-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 130. Opdracht 4.
Plaats jouw antwoorden hieronder:155 Comments-
1. Ik neem het diner mee.
2. Hij komt thuis aan.
3. Wij maken het huis schoon.
4. Jij belt mijn ouders op.
5. Jullie zetten jullie potloden neer. -
1. Ik bod het huis aan.
2. Rudolf raakt de tafel aan.
3. Wij praten over lunch aan.
4. Ik neem geld op.
5. ik neem de koffie mee. -
1. Ik maak het huiswerk af.
2. Jij schrijft een hoofdstuk uit.
3. Ik sta tegen jouw aan.
4. Jullie rijden de dierentuin in.
5. Ik bel je morgen terug. -
1. Ik schrijf het woord op.
2. Ik neem het boek mee.
3. Wij maken het eten klaar.
4. De student maak haar huiswerk af.
5. Jullie gooien het afval weg.
6. Hij geef het geld uit.
7. Zij stapt de trein in.
8. Ik doe de deur dicht.
9. Ze wassen het bord af.
10. Jij werkt samen met jouw collega’s. -
1. Ik bel de afspraak af.
2. Zij keurt het plan af.
3. Hij kikt de film af.
4. Je maakt het eten af.
5. We spreken vaak af. -
1. Jij maakt jouw taken af.
2. Ik betaal mijn bekeuring af.
3. Zij praat met ons bij.
4. Hij kijkt hen uit.
5. Jullie raken de hond aan. -
1. Ik zoek het woord op.
2. Jij kijkt de film af.
3. Hij haalt het pakket op.
4. Zij neemt het boek op.
5. Wij bellen het telefoonnummer terug.
6. Ze geven het geld uit. -
1. Hij maakt de kamer schoon.
2. Jullie komen thuis aan.
3. Ik doe de deur dicht.
4. Jij stapt de bus uit.
5. Ik trek mijn jas aan. -
1. Hij kleedt de kleren aan.
2. Jij komt het huis binnen.
3. Wij wassen de auto af.
4. Jullie laten de deur open.
5. Je zet de televisie aan. -
1. Wij nemen de telefoon op.
2. Hij maakt de WC schoon.
3. Jullie komen op kantoor aan.
4. Ik neem het brood mee.
5. Ik bel je terug.
6. Hij schrijft zijn naam op. -
1. Zij maken geld over.
2. Wij nemen kleding mee.
3. Zij raken het schilderij aan.
4. Hij houdt adem in.
5. Zij zetten een app op.
6. Jij slaat rechts af.
7. Wij maken het huiswerk samen.
8. Zij hebben het probleem door.
9. Hij houdt de hond af.
10. Jij geeft het resultaat door. -
1. Hij pakt het probleem aan.
2. Ik bel de vergadering af.
3. Jij doet het licht aan.
4. U meldt het abonnement af.
5. Ik sluit de laptop aan. -
1. Ik maak het eten klaar.
2. Wij spelen voetbal op.
3. Hij betaalt het diner voor.
4. Zij trekt de vuile kleren uit.
5. Jij maakt het huiswerk af. -
1. Ik doe mijn schoenen af.
2. Wij denken aan jullie.
3. Hij heeft zijn hond lief.
4. Zij keurt het plan aan.
5. Ik schrijf de tekst over. -
1. Ik gooi de boeken weg.
2. Wij nemen het geld op.
3. Hij staat me wel aan.
4. Zij stapt van de fiets af.
5. Jij kijkt de kamer rond. -
1. Ik betaal de hypotheek uit.
2. Je haalt het pakket op.
3. Ik keur het verzoek af.
4. Zij meldt het huiswerk aan.
5. Jullie kijken de factuur af. -
1. Ik neem de kaartjes op.
2. Wij hangen de foto af.
3. Zij maken de afspraak af.
4. Jullie bieden de les aan.
5. Zij lopen het strand af. -
1. Ik betaal voor de taart op
2. Wij bliven hier af
3. Jullie bellen haar af
4. Wij maken de pasta op
5. Wij werken in de kantoor samen -
1. We slaan alles op die computer op.
2. Zij geven die spullen weg.
3. Ze stapt de bus in.
4. Hij neemt de prijs toe.
5. De docent kijkt het huiswerk na.
6. Ik zet mijn kopje neer op de tafel.
7. Ze geeft geld uit aan kleding.
8. Jij gooit de afval weg.
9. Ik doe het raam dicht.
10. Ik kijk de film aan. -
1. Ik bied de cocktail aan.
2. Ze trekt de trouwjurk aan.
3. Hij zet de luidspreker aan.
4. Hij maakt de rat af.
5. We pakken onze koffer in.
6. Ik schrijf mijn gedachten op.
7. Ik haal mijn zoon van school op.
8. Ik leg de algemene voorwaarden uit.
9. Ik gooi het afval weg.
10. Ze steken de brug over. -
1- Hij doet de deur dicht.
2- Zij maken de brandstof op.
3- Ik zoek een woord in het woordenboek op.
4- Ik meld de cursus aan.
5- Wij keuren het aanbod goed. -
1. Ik ga de winkel uit.
2. Ik maak mijn project af.
3. Ik stap de bus uit.
4. Ik zoek mijn oorbelletje op.
5. Ik trek mijn jas aan. -
1. Ik sta elke dag op.
2. Ik maak het licht aan.
3. Ik ruim mijn kamer op.
4. Ik schrijf het adres op.
5. Ik doe mijn jas uit.
6. Ik neem mijn brood mee. -
1. Ik maak mijn huiswerk af.
2. Zij zet de tv aan.
3. Wij ruimen de borden af.
4. Hij zoekt een woord op.
5. Jullie nemen het vuil weg.
6. Zij maakt de keuken schoon -
1. Ik meld de les aan.
2. Je stelt het boek voor.
3. U wast de borden af.
4. Hij zet de computer aan.
5. Zij slaat de data op.
6. Wij raken dat standbeeld aan.
7. Ze laten de dieren vrij. -
1. Jullie lossen het probleem op.
2. Zij komt om acht uur aan.
3. U geeft les op school.
4. Hij maakt de tuin schoon.
5. Ik maak mijn werk af.
6. Jullie vullen jullie naam in.
7. Hij zoekt een woord op.
8. Wij geven veel geld uit aan kleding.
9. Zij stapt de bus in.
10. Ik stap over in Utrecht. -
1. Wij sluiten de winkel af.
2. Jullie gooien die kranten weg.
3. Ik stap de bus in.
4. Zij schrijven die brief uit.
5. Hij zoekt het huis af. -
Ik gooi de krant terug
Jij staat elke dag op
Ik maak het werk gebruik
Hij doet zijn huiswerk aan
Jullie maken de oefening op -
1. Ik schrijf het woord op.
2. Wij nemen de telefoon op.
3. Zij maken de deur open.
4. Ik maak de lamp aan.
5. Jij doet de jas uit.
6. Wij zetten de muziek aan. -
1. Hij raakt haar haar aan.
2. Zij neemt altijd haar telefoon mee.
3. Ze komen de kamer binnen.
4. Hij zoekt nieuwe woorden op.
5. Hij keurt het aanbood af.
6. Hij maakt de muur kapot. -
1. Zij neemt de koffie mee.
2. Hij belt zijn dienst af.
3. Hij maakt de package over.
4. Jij geeft het cadeautje weg.
5. Zij zoekt het boek af. -
1. Ik ga naar mijn huis terug.
2. Ik zoek de website op.
3. Ik raak de kat aan.
4. Ik pak mijn cadeautje uit.
5. Ik keur de PR goed. -
1- Ze maken het af.
2- Hij stapt de bus uit.
3- Hij maakt de radio aan.
4- Zij belt de deur aan.
5- Ik schrijf de cursus in. -
1. Zij zoekt haar kamer af.
2. De docent zet de computer aan.
3. Ik trek mijn favoriete jurk aan.
4. Hij kijkt naar de auto vooruit.
5. Het kind maakt de bloempot kapot. -
Hij betaalt huur mee.
Ik bel het bedrijf op.
Ik kom thuis aan.
Wij maken het werk af.
Ik maak het huiswerk af. -
1. Ik bel mijn werk terug.
2. Jij gooit het afval weg.
3. Wij komen het huis binnen.
4. Ik was het bord af.
5. Ik neem het eten mee.
- Load More Posts

1..bij de winkel aan.
2. kanaal
4..schrijft…op
5..komen in Amsterdam aan.