-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 133
Opdracht 3
Plaats jouw antwoorden hieronder:128 Comments-
1. Ik ben aan het huiswerk maken.
2. Jij bent aan het koken.
3. Hij is aan het film kijken.
4. Zij is aan het lachen.
5. Zij zijn aan het roddelen.
6. Wij zijn aan het winkelen.
7. Jullie zijn aan het koffie drinken.
8. Ik ben aan het radio luisteren.
9. Hij is aan het dansen.
10. Wij zijn aan het picknicken. -
1. Ik ben aan het lezen.
2. Je bent aan het zitten.
3. Hij is aan het slapen.
4. Zij is aan het douchen.
5. Wij zijn aan het wandelen.
6. Jullie zijn aan het eten.
7. Zij zijn aan het koken.
8. U bent aan het lopen.
9. Ik ben aan het trainen.
10. Hij is aan het liggen. -
1. Ik ben aan het schrijven.
2. Jij bent aan het komen.
3. Zij is aan het beslissen.
4. Hij is aan het koken.
5. Wij zijn aan het slopen.
6. Jullie zijn aan het schoonmaken.
7. Zij zijn aan het spelen.
8. Jij bent aan het lopen.
9. Zij is aan het lachen.
10. Hij is aan het bellen. -
1. Ik ben aan het proberen.
2. Julia is aan het koken.
3. Wij zijn aan het lezen.
4. Jullie zijn aan het komen.
5. Jij bent aan het spreken.
6. Ze is aan het horen.
7. Eduard is aan het dromen.
8. De kinderen zijn aan het spelen.
9. Ik ben aan het repareren.
10. Ik ben aan het fietsen. -
1. Ik ben aan het zitten.
2. Jij bent aan het reizen.
3. Hij is aan het winkelen.
4. Zij is aan het wandelen.
5. Jullie zijn aan het schoonmaken.
6. Wij zijn aan het wachten.
7. Ze zijn aan het schrijven.
8. Ik ben aan het lezen.
9. Jij bent aan het kijken.
10. Zij is aan het luisteren. -
Ik ben aan het fietsen
Hij is aan het schaatsen
Zij is aan het hardlopen
Jullie zijn aan het roken
Wij zijn aan het zwemmen
De hond is aan het springen
De wind is aan het waaien
De buren zijn aan het bezoeken
Wij zijn aan het ontmoeten
Zij zijn aan het praten -
1. Ik ben mijn huiswerk aan het maken.
2. Wij zijn aan het ontmoeten.
3. Jullie zijn aan het wachten.
4. De kinderen zijn aan het spelen.
5. Mijn moeder is aan het koken.
6. Wij zijn aan het reizen.
7. Jullie zijn aan het sporten.
8. Hij is aan het zwemmen.
9. Jij bent aan het fietsen.
10. Zij is aan het dansen. -
1. Ik ben aan het lopen.
2. Jij bent aan het werken.
3. Hij is aan het slapen.
4. Zij is aan het koken.
5. Kinderen zijn aan het eten.
6. Wij zijn aan het dansen.
7. Jullie zijn aan het tuinieren.
8. Ze zijn aan het renen.
9. U bent aan het liggen.
10. Jullie zijn aan het voetballen. -
1. Je bent aan het opruimen.
2. Hij is aan het werken.
3. Ik ben aan het komen.
4. Zij is aan het trainen.
5. We zijn aan het ontspannen.
6. Hij is aan het slapen.
7. Ik ben aan het afwassen
8. Ze zijn aan het denken.
9. Zij is aan het lachen.
10. Jullie zijn aan het organiseren. -
1. Ik ben aan het studeren.
2. Je bent aan het wandelen.
3. U bent aan het fietsen.
4. Hij is aan het lezen.
5. Zij is aan het verhuizen.
6. Wij zijn aan het voetballen.
7. Zij zijn aan het zitten.
8. Ik ben aan het denken.
9. Hij is aan het drinken.
10. Zij is aan het eten. -
1. Ik ben aan het slapen.
2. Zij zijn aan het werken.
3. Zij is aan het koken.
4. Hij is aan het opbellen.
5. Wij zijn aan het winkelen.
6. Jullie zijn aan het studeren.
7. Ik ben aan het lezen.
8. Zij is aan het zwemmen.
9. Hij is aan het rennen.
10. Zij zijn aan het voetballen. -
1. Zij is aan het aankomen.
2. Ik ben aan het afwassen.
3. We zijn aan het terugkomen.
4. Ik ben aan het opschrijven.
5, Zij zijn aan het oversteken.
6, Je bent aan het uitleggen.
7. Wij zijn aan het overleggen.
8. Ik ben aan het opstaan.
9. Je bent aan het aankleden
10. Jullie zijn aan het schoonmaken. -
1. Ik ben aan het dancen.
2. Jij bent aan het koken.
3. Zij is aan het schrijven.
4. Hij is aan het schoonmaken.
5. Jullie zijn aan het zingen.
6. Wij zijn vliegen.
7. Je bent aan het slapen.
8. Ze zijn aan het studeren.
9. Hij is aan het praten.
10. Zij is aan het eten. -
1. Ik ben aan het Nederlands leren.
2. Ik ben aan het e-mail schrijven.
3. Ik ben aan het Nederlands spreken oefenen.
4. Jullie zijn aan het schoonmaken.
5. Wij zijn aan het koken
6. Zij is aan het rijden.
7. Hij is aan het afwassen.
8. Jij bent aan het bootschapen kopen.
9. Wij zijn aan het lopen.
10. Ik ben aan het luisteren. -
1. Hij is aan het leren.
2. Wij zijn aan het eten.
3. Zij is aan het appels snijden.
4. Ik ben aan het sportsen.
5. De studenten zijn aan het schrijven.
6. Ik ben aan het rijden.
7. Ik ben aan het beginnen.
8. Wij zijn aan het praten.
9. Hij is aan het oefenen.
10. Ik ben aan het tuinieren. -
1- Hij is aan het afwassen.
2- Zij is aan het slapen.
3- Zij zijn aan het eten.
4- Jullie zijn aan het lesgeven.
5- Wij zijn aan het werken.
6- Ik ben aan het zoeken.
7- Ik ben aan het lopen.
8- Jij bent aan het blijven.
9- Jullie zijn aan het praten.
10- Hij is aan het gebruiken. -
1. Ik ben aan het bellen.
2. Jij bent aan het onderhandelen.
3. Hij is aan het beschermen.
4. Zij is aan het beslissen.
5. We zijn aan het bezoeken.
6. Jullie zijn aan het vechten.
7. Ze zijn aan het reizen.
8. Ik ben aan het optreden.
9. We zijn aan het schreeuwen.
10. Jullie zijn aan het schilderen. -
1. Ik ben aan het studeren.
2. Zij is aan het koken.
3. Wij zijn een film aan het kijken.
4. Hij is aan het werken.
5. Jullie zijn aan het wachten.
6. Zij zijn aan het spelen.
7. Jij bent aan het lezen.
8. Mijn moeder is aan het schoonmaken.
9. Mijn buurman is aan het lopen.
10. De kinderen zijn aan het tekenen. -
1. Ik ben aan het schoonmaken
2. Jullie zijn aan het reizen
3.We zijn aan het fietsen
4.We zijn aan het dansen
5.Jij bent aan het bijpraten
6.Ik ben aan het koken
7.Ik ben aan het eten
8. Hij is aan het rijden
9. Zij is aan het knippen
10. Zij zijn aan het roken -
Ik ben aan het fietsen
Jij ben aan het werken
Hij is aan het fietsen
Zij is aan het praten
We zijn aan het swemen
Jullie zijn aan het koken
Ik ben aan het lopen
Hij is aan het leren
We zijn aan het eten
Jullie zijn aan het schriven -
1. Ik ben aan het binnenkomen.
2. Ik ben aan het lezen.
3. Zij is aan het zwemmen.
4. Ze zijn aan het beklimmen.
5. Ze zijn aan het feesten.
6. De baby is aan het schreeuwen.
7. Hij is aan het trekken.
8. Zij is aan het kniken.
9. Hij is aan het bellen.
10. Zij is aan het zwaaien. -
1- Ik ben aan het koken.
2- Ik ben aan het rijden.
3- Hij is aan het rennen.
4- Zij is aan het spelen.
5- We zijn aan het lezen.
6- Jullie zijn aan het komen.
7- Hij is aan het slapen.
8- Zij is aan het gaan.
9-Jij bent aan het zitten.
10- Ze is aan het zwemmen. -
1. Ik ben aan het luisteren.
2. Jij bent aan het opnemen.
3. U bent aan het denken.
4. Hij is aan het zitten.
5. Zij is aan het spelen.
6. Jullie zijn aan het antwoorden.
7. Wij zijn aan het optreden.
8. Zij zijn aan het betalen.
9. U bent aan het zoeken.
10. Ik ben aan het bidden. -
1. Ik ben aan het rijden.
2. Jij bent aan het koken.
3. Hij is aan het kopen.
4. Zij is aan het fietsen.
5. Wij zijn aan het komen.
6. Jullie zijn aan het slapen.
7. Zij zijn aan het kijken.
8. Ik ben aan het studeren.
9. Jij bent aan het eten.
10. Hij is aan het luisteren. -
1. Ik ben aan het luisteren.
2. Hij is aan het slapen.
3. Ze is aan het koken.
4. Zij zijn aan het praten.
5. Jullie zijn aan het runnen.
7. Ik ben aan het opruimen.
8. Ze is aan het proberen.
9. Jij bent aan het schoonmaken.
10. Hij is aan het meenemen.
- Load More Posts

3. zit (nu).