaa, Ik maak het niet
      7. Kun je op een regenachtige dag…Read More

      • 2..aan/bij het strand zwemmen?
        3…hem meegenomen.
        5. Ja (!)
        6. Nee, ik maak hem niet.
        8. opladen?
        (9.., dat kan ik doen)
        10.., ik heb ze niet altijd gezien.
        11..heb ze voltooid.
        12. Ben je voor het …..geslaagd? Nee, ik ben niet geslaagd.
        13…ze.
        14. Regent het nu buiten? Ja, het regent.
        15.., dat heb ik gedaan.
        17. ‘s avonds …, ik drink dan…Read More

    • 1- Zie jij mijn boek? Nee, ik zie het niet
      1- Hebben jullie het formulier? Nee, wij hebben het niet.
      2- Begrijp je het probleem? Nee, ik begrijp het niet
      3- Kan zij fietsen? Ja, hij kan het
      4- Werkt de wasmachine? Ja, het kan
      5- Het koffiezetapparaat werken? Ja, het kan
      6- Wil je morgen hier komen? Ja ik wil het
      7- Mag ik binnen roken? Nee, het…Read More

      • 3. zij, zij
        4.., hij werkt.
        5. Werkt het …apparaat? Ja, het werkt.
        8..kopje…..Ja, dat mag je doen.
        11.., dat kan ik.
        12. Mogen…? Ja, ze mogen het.
        13..in een nieuw kantoor werken? Ja, dat wil ik.
        14..naar het concert gaan?
        15..op vakantie gaan?
        16..naar het kantoor gaan?
        18. huis (!)
        20.., dat kan ik (doen)

    • 1. Zie jij een man? Ja, Ik zie hem.
      2. Eten jullie vlees? Ja, Ik eet het.
      3. Kunnen jullie boodschappen doen? Ja, wij willen het.
      4. Ken jij Peter? Nee, Ik ken hem niet.
      5. Kan Theo zwemmen? Ja, Dat kan ik.
      6. Lever Cornelis dit product? Ja, Cornelis kan het.
      7. Maken jullie haar opdrachten? Nee, Ik kan het niet.
      8. Maken de studenten hun examen?…Read More

      • 1. de man >> hem
        3.., dat kunnen wij doen.
        5.., dat kan hij.
        6. Levert….Ja, Cornelis kan het leveren.
        7..Nee, ik..
        15…een hotel boeken? Ja, dat kan ik.
        17.., dat wil ik.
        20.het huiswerk ? >> ..maken het.

    • 1.Heeft u mijn adres? Ja ik heb het.
      2. Heeft hij het boek? Nee, hij heeft het niet.
      3. Goed weer vandaag.? Ja het is goed
      4. Koop jij het brood? ja ik koop het.
      5.. Repareert u het dak? Nee, ik repareer het niet
      6. Gebruik je het leer? Nee, ik gebruik het niet
      7. Zie je het veld? Ja ik zie het
      8. Heb je het mes? Nee, ik heb het niet.
      9. Speel je…Read More

    • 1. Mag je om 4 uur naar huis gaan? Ja, dat mag.
      2. Bouw je het huis? Nee, ik bouw het niet.
      3. Mag ik de koffie morgenochtend zetten? Nee, dat mag niet.
      4. Heb jij het brood? Ja, dat heb ik.
      5. Krijgen wij de cijfers? Ja, ze krijgen wij.
      6. Kan jij de brief sturen? Nee, hij kan niet.
      7. Koken jullie de eieren? Ja, ze koken.
      8. Hoor jij de muziek?…Read More

      • 5.., wij krijgen ze.
        6.., ik kan hem niet sturen.
        7…, wij koken ze.
        8..hoort het niet
        14.., dat wil ik niet.
        15.., ik heb het.
        16..dat begrijp ik niet.
        17..hij heeft hem.
        18.., dat mag jij niet (doen)

    • 1. Zie jij het boek? Ik zie het niet.
      2. Eet Simon vlees? Hij eet het niet.
      3. Willen jullie boodschappen doen? Wij willen het niet.
      4. Krijg je bezoek? Ik krijg het.
      5. Doe jij het examen? Ik doe het niet.
      6. Mogen wij hier parkeren? Nee, dat mag niet.
      7. Maak jij het huiswerk? Nee, ik maak het niet.
      8. Wil jij zitten? Nee, ik wil het niet.
      9.…Read More

    • 1. Kan jij boodschappen doen? Nee, ik kan het niet.
      2. Kan Theo zwemmen? Ja, hij kan het.
      3. Zien jullie haar huis? Nee, wij het niet.
      4. Kunt u de brief? Ja, ik kan hem.
      5. Koopt Jan het ticket? Nee, hij koopt het niet.
      6. Mag ik jouw pen lenen? Ja, je mag het.
      7. Wil jij in juli op vakantie gaan? Nee, ik wil het niet.
      8. Mogen de kinderen op…Read More

    • 1- Maak jij het huiswerk ? Nee, ik maak het niet.
      2- Heeft u het formulier? Nee, ik heb het niet.
      3- Begrijpt Anna het probleem? Nee, zij begrijpt het niet.
      4-Mag Simon binnen roken? Nee, het mag niet.
      5- Gebruikt Cornelis de wasmaschine? Nee, hij gebruikt hem niet.
      6- Kunnen zij fietsen? Nee, zij kunnen het niet.
      7- Mag ik hier parkeren? Nee, het…Read More

    • 1. Mogen wij binnen roken? Nee, dat kunnen jullie niet.
      2. Kun jij een nieuwe afspraak maken? Ja, ik kan het doen.
      3. Moeten jullie deze helm dragen? Ja, wij kunnen het.
      4. Kunt u de Franse taal verstaat? Nee, ik kan het niet doen.
      5. Mogen de kinderen morgen op straat spelen? Ja, dat mag.
      6. Mag ik in de wachtkamer wachten? Ja, jij mag het…Read More

    • 1. Mag ik mijn hond hier uitlaten? Nee, jij mag het niet.
      2. Wil je morgen met me lunchen? Ja, dat wil ik.
      3. Kunnen wij vanavond samen studeren? Ja, het kunnen we.
      4. Mag ik mijn fiets hier parkeren? Nee, jij mag het niet.
      5. Kan ik de rekening nu betalen? Ja, je kan dat.
      6. Wil je mij helpen met mijn project? Ja, dat wil ik.
      7. Moeten wij een…Read More

    • 1- Zien jullie het boek? Ja, Wij zien het niet
      2 Eten Jullie vlees? Ja, Wij eten het
      3 Wil jij boodschappen doen? Ja, Ik wil het niet
      4 Ken jij het geheim antwoord? Ja, Ik ken het
      5 Kan je zitten? Ja, Ik kan het
      6 Leveren jullie de producten? Ja, Wij leveren ze
      7 Mag ik rok? Ja, Ik kan het
      8 Mak jij huiswerk? Ja, Ik maak het
      9 Mak jij de toets?…Read More

    • 1. Mag je in de bus roken? Ne, het kan niet
      2. Kan jij onze afspraak makken? Ja, dat kan
      3. Mag ik buiten wachten? Ja, jij kan het.
      4. Willen jullie in juli met ons op vakantie gaan? Ja, dat kan.
      5. Kun jij de rekening van Bernard betalen? Nee, Ik wil het niet
      6. Kam jij de hotel van Dirk boeken? Ik kan dat niet
      7.Willen jouw vrienden vanavond…Read More

    • 1. Mag ik roken in de bus? Nee, dat mag ik niet.
      2. Mag ik wachten in de wachtkamer? Ja, jij mag het.
      3. Heb jij het gesprek? Nee, ik heb het niet.
      4. Ken jij Peter? Nee, ik ken hem niet.
      5. Maak jij jouw huiswerk? Ja, dat maak ik.
      6. Maken jullie het examen? Ja, wij maken het.
      7. Kan jij het werk doen? Ja, dat kan ik.
      8. Koop jij het eten? Nee,…Read More

    • 1. Willen jullie boodschappen doen? Ja, wij wil het.
      2. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
      3. Kan Theo zwemmen? Ja, hij kan het.
      4. Levert hij jouw product? Nee, hij levert het niet.
      5. Mag Rudolf roken? Nee, dat kan hij niet doen.
      6. Maken jullie zijn huiswerk? Ja, wij maken het.
      7. Maakt Dirk haar test? Nee, hij maakt het niet.
      8. Doe…Read More

      • 1. willen (!) dat/het doen.
        (5.., dat mag hij niet.)
        7..hem..
        9..Nee, zij wassen ze niet.
        12..praten/spreken?
        14. just “koffie”
        18.., dat kun/mag je niet.
        19..in Eindhoven harder (meer) dan ….rijden?

    • 1.Ziet hij de kat? Nee, hij ziet haar niet.
      2.Hebben ze de sleutels? Nee, ze hebben ze niet.
      3.Begrijpt ze de instructies? Nee, ze begrijpt ze niet.
      4.Kan hij zwemmen? Ja, hij kan het.
      5. Werkt de printer? Ja, ze werkt goed.
      6. Kan ik de auto lenen? Ja, jij kan hem lenen.
      7. Mag ik hier eten? Nee, je mag het niet.
      8. Kan ik een kopje thee zetten?…Read More

    • 1.Ziet hij de kat? Nee, hij ziet haar niet.
      2.Hebben ze de sleutels? Nee, ze hebben ze niet.
      3.Begrijpt ze de instructies? Nee, ze begrijpt ze niet.
      4.Kan hij zwemmen? Ja, hij kan het.
      5. Werkt de printer? Ja, ze werkt goed.
      6. Kan ik de auto lenen? Ja, jij kan hem lenen.
      7. Mag ik hier eten? Nee, je mag het niet.
      8. Kan ik een kopje thee zetten?…Read More

    • 1. Drink je het water? Ja,Ik drink het .
      2. Heeft hij het boek? Nee, hij heeft het niet.
      3. Loop jij vandaag.? Nee, Ik het niet
      4. Koop jij het brood? ja ik koop het.
      5.. Koop jij fruits? Ja, Ik Koop hem
      6. Gebruik je de tas? Nee, ik gebruik het niet
      7. Zie je het geld? Ja ik zie het
      8. Heb je het boek? Nee, ik heb het niet.
      9. Speel je het spel?…Read More

    • 1. Mag Lisa haar telefoon gebruiken tijdens de les? Nee, dat mag niet.
      2. Moet ik mijn sleutels meenemen Wanneer ik vertrek? Ja, dat moet.
      3. Kan Peter zijn huiswerk afmaken voor morgen? Ja, dat kan hij.
      4. Wil je naar de film gaan vanavond? Ja, dat wil ik.
      5. Mag ik deze stoel naar buiten verplaatsen? Ja, dat mag.
      6. Kunnen we dit probleem samen…Read More

    • 1. Eet jij het vlees? Ja, ik eet het.
      2. Kunnen jullie morgen ontbijt maken? Nee, Ik kan het niet.
      3. Mag ik jouw pen lenen? Ja, jij kan hem lenen.
      4. Wil jij in de kleine kamer slapen? Nee, ik wil het niet doen.
      5. Mag jij hier wachten? Ja, het mag.
      6. Kan jij nieuwe afspraak maken? Ja, het kan doen.
      7. Moet jij de helm dragen? Ja, het moet
      8.…Read More

      • 2. Nee, ik../Nee, wij….
        6..een nieuwe afspraak….., dat kan ik doen.
        13..elke dag een gesprek met ….? Ja, ik heb elke dag een gesprek met hem/haar.
        15..een bezwaar… >> geen bezwaar
        17.., dat kan ik (doen).

    • 1. Begrijpen jullie deze les?
      Nee wij begrijpen hij niet.

      2. Weten zij waar zij moeten parkeren?
      Nee wij weten het niet.

      3. Mag ik naar mijn werk lopen?
      Nee jij mag het niet.

      4. Mag ik mijn ouders morgen bezoeken?
      Nee het mag niet.

      5. Huren jullie dit huis?
      Nee wij huren het niet.

      6. Gaat het morgen regenen?
      Nee het gaat niet.

      7. Werken…Read More

      • 1..hem/haar
        2.. zij
        6.., het gaat niet regenen.
        7..niet op hetzelfde kantoor.
        8…hou er niet van.
        10. Stuurt u……hem…
        11..je kiest/jullie kiezen
        12..naar welke straat…
        13..het niet.
        14..kan maken?
        17.., ik ga niet met de bus.
        18..het examen doen? Nee, dat hoeft niet.
        19. Vind jij het leuk? Nee, ik vind het niet leuk.
        20..dit zwembad

    • 1. Kan hij de Franse taal verstaan? – Nee, hij kan hem niet.
      2. Mogen de kinderen op die straat spelen? – Nee, dat mag niet.
      3. Krijg jij voor hem een cadeau? – Ja, ik krijg het.
      4. Moeten jullie jullie helmen dragen? – Ja, het moet.
      5. Hoor jij mijn muziek? – Nee, ik hoor het niet.
      6. Mag je na 21.00 uur parkeren? – Ja, dat mag.
      7. Hebben jouw…Read More

      • 1. ..het (haar) niet verstaan.
        3. Koop jij….Ja, ik koop een cadeau.
        (10. Dat kan ik doen.)
        (15. Dat kunnen zij)
        17. Kook jij….
        19..hem zetten. Dat mag/kun je doen.

    • 1. Mag ik hier parkeren? – Nee, dat mag je niet.
      2. Kun jij die tas dragen? – Nee, dat kan ik niet.
      3. Mag hij naar buiten gaan? – Nee, dat mag hij niet.
      4. Moeten wij dit invullen? – Ja, dat moeten jullie.
      5. Mag zij de deur openen? – Nee, dat mag zij niet.
      6.Kunnen jullie nu vertrekken? – Nee, dat kunnen wij niet.
      7. Mag ik naar de film gaan? -…Read More

    • 1. Zie jij dat boek? Ik zie het niet.
      2. Eet Simon dat vlees? Hij eet het niet.
      3. Kunnen jullie de boodschappen doen? Nee, dat kunnen wij niet.
      4. Kennen jullie haar geheim? Ja, wij kennen het.
      5. Kunnen wij zwemmen met haar? Ja, jullie kunnen dat.
      6. Mag ik hier roken? Ja, het mag.
      7. Maken jullie jullie huiswerk? Wij maken het.
      8. Maken…Read More

      • 8..de studenten hun toets? Ja, zij maken hem.
        10. Wast het kind…Ja, hij wast…
        (14. thuisblijven)
        17..op vakantie gaan…
        18..een afspraak…
        19..Mag ik zonder helm motorrijden?
        20..de Franse taal verstaan?

    • 1. Wil je morgen koken? -> Dat ik wil.
      2. Snijdt hij de groenten? -> Hij snijdt ze niet.
      3. Moeten wij na fietsen? -> Wij moeten het.
      4. Mag jullie het boek krijgen? -> Het mag.
      5. Zal ik met haar praten? -> Jij zult het.
      6. Zien zij het konijn? -> Zij zien hem.
      7. Regent het? -> Het regent niet.
      8. Houdt hij van het uitzicht? -> Hij houdt van…Read More

      • 3. nu?
        4. Mogen/Kunnen jullie het boek krijgen?
        5. Dat moet je doen.
        8. Hij houdt ervan. (We’ll learn this later)
        10. Kunnen wij snel rennen? Dat kunnen wij.
        14..voetballen
        15. Het mag niet.
        16…zachte
        19..er niet over. (We’ll learn this later)
        20. ?

    • 1. Zien jullie dat boek? Ja wij zien dat.
      2. Eten jullie mijn vlees? Nee, wij eten het niet.
      3. Kun jij ons boodschappen doen? Nee, ik kan het niet.
      4. Kent zij jouw geheim? Ja, zij kent het.
      5. Kunnen wij hier zwemmen? Ja, jullie kunnen dat.
      6. Kun jij jouw opdrachten maken? Nee, ik kan ze niet.
      7. Mag ik in het park fietsen? Ja, dat mag.
      8. Mag…Read More

      • 3..voor ons…Dat kan ik (helaas) niet doen.
        6..kan ze niet maken.
        8.., dat mag ik niet.
        9.., dat mag je.
        10..in juli….Ja, dat wil ik.
        15. 21:00 uur…
        16. (Dat kan zij doen)
        17. Koop jij voor haar het cadeau? Ja, dat ga ik doen.
        19..contant….
        20.., dat wil ik.

    • 1. Mag ik hier parkeren?
      Ja, het mag.
      2. Kan zij op tijd komen?
      Ja, het kan.
      3. Werkt de printer?
      Ja, hij werkt.
      4. Mag hij langer blijven?
      Ja, het mag.
      5. Kan jij het raam openen?
      Ja, het kan.
      6. Mag ik je bellen?
      Ja, het mag.
      7. Kan hij de auto besturen?
      Ja, het kan.
      8. Werkt de telefoon?
      Ja, hij werkt.
      9. Mag zij het zeggen?
      Ja, het mag.
      10.…Read More

    • 1. Mag jij in Eindhoven 120 km rijden?
      a) Ja, ik kan het, maar ik mag het niet.
      2. Moeten jullie elke keer dat je fietst een helm dragen?
      a) Ja, het mag
      b) Meestal. Ik draag het vaak.
      c) Nee, ik draag het niet
      d) Nee jullie kunnen, maar het is niet een regel.
      3. Kunnen wij in het weekend onze boeken in ons hotel lezen?
      a) Jullie kunnen het.
      b) Ja,…Read More

      • 2. a. Het moet.
        b.., ik draag er vaak een.
        c.., ik draag er geen (We’ll learn about “er” later)
        d. Dat kun je doen, maar het is geen regel.
        3…c. Beter niet in het hotel, maar het kan wel in het park.
        (4. a. Dat wil ik doen.)
        5..d. Hij betaalt een deel.
        6..b. .., dat kunnen ze hier niet doen.
        7…, maar hij (wil het) wel.
        8…a..,…Read More

    • 1. Kunnen wij vandaag in het hotel verblijven? Ja, het kan.
      2. Heb je binnen Belgie naar dit dal reizen? Ja, ik heb het.
      3. Willen jullie een leger op de grens zien? Ja, wij willen het.
      4. Moeten jullie jouw land returnreen? Ja, het moet.
      5. Zullen wij het ijs eten? Ja, het zal.
      6. Mag ik op het paard zitten? Ja, het mag.
      7. Kunnen wij voetballen…Read More

      • 2..in België …gereisd? Ja, dat heb ik gedaan.
        4..teruggaan naar jullie land? Ja, dat willen wij.
        5.., dat kunnen wij doen.
        8..gezongen? Ja, dat heeft hij gedaan.
        10..Kun je Nederlands praten? Ja, dat kan ik.
        12..gezien? Nee, ik heb het niet gezien.
        13…met dit weer meer? water drinken? Nee, dat hoeft niet.
        14..in dit weer..
        15..het Frans >>…Read More

    • 1. Ken jij het geheim van Beata? Nee, ik ken het niet.
      2. Weet jij dat Joao lekkere ijs maakt? Nee, ik weet het niet 🙁
      3. Hoor je die muziek? Ja, het kan!
      4. Gaan wij samen naar museumnacht in Amsterdam? Ja, wij kunnen het.
      5. Vind jij dit boot leuk? Ja, dat vind hem leuk.
      6. Kunnen jullie deze briefjes sturen? Ja, wij kunnen het.
      7. Wil jij…Read More

      • 3.., ik hoor het.
        4.., dat kunnen we doen.
        5..deze boot
        6. Dat kunnen wij doen. / Wij kunnen ze sturen.
        8. het kleine hotel
        10..jou
        11.., dat kan ik niet (doen)
        12..het …-concert.
        13. Kan hij..
        14.., zij weet er een.
        15..geen mooie jurk.
        18.. Wil…

    • 1. Wil jij jouw fiets? Nee, ik wil het niet.
      2. Mag ik bier drinken? Ja, het kan.
      3. Heeft Bernard het gesprek met jou? Nee, hij heeft het niet.
      4. Heeft Gerard het brood? Ja, jij hebt het.
      5. Krijgen wij baby? Ja, jullie kunnen het doen.
      6. Hoor jij het vliegtuig? Nee, ik hoor het niet.
      7. Koop jij suiker? Nee, ik koop het niet.
      8. Wil Willem een…Read More

      • 1..hem niet.
        4.., hij heeft..
        5. een baby? Ja, jullie krijgen een baby.
        (7..geen suiker)
        12.., dat kan ik doen.
        13…, dat willen ze niet.
        14.., dat mag hij niet.
        15..zijn ouders werken?
        19..koken geen eieren.
        20..dit hotel…Ja, dat kan ik doen.

    • 1. Zien jullie de mensen? Ja, we zien hen.
      2. Kent zij het geheim? Nee, zij kent het niet.
      3. Wil je vanavond zwemmen? Ja, dat wil ik doen.
      4. Maken jullie vandaag jullie huiswerk? Ja, we maken het.
      5. Mag je bier drinken? Nee, dat mag ik niet.
      6. Kunnen wij in het weekend het hotel boeken? Ja, wij kunnen het doen.
      7. Kan Ferdinand de rekening…Read More

    • 1. Mag je roken in de bus? Nee, het mag niet.
      2. Wil je een nieuwe afspraak maken? Ja, ik wil het
      3. Kun je Frans? Nee, ik kan het niet.
      4. Mag de motorrijder de helm dragen? Ja, het mag.
      5. Kan ik hier wachten? Nee, het kan.
      6. Mogen kinderen op straat spelen? Nee, het mag niet.
      7. Mag ik hier na 21.00 uur parkeren? Nee, het mag niet.
      8. Wil je…Read More

      • (2.., dat wil ik doen)
        3. Ik kan geen Frans.
        (4. Dat mag hij)
        5.., dat kan/mag niet.
        11. genoeg geld=onWAT >> Ja, hij heeft genoeg geld.
        14.., ik kan het niet.
        15.., dat kan (generally)
        16.., dat kan ik (doen)
        18.., dat kan ze.
        20..geen kaas

    • 1. Wil jij vanavond uitgaan? Ja, ik wil het.
      2. Mag jij om 4 uur naar huis gaan? Ja, ik mag het.
      3. Ferdinand bouwt een schuur? Ja, Ferdinand bouwt het.
      4. Mag ik morgenochtend koffie zetten? Ja, ik mag het.
      5. Heeft Gerard kaas? Ja, Gerard heeft het.
      6. Krijgt Hendrik een baby? Nee, Hendrik krijgt het niet.
      7. Kunt u een brief sturen? Nee, ik kan…Read More

      • 3. Bouwt Ferdinand een schuur? Ja, hij bouwt er een.
        or “de schuur” >> hem
        6..geen baby
        8…ze niet
        10..geen horloge
        12.., dat wil/kan ik doen.
        14.., dat kan (generally)
        15.. ,dat kan ik doen.
        18. het geld >> het
        19.., hij mag het niet.

    • 1. Ziet je vriend het boek? Nee, hij ziet het niet.
      2. Kan Teo hier zitten? Het kan.
      3. Mag ik vandaag fietsen? Nee, dat mag niet.
      4. Kun jij om 4 uur naar huis gaan? Nee, ik kan het niet.
      5. Wander kan Ferdinand de garage bouwen? Het begint morgen.
      6. Kunnen we een kamer in het hotel boeken? Ja, jullie kunnen het boeken.
      7. Heeft jouw collega een…Read More

      • 2.., dat mag hij.
        5. Wanneer…
        7. Heeft jouw collega geld? Nee, hij/zij heeft geen geld.
        8. Wanneer..
        14.., ze mogen dat niet.
        17.., dat wil hij.
        20..in Eindhoven 120 km.u rijden?

    • 1. Mogen jullie bier drinken? Ja, dat mag.
      2. Doe jij de toetsen? Ja, ik doe ze.
      3. Eten jullie vlees? Nee, wij eten het niet.
      4. Kent zij de antwoorden? Ja, zij kent ze.
      5. Mogen jullie in de bus roken? Nee, wij mogen het niet.
      6. Hoor jij het vliegtuig? Nee, ik hoor het niet.
      7. Krijgt Henri een cadeau? Ja, hij krijgt het.
      8. Mag ik na 21:00 uur…Read More

    • 1.Kan jij boodschappen doen? Nee, ik kan het niet.
      2.Mag zij haar auto hier parken? Ja, zij mag het.
      3.Wil jij zwimmen? Ik wil het niet.
      4.Mag ik in de wachtkamer wachten? Ja, jij mag het.
      5.Mogen jullie op straat spleen? Ja, wij mogen het.
      6.Mag ik na 21:00 hier parkeren? Nee, jij mag niet.
      7.Willen jullie bier drinken? Nee, wij willen…Read More

      • 2..parkeren
        3..zwemmen
        6.., dat mag niet (generally)
        7..dat niet
        9..in het weekend een hotelkamer..
        10.., dat mag niet (generally)
        12.., dat kan ik doen.
        13.., dat kan ik doen.
        14..de rekening betalen?
        15..het adres….. > Dat kan hij.
        16..juli
        17..het verstaan
        18..een nieuwe afspraak
        19. Mag je …? >> .., dat mag niet (generally)

    • 1. Kunne jullie morgen hier roken? Nee, het kan niet.
      2. Wanneer wil je met Willem de nieuwe afspraak maken? Ik wil hem morgen maken.
      3. Kunnen jij deze uitnodiging sturen? Ja, ik kan hem sturen.
      4. Hoe kan ik de rekening hier aan u betalen? Je kunt dat bij pinnen.
      5. Wanneer wil je haar adres opschrijven? Ik wil het vanavond opschrijven.
      6. To…Read More

      • 1. Kunnen….
        (3..haar sturen)
        4..door te pinnen.
        6. Tot…
        7..het hotel niet boeken?…omdat er geen personeel is.
        8. (..mag dat met jouw collega doen)
        9. Hoe laat willen ….. ..rond 20:00
        10..omdat ik een afspraak heb.
        12..omdat hij hoofdpijn heeft.
        15. haar (/hem)
        16..omdat het sneeuwt.
        18. Cornelis
        19.., hij kent ze niet.
        (20. het niet)

    • 1. Kun jij het doen? Nee, ik kan het niet.
      2. Mag hij de presentatie geven? Ja, hij mag het.
      3. Wil jij een boek lezen? Ik wil het niet.
      4. Kun je de hond uitlaten? Nee, ik kan het niet.
      5. Mag ik je helpen met je huis werk? Ja, je mag het.
      6. Wil hij vanavond uit eten gaan? Hij wil het niet.
      7. Kun jij de deur sluiten? Ja, ik kan het.
      8. Mag zij…Read More

    • 1. Kijk jij naar de televisie? Ja, ik kijk het.
      2. Leest zij een boek? Nee, zij leest het niet.
      3. Speelt hij met een bal? Ja, hij speelt ermee.
      4. Kook jij soep? Nee, ik kook het niet.
      5. Wassen zij de auto? Ja, zij wassen hem.
      6. Luisteren jullie naar muziek? Nee, wij luisteren er niet naar.
      7. Maak jij een tekening? Ja, ik maak het.
      8. Sluit…Read More

    • 1. Mag ik binnen roken? – Het mag niet.
      2. Mogen wij een afspraak maken? – Het mag.
      3. Wil jij een kopje koffie? – Nee, ik wil geen koffie.
      4. Brengen je de kinderen naar school. – Ja, ik breng ze.
      5. Wil je de kinderen van school halen? – ja, ik wil het.
      6. Het kind huilt elke ochtend heel hard. Het helpt niet.
      7. Sneeuwt het veel in jouw…Read More

    • 1. Kan jij mijn auto verkopen? Nee, het kan niet.
      2. Heb jij mijn jas? Ik heb hem niet.
      3. Mag je 120 km/u in Eindhoven rijden? Nee, het mag niet.
      4. Kunnen jouw ouders werken? Nee, ze kunnen het niet.
      5. Wil hij ontbijt voor ons maken? Ja, hij wil het maken.
      6. Kennen jullie Karen de nieuwe medewerker? Wij kennen haar niet.
      7. Kan zij de e-mail…Read More

    • 1. Mag jij hier roken? Nee, het mag niet.
      2. Kan Willem deze nieuwe afspraak maken? Nee, hij kan het niet.
      3. Kan je de Franse taal verstaan? Nee, dat kan ik niet.
      4. Mag ik hier na 21:00 uur parkeren? Nee, het mag niet.
      5. Heeft hij het geld? Nee, hij heeft het niet.
      6. Mag ik haar auto lenen? Nee, dat mag niet.
      7. Kunnen wij in het weekend het…Read More

    • 1. Mogen wij in de bus roken? Het mag niet.
      2. Kun je Frans verstaan? Ik kan het niet.
      3. Moet je de helm dragen? Nee, het moet niet.
      4. Kunnen wij hier parkeren na 21:00 uur? Nee, wij kunnen het niet.
      5. Heeft hij mijn geld? Hij heeft het niet.
      6. Begrijp jij het probleem? Ik begrijp het niet.
      7. Wil jij morgen ontbijt maken? Ik wil het niet.
      8.…Read More

    • 1. Wil je zwemmen? Ja, dat wil ik.
      2. Kun je dit bier drinken? Ja, het kan.
      3. Kunnen we parkeren? Nee, we mogen ze niet.
      4. Mag ik morgenochtend koffie zetten? Ja, jij mag hem.
      5. Koop je dezelfde suiker? Ja, dat koop ik.
      6. Heeft Gerard jouw brood? Nee, hij heeft hem.
      7. Kunt u mijn rekening betalen? Nee, hij kan niet.
      8. Hebben…Read More

    • 1. Mogen jullie in de bus roken? Nee, dat mag niet.
      2. Wanneer wil Willem een nieuwe afspraak met ons maken? Willem wil dat nooit.
      3. Kan jij de Franse taal verstaan? Nee, ik kan het niet.
      4. Moet motorrijder de helm dragen? Ja, hij moet het.
      5. Mag ik hier wachten? Nee, dat mag niet.
      6. Mogen de kinderen op straat spelen? Ja, zij mogen het.
      7.…Read More

    • 1. Mag u hier roken? Het mag niet.
      2. Wil jij jouw nieuwe afspraak maken? Ja, dat wil ik.
      3. Kunt u de Franse taal verstaan? Ja, dat kan ik.
      4. Moet jij jouw helm dragen? Ja, dat moet ik
      5. Mag ik in de wachtkamer wachten? Ja, dat mag.
      6. Mag jij op straat spelen? Ja, het mag.
      7. Mogen wij na 21:00 uur hier parkeren? Ja, het mag.

      8. Kunnen jullie…Read More

    • 1. Mag u hier parkeren? Het mag niet.
      2. Wilt u de documenten ondertekenen? Dat wil ik.
      3. Kunt u goed Nederlands spreken? Dat kan ik niet.
      4. Moet jij je jas uittrekken? Dat moet ik.
      5. Mag ik deze stoel gebruiken? Dat mag.
      6. Kun jij de deur sluiten? Dat kan ik.
      7. Mag jij na 22:00 uur nog bellen? Dat mag niet.
      8. Moet ik op tijd komen? Dat moet…Read More

    • 1. Mogen jullie binnen roken? Nee, dat mogen wij niet.
      2. Kun jij mijn nieuwe afspraak maken? Ja, dat kan ik.
      3. Kan hij Frans verstaan? Nee, hij jan het niet.
      4. Mag ik hier wachten? Ja, jij mag.
      5. Mag jij na 21:00 uur hier parkeren? Nee, ik mag het niet.
      6. Willen jullie in juli op vakantie gaan? Ja, wij willen het.
      7. Kun jij haar adres…Read More

  • Load More Posts