-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 130. Opdracht 5.
Plaats jouw antwoorden hieronder:150 Comments-
1. Ik moet het diner meenemen.
2. Hij mag thuis aankomen.
3. Wij zullen het huis schoonmaken.
4. Jij mag mijn ouders opbellen.
5. Jullie moeten jullie potloden neerzetten. -
1. Ik moet mijn tas weggooien.
2. Ik wil dit woord opzoeken.
3. Wij moeten de bioscoop binnenkomen.
4. Jij kan de vis loslaten.
5. Hij moet dat probleem aankunnen. -
1. Ik wil het woord opschrijven.
2. Ik wil het boek meenemen.
3. Wij moeten het eten klaarmaken.
4. De student moet haar huiswerk afmaken.
5. Jullie moeten het afval weggooien.
6. Hij wil het geld uitgeven.
7. Zij kan de trein instappen.
8. Ik wil de deur dichtdoen.
9. Ze kunnen het bord afwassen.
10. Jij moet samenwerken met jouw collega’s. -
1. Ik moet dit jaar afstuderen.
2. Wij gaan de borden afwassen.
3. Zij moet haar schoolwerk bijhouden.
4. Wij zullen morgen bijpraten.
5. Zij willen het concert bijwonen. -
1. Ik moet mijn studieschuld afbetalen.
2. Zij willen voor deze project samenwerken.
3. Zij wil de oude spullen weggooien.
4. Hij moet de deur dichtdoen.
5. Ik moet een beetje geld opnemen. -
1. Ik moet het woord opzoeken.
2. Jij wilt de film afkijken.
3. Hij kan het pakket ophalen.
4. Zij mag het boek openemen.
5. Wij gaan het telefoonnummer terugbellen.
6. Ze willen het geld uitgeven. -
1. Hij moet het probleem uitzoeken
2. Hij moet het licht uitdoen.
3. Wij moeten het huiswerk afmaken.
4. Ik wil met jou uitgaan.
5. Jullie gaan de brief opschrijven. -
1. Ik wil rekening terugbetalen.
2. jij kan schermtijd afnemen.
3. Hij zal tijdens de toespraak uitbarsten.
4. Jullie moeten het huis schoonmaken.
5. Wij mogen tijdens de les uitkijken. -
1. Ik moet mijn mening uitpraten.
2. Wij moeten het huis schoonmaken.
3. Je kan de laptop aanzetten.
4. Ik kan jou ophalen.
5. Jullie zullen hem wegbrengen.
6. Je moet de klanten terugbellen.
7. Jullie kunnen binnenkomen.
8. De kinderen moeten hier afblijven.
9. Hij moet de winkel opsluiten.
10. Zij moet een nieuwe jas uitzoeken. -
1. Ik moet mijn jas aantrekken.
2. Hij wil dit antwoord opschrijven.
3. Zij moeten deze boeken meebrengen.
4. Jij gaat dit bord afwassen.
5. Zij kan informatie opzoeken.
6. Hij moet deze bus instappen.
7. Ik wil mijn huiswerk afmaken.
8. Jullie willen het huis opruimen.
9. Jij moet dat teruggeven.
10. Zij wil een nieuwe mascara opdoen. -
1. Hij wil het probleem aanpakken.
2. Ik moet de vergadering afbellen.
3. Jij kan het licht aandoen.
4. U gaat het abonnement afmelden.
5. Ik moet de laptop aansluiten. -
1. Hij wil vanochtend afwassen.
2. Ik ga me aankleden.
3. Ik moet een oplossing uitdenken.
4. Zij moeten de machine opzetten.
5. Wij kunnen op deze website aanmelden.
6. Ik ga mijn spullen inpakken. -
1. Wij willen de opdracht afmaken.
2. Ik kan de bus uitstappen.
3. Jij moet het spelen doorgaan.
4. Hij kan mijn auto doorrijden.
5. Jullie zullen de oude schoenen weggooien. -
1. Ik wil het eten aanmaken.
2. Wij moeten voetbal opspelen.
3. Hij kan het diner doorbetalen.
4. Zij kunnen de vuile kleren uittrekken.
5. Jij moet het huiswerk afmaken. -
1. Ik moet met de auto meegaan.
2. Jij wilt je tand uittrekken.
3. Hij mag zijn documenten uitzoeken.
4. Ik wil met mijn collega’s samenwerken.
5. Ik wil het in mijn jas opslaan. -
1. Ik moet het kind aankleden.
2. Hij wil over het verhaal aandenken.
3. Ze zullen de voortgang bijhouden.
4. Zij moet de auto loslaten.
5. Jij wil de vogel aanraken. -
1. Ik moet de kaartjes meenemen.
2. Wij zullen de foto afhangen.
3. Zij kunnen het afspreken.
4. Jullie willen de les aanbieden.
5. Zij zullen het strand aflopen. -
1. Ik moet de huiswerk afmaken
2. Zij willen het project afkeuren
3. Hij mag op de weg aanrijden
4. Hij kan zijn jas aantrekken
5. Zij moet in de piazza uitstappen -
1. We moeten het geld naar hen overmaken.
2. Ik moet vanavond laat opblijven.
3. Ik wil morgen met jou meegaan.
4. Ze moet nu aan hen lesgeven.
5. Hij kan zijn kamer opruimen.
6. Ze willen de prijs afnemen.
7. Ik wil deze film afkijken.
8. Hij wil deze boeken meenemen op vakantie.
9. Je mag mijn jas aantrekken.
10. We moeten de afspraak afbellen. -
1- Ik moet het huis schoonmaken.
2- Hij wil een nieuw product aanschaffen.
3- Zij gaan de vergadering afbellen.
4- Wij moet het budget afkeuren
5- Kun jij dit afmaken? -
1. Hij zal de informatie nakijken.
2. Wij moeten onze vakantie uitstellen.
3. Ik wil een film afkijken.
4. Hij kan het bestand overmaken.
5. Zij mag het rapport goedkeuren. -
1. Wij kunnen ons afspraak verzetten.
2. Ik moet mijn project afmaken.
3. Ik wil de bus uitstappen.
4. Zij moeten de telefoon opnemen.
5. Ik wil mijn jas aantrekken. -
1. Ik wil mijn bed opmaken.
2. Je mag de televisie aanzetten.
3. Hij wil vroeg opstaan.
4. Zij mogen de deur opendoen.
5. Ik moet de fiets meenemen.
6. Jij mag de muziek uitzetten.
7. Zij wil de boodschappen ophalen.
8. Hij mag de auto aanzetten.
9. Ik wil mijn jas aantrekken.
10. Jij wil de hond uitlaten. -
1. Ik ga bloed afstaan.
2. Je wil deze situatie meemaken.
3. Jij kunt de vaatwasser aanzetten.
4. Zij wil bij iemand afkijken.
5. Hij zal zijn koffers inpakken.
6. We willen hun aandacht vasthouden.
7. Wij mogen ons ontbijt overslaan.
8. Jullie moeten de taken uitvoeren.
9. Ze zullen het met elkaar goedmaken.
10. Zij gaan Nederlandse tradities overnemen. -
1. U wilt de oude kleding weggooien.
2. Ze willen over dat onderwerp navragen.
3. Hij moet zijn huiswerk afmaken.
4. Zij wil dit mooie schilderij ophangen.
5. Wij willen ons werkstuk inleveren. -
1.Ik moet de uitnodiging voor de vergadering afwijzen
2.Ik moet mijn adres aanpassen bij de gemeente
3.Wij zullen de tafel droogmaken
4.We moeten ons voorstellen
5.Je moet de vaatwasser leegmaken
6.Ik ga mijn mening opschrijven
7.We mogen de vergadering opnemen
8.Ik ga jouw voorstel afkeuren
9.Mijn manager gaat het budget voor het aankomende…Read More -
1. Je kunt de doos hier neerleggen.
2. Ik moet mijn huiswerk afmaken.
3. De dokter zal het monster afnemen.
4. Jullie mogen je partner meenemen naar het feest.
5. Wij willen bij de buren aanbellen. -
1. Ik wil de hele avond thuisblijven.
2. Jij moet jouw fiets neerzetten.
3. Zij moet over jouw toekomst nadenken.
4. Wij kunnen het cadeau opendoen.
5. Jullie kunnen de zaal binnenkomen.
6. Zij wil het aanbod goedkeuren.
7. Hij wil de telefoon opnemen.
8. U kunt uw laptop meenemen.
9. Jij zal jouw afval weggooien.
10. Ik moet de beker afwassen. -
Ik moet de huiswerk aandoen
Jij moet de rapport aanpassen
hij wil de kantoor opruimen
Jullie kunnen de huisdieren uitlaten
Wij zullen onze documenten inleveren -
1. Zij moet de paraplu meenemen.
2. Hij zal het bedrag overmaken.
3. Ik wil het plan goedkeuren.
4. Jij moet de jas weggooien.
5. Zij moet de organisatie nadenken. -
1. Ik moet deze boeken weggooien.
2. Ik mag haar niet teleurstellen.
3. Jij moet jouw vakantie vooruitdenken.
4. Hij zal de tandarts terugbellen.
5. Hij mag niet mijn auto kapotmaken. -
1- Je moet je huiswerk afmaken.
2- Ik moet de zending ophalen.
3- Ze kan de jas neerleggen.
4- We moeten thuis schoonmaken.
5- Je kunt in de woonkamer uitslapen. -
1. Hij moet het abonnement aanmelden.
2. Wij willen onze warmtepomp instellen.
3. Ze zullen mijn sollicitatie goedkeuren.
4. Ik wil mijn pakket terughalen.
5. Ik moet mijn bankrekening opvragen. -
Hij moet huur meebetaalten
Ik moet het bedrijf opbelen .
Ik moet thuis aankomen .
Wij moeten werk afmaken .
Ik moet huiswerk afmaken . -
1. Ik moet deze borden afwassen.
2. Jullie kunnen haar pakket ophalen.
3. Zij mag de volgende curces inschrijven.
4. Hij wil mijn laptop meenemen.
5. Je moet je oma opbellen. -
1. Wij moeten de afspraak verzetten.
2. Zij wil haar oma opzoeken.
3. Hij kan de televisie aanzetten.
4. Ik moet de rekening betalen.
5. Jullie willen het formulier invullen.
- Load More Posts

1..bij de winkel
kanaal
opschrijven