Dutch Course Eindhoven A2 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 month ago
  • 97

    Posts

  • 85

    Members

  • Dutchbook huiswerk:👍
    Maak 20 nieuwe zinnen/vragen.
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    211 Comments
    • 3. paardrijden? Ja, dat kan ik.
      4. Maakt….? Ja, hij maakt het.
      6. Mogen wij voetballen? Nee, dat mag niet.
      9. Wij eten hem (het).
      10. Dat wil ik.

    • 2.., dat kan ik doen.
      6.., dat wil hij doen.
      7. naar mij
      8.., ik heb koorts
      13. Turkse
      15..gaan? Ja, dat kunnen we doen.
      16..hier pinnen?
      19..niet doen
      20. Moeten jullie naar de les?

    • 4. Hij weet het niet.
      6. Ik kan ze leveren.
      13. Dat kan!

    • 3.., dat kan je niet doen.
      4.., je hebt geen bedrijf.
      5. Wil..
      8.., dat kan ik doen.
      9.., dat moeten we.
      12.., dat kun je doen.
      13.., dat kan niet.
      15.., dat kun je doen.
      16. het
      18. op straat
      20. Engelse…, ik..

    • 3.., dat kan ik niet.
      8.., dat wil ik doen.
      12..geen geld
      15.., dat kan ik doen.
      16….Kun je hier contant betalen?
      20..geen duur horloge.

    • 1.., wij zien het.
      3.., dat kan ik doen.
      4.., ik ken ze niet.
      5..lever ze niet.
      6. lopen? Ja, dat mag je.
      7. het huiswerk > het
      9..Ik kan het niet verstaan
      10.., dat kan ik doen.
      11.., dat mag je.
      12..een afspraak maken.
      13. ik heb een auto.
      14..kan het koken.
      16.., dat kan ik doen.
      17. Heeft Eduard het examen?
      19. een (!) e-mail.., dat kan ik…Read More

    • 2. een motorrijder.., dat moet.
      5. + niet
      6.., ik mag het niet.
      11. (hem)

    • 2. Kan
      10. Kun je hier pinnen? Nee, dat kan niet.
      11.., dat kun je (doen).
      12..heb (!) geluk
      13. wast..
      14.., jij mag een kopje koffie.
      15..de auto
      17.., dat kan ik doen.

    • 1. just “chocolade”
      5..niet.
      8..de activiteit > (het/haar)
      9. de …machine > hem
      12..de droom..Hij denkt er niet over.
      13. Koop
      14.., dat kun je niet.
      15.., dat mag.
      17. Kan jij autorijden?
      18. Nederlands

    • 6. Die lever ik niet/Ik lever ze niet.
      11. Ik was het.
      13. ze
      16. ze

    • (7. Jij mag het)
      10..ze
      17..je hier parkeren? Dat mag ik.
      18..met mij fietsen?

    • 6. Ik lever ze niet. Die lever ik niet.
      17. Dat kunnen we (more emphasis on us being able to)

    • (11.., dat mag hij >> more emphasis on the permission)
      14.., dat kunnen wij doen (more natural sentence for this one time-action/request)

    • 3. Ik kan het doen. Dat kan ik doen (more natural here for one time-action/request)
      4. ze
      8. doe
      9..een examen/geen examen
      10. doe
      12.., dat kan ik (niet) > personal ability
      13..een feest/geen feest
      14..in Eindhoven 120 km/u rijden?
      15..kent ons (niet)
      19.., dat lijkt me (niet zo) leuk.

    • 13..Just “wij gaan” (op vakantie) , or Wij gaan niet (op vakantie) ”
      16..Dat gaan wij doen (one time-future action)
      17…..examendag? Dat is het.
      19.., dat gaan wij (niet) doen.

    • 5. e-mail
      9. Regent het morgen?
      10.., dat kan ik (personal ability)
      11.., dat kun/moet je doen.
      14.., dat kunnen wij doen.
      15. het koekje
      16.., dat kunnen we niet.
      18..maak
      20. hij

    • 5. Wij mogen dat niet (more emphasis on permission)
      14..Ik kook het/ze (uncountable or plural groenten)
      15…een hotel boeken
      16..hier pinnen?
      20.. dat wil ik doen (one action)

    • 4…hem.
      5. Nee,
      7..ze.
      13.., dat kan ik.
      16.., dat kan (je)
      17, 18.., dat kan ik.
      19.., dat kan/mag ik niet.

    • 1..met/in mijn auto…
      2. Colombiaanse…
      5.., dat wil ik doen (clear one time-action)
      19. Wil..

    • 2..ik eet ze niet.
      8..maak
      19.., dat kunnen ze (personal ability)

    • 2. hem
      3..doe dat niet.
      5. Ja, dat mag (kleine letter)
      6.. Dat kan ik niet (personal ability)
      8. Correct. It’s about permission, can be general “Dat kan niet”or personalized “Jullie mogen het niet/Dat mogen jullie niet”

    • (1. hier zwemmen)
      6..als ik jonger ben dan 21?
      8. Lees..
      9.., dat gaan wij niet doen.
      15. Zing (!) .., ik kan dezelfde muziek zingen.
      17. .meenemen?
      18..voor mij..
      19. snel
      20. Peter..Ja, dat kan hij.

    • 2. de nieuwe afspraak….hem/haar maken
      4., dat mag je wel.
      8..kleine….daar niet slapen

    • 5…een nieuwe auto (undefined)

    • 9..het examen.
      11. Wast..
      14..heeft geen gelijk.
      15..in Eindhoven 120 km/h rijden?

    • 1. het nieuwe museum
      4. zuivelproducten
      9.., ik haal het elke dag.
      10. het rooster
      15..kunnen wij
      16. Dan kan ik niet.
      18..een andere stad
      20..maak ze.

    • 13. Wil
      17..het verstaan

    • 3.., ik krijg ze.
      4.., dat mag/dat mogen we.
      5. Bouw jij een garage? Ja, ik bouw er een.
      6. naar huis gaan
      15. Maken de studenten
      16. Koopt
      18. op vakantie? , dat mogen wij niet.
      19. ze
      20..jouw moeder? …zorg voor haar

    • 6..een biertje drinken
      13..dit weekend een hotel boeken?
      14..het adres
      18..(de) kinderen…, zij (!)/ze
      (20…, dat mag ik)

    • 1. Horen jullie de muziek? Nee, wij horen het niet.
      2. Gaat zij de tuin verzorgen? Ja, dat kan zij.
      3. Ken jij Reinier? Nee, ik ken haar niet.
      4. Wil hij daar gaan zitten? Nee, hij wil het niet.
      5. Schrijf jij de brief? Ja, dat schrijf ik.
      6. Wil jij de ijsje eten? Ja, ik wil het.
      7. Kun jij piano spelen? Ja, ik kan het.
      8. Wil jij morgen sporten?…Read More

    • 1..(and elsewhere) watch the capital letters: ja, het mag
      3. , ik kan het verstaan/begrijpen
      6.. op straat
      11..een bedrijf/geen bedrijf
      14..jij…. Ja, dat wil ik doen/dat wil ik niet doen.
      19..kan

    • 3..daar.
      5.., ik kan het (general ability)
      6.., ik zie ze
      7.., ik ga er niet naartoe.
      9. Hoe is het weer buiten?
      12.. niet lekker
      14. Ik kan het (general ability)

    • 8.., dat mag hij/zij niet.
      11.., dat mag je (kan je)
      (16. Dat kan << generally possible, not just for you)
      17..geen nieuwe auto (onWAT)
      19., dat kan/dat kun je doen

    • 1..dat niet
      4..en de kaas? Zij hebben het niet.
      5..geen cadeau (onWAT)
      6.., dat kan ik niet.
      7.., ik kan ze zeker sturen.
      16.., dat kan hij.
      17. .., dat kan ik!

    • 4.., hij doet ze.
      5..dierlijke producten >> ze
      6. Zij kent het.
      11. ze
      13.., dat kan ik niet.
      15.. een hotel..
      17..een nieuwe afspraak…, dat wil ik

    • 2..ze.
      3.. hier betalen
      6..Kan …vinden? Ja, hij kan ze vinden.
      (8. het…< not a specific animal/gender)
      14.., dat kun je doen.
      15..naar het feest? .., ik ga er niet naartoe.
      16. Zijn dit boeken? Dat zijn boeken.
      20..ze.

    • 3. levert Cornelis……levert ze.
      4.., dat mag hij.
      6..het examen? >> het
      10..krijgen
      11. het gesprek >> het
      13..een nieuwe afspraak maken? Dat wil ik.
      14..een helm…., dat moet.
      17. Dat kan hij.
      18.. de tickets.., ze
      20..koken groente (onWAT) otherwise “het” (not one concrete object)

    • 7. Vriest het buiten? Ja, het vriest.
      11.., wij gaan niet fietsen.
      12.., het staat daar niet.
      16.., dat mag je.
      18.. het/dat niet.
      19.. niet gesloten

    • 16. Ontvangen jullie de familie? Wij ontvangen ze niet (<welcome/receive)
      18. Het mag niet (anyone)

    • 1..Kan Marie pianospelen?
      12. .., zij mag dat.

    • 2..de e-mail
      (4..Mag je << no focus on "jij")
      6.., dat moet hij.
      12..hij mag het/dat niet.
      (18. het niet-uncountable mass)

    • 2..aan/bij het strand zwemmen?
      3…hem meegenomen.
      5. Ja (!)
      6. Nee, ik maak hem niet.
      8. opladen?
      (9.., dat kan ik doen)
      10.., ik heb ze niet altijd gezien.
      11..heb ze voltooid.
      12. Ben je voor het …..geslaagd? Nee, ik ben niet geslaagd.
      13…ze.
      14. Regent het nu buiten? Ja, het regent.
      15.., dat heb ik gedaan.
      17. ‘s avonds …, ik drink dan…Read More

    • 3. zij, zij
      4.., hij werkt.
      5. Werkt het …apparaat? Ja, het werkt.
      8..kopje…..Ja, dat mag je doen.
      11.., dat kan ik.
      12. Mogen…? Ja, ze mogen het.
      13..in een nieuw kantoor werken? Ja, dat wil ik.
      14..naar het concert gaan?
      15..op vakantie gaan?
      16..naar het kantoor gaan?
      18. huis (!)
      20.., dat kan ik (doen)

    • 1. de man >> hem
      3.., dat kunnen wij doen.
      5.., dat kan hij.
      6. Levert….Ja, Cornelis kan het leveren.
      7..Nee, ik..
      15…een hotel boeken? Ja, dat kan ik.
      17.., dat wil ik.
      20.het huiswerk ? >> ..maken het.

    • 5.., wij krijgen ze.
      6.., ik kan hem niet sturen.
      7…, wij koken ze.
      8..hoort het niet
      14.., dat wil ik niet.
      15.., ik heb het.
      16..dat begrijp ik niet.
      17..hij heeft hem.
      18.., dat mag jij niet (doen)

    • (4. Ja, ik krijg bezoek)
      9. Mag je ..<<people in general)

    • 1. Eet jij het vlees? Ja, ik eet het.
      2. Kunnen jullie morgen ontbijt maken? Nee, Ik kan het niet.
      3. Mag ik jouw pen lenen? Ja, jij kan hem lenen.
      4. Wil jij in de kleine kamer slapen? Nee, ik wil het niet doen.
      5. Mag jij hier wachten? Ja, het mag.
      6. Kan jij nieuwe afspraak maken? Ja, het kan doen.
      7. Moet jij de helm dragen? Ja, het moet
      8.…Read More

      • 2. Nee, ik../Nee, wij….
        6..een nieuwe afspraak….., dat kan ik doen.
        13..elke dag een gesprek met ….? Ja, ik heb elke dag een gesprek met hem/haar.
        15..een bezwaar… >> geen bezwaar
        17.., dat kan ik (doen).

    • (1. mogen)
      3.., dat moeten we.
      4..verstaan?…kan het niet.
      10…kunnen (!)
      12.., ze begrijpen het.
      (15.., wij koken ze.)

    • 3…, dat kunnen we.
      (5. je kan dat nu doen.)
      (7.+ doen)
      14…, dat hoef je niet te doen.

    • 2..jullie
      3..Nee, ik wil..
      4..het geheime…Ja, ik <> Ja, ik maak het.
      9. Maak…
      11. Nee, ik…
      15. Ja, wij (no capital letter)
      18..wil..
      (19. dat)
      20..kookt

    • 1. Nee,..
      2. maken (!)
      6..Kan jij voor Dirk een hotelkamer boeken?
      7..Nee, ze willen…
      9..op de parkeerplaats blijven? Ja, dat mag hij.
      12.., dat kan hij.
      13. Ja, wij..
      15..km/u .. Nee, het mag niet.
      19. Kent…het antwoord? …kent het..
      20., dat kan hij.

    • 1. willen (!) dat/het doen.
      (5.., dat mag hij niet.)
      7..hem..
      9..Nee, zij wassen ze niet.
      12..praten/spreken?
      14. just “koffie”
      18.., dat kun/mag je niet.
      19..in Eindhoven harder (meer) dan ….rijden?

    • 5…, hij werkt goed.
      10…haar (hem)
      17.., wij willen meegaan.

    • 3.., dat doe ik vandaag niet.
      5..het fruit >> het
      6..hem
      19..een vogel? nee, ik zie er geen.
      20.., wij kunnen het doen.

    • 2…wanneer
      (5. buiten zetten/naar buiten brengen)

      Not bad.

    • 1..hem/haar
      2.. zij
      6.., het gaat niet regenen.
      7..niet op hetzelfde kantoor.
      8…hou er niet van.
      10. Stuurt u……hem…
      11..je kiest/jullie kiezen
      12..naar welke straat…
      13..het niet.
      14..kan maken?
      17.., ik ga niet met de bus.
      18..het examen doen? Nee, dat hoeft niet.
      19. Vind jij het leuk? Nee, ik vind het niet leuk.
      20..dit zwembad

    • 1. ..het (haar) niet verstaan.
      3. Koop jij….Ja, ik koop een cadeau.
      (10. Dat kan ik doen.)
      (15. Dat kunnen zij)
      17. Kook jij….
      19..hem zetten. Dat mag/kun je doen.

    • 8..de studenten hun toets? Ja, zij maken hem.
      10. Wast het kind…Ja, hij wast…
      (14. thuisblijven)
      17..op vakantie gaan…
      18..een afspraak…
      19..Mag ik zonder helm motorrijden?
      20..de Franse taal verstaan?

    • 3. nu?
      4. Mogen/Kunnen jullie het boek krijgen?
      5. Dat moet je doen.
      8. Hij houdt ervan. (We’ll learn this later)
      10. Kunnen wij snel rennen? Dat kunnen wij.
      14..voetballen
      15. Het mag niet.
      16…zachte
      19..er niet over. (We’ll learn this later)
      20. ?

    • 3..voor ons…Dat kan ik (helaas) niet doen.
      6..kan ze niet maken.
      8.., dat mag ik niet.
      9.., dat mag je.
      10..in juli….Ja, dat wil ik.
      15. 21:00 uur…
      16. (Dat kan zij doen)
      17. Koop jij voor haar het cadeau? Ja, dat ga ik doen.
      19..contant….
      20.., dat wil ik.

    • 2…, dat kan ze.
      5.., dat kan ik doen.
      7.., dat kan hij.
      10.., dat kan ik.
      14. Ja, graag.
      15.., dat kan ze.
      17.., dat kan hij.
      20.., dat kan ik.

    • 2. a. Het moet.
      b.., ik draag er vaak een.
      c.., ik draag er geen (We’ll learn about “er” later)
      d. Dat kun je doen, maar het is geen regel.
      3…c. Beter niet in het hotel, maar het kan wel in het park.
      (4. a. Dat wil ik doen.)
      5..d. Hij betaalt een deel.
      6..b. .., dat kunnen ze hier niet doen.
      7…, maar hij (wil het) wel.
      8…a..,…Read More

    • 2..in België …gereisd? Ja, dat heb ik gedaan.
      4..teruggaan naar jullie land? Ja, dat willen wij.
      5.., dat kunnen wij doen.
      8..gezongen? Ja, dat heeft hij gedaan.
      10..Kun je Nederlands praten? Ja, dat kan ik.
      12..gezien? Nee, ik heb het niet gezien.
      13…met dit weer meer? water drinken? Nee, dat hoeft niet.
      14..in dit weer..
      15..het Frans >>…Read More

    • 3.., ik hoor het.
      4.., dat kunnen we doen.
      5..deze boot
      6. Dat kunnen wij doen. / Wij kunnen ze sturen.
      8. het kleine hotel
      10..jou
      11.., dat kan ik niet (doen)
      12..het …-concert.
      13. Kan hij..
      14.., zij weet er een.
      15..geen mooie jurk.
      18.. Wil…

    • 1..hem niet.
      4.., hij heeft..
      5. een baby? Ja, jullie krijgen een baby.
      (7..geen suiker)
      12.., dat kan ik doen.
      13…, dat willen ze niet.
      14.., dat mag hij niet.
      15..zijn ouders werken?
      19..koken geen eieren.
      20..dit hotel…Ja, dat kan ik doen.

    • 1. Mogen jullie bier drinken? Ja, dat mag.
      2. Doe jij de toetsen? Ja, ik doe ze.
      3. Eten jullie vlees? Nee, wij eten het niet.
      4. Kent zij de antwoorden? Ja, zij kent ze.
      5. Mogen jullie in de bus roken? Nee, wij mogen het niet.
      6. Hoor jij het vliegtuig? Nee, ik hoor het niet.
      7. Krijgt Henri een cadeau? Ja, hij krijgt het.
      8. Mag ik na 21:00 uur…Read More

    • 12..voor ons
      15. de afspraak > hem met de dokter maken.
      (16.., dat mag je)
      (18. + verstaan)

    • 2..parkeren
      3..zwemmen
      6.., dat mag niet (generally)
      7..dat niet
      9..in het weekend een hotelkamer..
      10.., dat mag niet (generally)
      12.., dat kan ik doen.
      13.., dat kan ik doen.
      14..de rekening betalen?
      15..het adres….. > Dat kan hij.
      16..juli
      17..het verstaan
      18..een nieuwe afspraak
      19. Mag je …? >> .., dat mag niet (generally)

    • 1. Kan jij mijn auto verkopen? Nee, het kan niet.
      2. Heb jij mijn jas? Ik heb hem niet.
      3. Mag je 120 km/u in Eindhoven rijden? Nee, het mag niet.
      4. Kunnen jouw ouders werken? Nee, ze kunnen het niet.
      5. Wil hij ontbijt voor ons maken? Ja, hij wil het maken.
      6. Kennen jullie Karen de nieuwe medewerker? Wij kennen haar niet.
      7. Kan zij de e-mail…Read More

      • (1.., dat kan ik niet)
        (3..in Eindhoven 120 km/u rijden?)
        6. Karen, de nieuwe medewerkster (+komma)
        (10. Dat kunnen wij doen > one time-action)
        12. Wij mogen het/dat niet. | Het/Dat mag niet.
        13. Nee, het/dat mag niet.
        17..heeft geen beroep.
        20…pinnen? Dat kan (hij)

    • 1. Mogen wij in de bus roken? Het mag niet.
      2. Kun je Frans verstaan? Ik kan het niet.
      3. Moet je de helm dragen? Nee, het moet niet.
      4. Kunnen wij hier parkeren na 21:00 uur? Nee, wij kunnen het niet.
      5. Heeft hij mijn geld? Hij heeft het niet.
      6. Begrijp jij het probleem? Ik begrijp het niet.
      7. Wil jij morgen ontbijt maken? Ik wil het niet.
      8.…Read More

      • 3…, het hoeft niet.
        (4..Dat kunnen/mogen we niet)
        7. Dat wil ik niet (doen)
        11. More natural > “Natuurlijk, alsjeblieft” (reaching the salt)
        12. Zij werkt niet.
        14..spelen
        16. Je mag het hebben.
        18…adres….? Ja, dat kan ik.
        19…, dat kunnen we.
        20.., dat kan ik.

    • 1. Mogen jullie in de bus roken? Nee, dat mag niet.
      2. Wanneer wil Willem een nieuwe afspraak met ons maken? Willem wil dat nooit.
      3. Kan jij de Franse taal verstaan? Nee, ik kan het niet.
      4. Moet motorrijder de helm dragen? Ja, hij moet het.
      5. Mag ik hier wachten? Nee, dat mag niet.
      6. Mogen de kinderen op straat spelen? Ja, zij mogen het.
      7.…Read More

    • 1. Mag u hier roken? Het mag niet.
      2. Wil jij jouw nieuwe afspraak maken? Ja, dat wil ik.
      3. Kunt u de Franse taal verstaan? Ja, dat kan ik.
      4. Moet jij jouw helm dragen? Ja, dat moet ik
      5. Mag ik in de wachtkamer wachten? Ja, dat mag.
      6. Mag jij op straat spelen? Ja, het mag.
      7. Mogen wij na 21:00 uur hier parkeren? Ja, het mag.

      8. Kunnen jullie…Read More

    • 1. Mag u hier parkeren? Het mag niet.
      2. Wilt u de documenten ondertekenen? Dat wil ik.
      3. Kunt u goed Nederlands spreken? Dat kan ik niet.
      4. Moet jij je jas uittrekken? Dat moet ik.
      5. Mag ik deze stoel gebruiken? Dat mag.
      6. Kun jij de deur sluiten? Dat kan ik.
      7. Mag jij na 22:00 uur nog bellen? Dat mag niet.
      8. Moet ik op tijd komen? Dat moet…Read More

    • 1. Mogen jullie binnen roken? Nee, dat mogen wij niet.
      2. Kun jij mijn nieuwe afspraak maken? Ja, dat kan ik.
      3. Kan hij Frans verstaan? Nee, hij jan het niet.
      4. Mag ik hier wachten? Ja, jij mag.
      5. Mag jij na 21:00 uur hier parkeren? Nee, ik mag het niet.
      6. Willen jullie in juli op vakantie gaan? Ja, wij willen het.
      7. Kun jij haar adres…Read More

    • (7. Dat kunnen/mogen jullie niet)
      12..het niet (uncountable)
      18..geen suiker.

    • 2. Ja, dat kan ik.
      3. Dat mogen we niet.
      4…, dat mag je.
      5…, die koop ik.
      6..het niet.
      7.., dat kan ik niet.
      8..jouw collega’s het adres? Nee, ze hebben het niet.
      10..hem lenen.
      11..ze niet maken
      15..ken hem/haar niet.
      16…, dat kan ik niet (doen)
      17.., ik maak het niet.

    • 4…de wasmachine >> .., hij werkt niet.
      5. Ja, het werkt.
      9. Ja, zij..
      (12. U >> capital letter not needed >> “u”)
      14.., jullie mogen dat niet.
      15..Ja, ik..
      (16.., dat mogen ze niet)
      20. Nee, wij..

    • 1. Kunnen wij een bordspel spelen? Ja, wij kunnen dat.
      2. Kunt u mij met mijn werk helpen? Ja, ik kan het.
      3. Kunnen wij elkaar morgen ontmoeten? Ja, dat kan.
      4. Kan zij Nederlands spreken? Ja, zij kan het.
      5. Kunnen wij naar het feest in het centrum gaan? Ja, dat kan.
      6. Maken jullie deze koekjes voor het feest? Ja, wij maken ze.
      7. Mag ik iets…Read More

    • 1. Ken jij Peter? Nee, Ik ken hem niet.
      2. Kunnen jullie de boodschappen doen? Ja, wij kunnen dat.
      3. Wil je zwemmen? Nee, ik wil het niet.
      4. Levert Cornelis deze producten? Ja, hij levert ze.
      5. Doen vrienden hun examens? Ja, hen doen ze.
      6. Ken jij Peter? Nee, Ik ken hem niet.
      7. Wie heeft jouw paspoort? De politie heeft het.
      8. Werkt het…Read More

    • 1. Zie jij het boek? Ja, ik zie het.
      2. Eet jij vlees? Ja, ik eet het.
      3. Wil jij boodschappen doen? Ja, ik wil het.
      4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
      5. Kun je zwemmen? Ja, het kan.
      6. Lever jij het bewijs? Ja, ik lever het.
      7. Maak jij het huiswerk? Ja, ik maak het.
      8. Mag ik fietsen? Ja, jij mag het.
      9. Maak jij jouw toets? Ja, ik…Read More

    • 1. Zie jij dat boek? Nee, Ik zie het niet.
      2. Eet Simon het vlees elke dag? Hij eet het niet
      3. Doen jullie boodschappen voor ons? Wij doen dat niet
      4. Ken je Peter’s geheim? Ik ken het niet
      5. Wil je met Theo zwemmen? Ik wil dat niet
      6. Wil je de producten van Cornelius leveren? Nee, Ik wil het niet
      7. Mag Rudolf hier fietsen? Ja, dat mag h…Read More

      • 9. Nee, hij maakt hem niet.
        11. Ja, ik ga morgen.
        13.. Ja, dat kan ik doen.
        14.. Ja, dat mag hij!
        15.. Nee, jij….
        17…van/bij de Intratuin? Nee, hij koopt er niet veel.
        18. e-mail… Nee, ik…
        19.. Ja, dat wil ik.

    • 1. Zien jullie mijn huis? Ja, wij zien het.
      2. Eten simon ons dierlijk product? Nee, hij eet het niet.
      3. Mag jij in de bus roken ? Nee, ik mag het niet.
      4. Wil willem nieuwe afspraak maken ? Ja, hij wil het.
      5. kan jij frans verstaan? Nee, ik versta het niet.
      6. Moet motorrijder jouw helm dragen ? Ja, hij moet hem.
      7. Mogen kinderen op straat…Read More

      • 2. Eet Simon (onze) dierlijke producten? … ze niet
        4..Willem een nieuwe afspraak…
        5. Frans…
        6. Moeten motorrijders een helm dragen? Dat moeten ze.
        9.. in een/dat hotel…
        12. het
        13..adres
        15..mijn
        18. Kookt Izaak..
        19..het cadeau

    • 1. Zien jullie hun boek? Ja, we zien het.
      2. Eet Simon dierlijke producten? Nee, hij eet ze niet.
      3. Kunnen jullie boodschappen doen? Ja! Het kan.
      4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
      5. Mogen wij hier zitten? Ja! Het mag.
      6. Levert u het bewijs? Nee, ik lever het nog niet.
      7. Mag ik binnen roken? Nee, dat mag niet.
      8. Maken jullie de…Read More

    • 17..hem
      (19.., dat kan ik doen)
      Niet slecht!

    • 8…geen geld.
      10.., dat kan ik doen.
      1, 13. person change
      14..geen test.
      19..de boodschappen…

    • 4..een geheim bewaren?
      14..Ja, dat kan ik (doen)
      17..geen brood.

    • (2. Ja, dat wil ik) Geen hoofdletter “Ik” na een komma
      12..heb geen auto.
      14. Kan ik/Kun je hier pinnen? Ja, dat kan.
      15.., dat wil hij niet/
      17.., ik koop wat eten (onbepaald)
      (18. het/haar)

    • 1.Mogen jullie in de bus roken? Dat mag niet.
      2, Kunt u de nieuwe afspraak maken? Ik kan hem niet maken.
      3, Kunt u Frans verstaan? Ik kan het niet.
      4,Moet jij de helm dragen? Het moet.
      5, Mag ik hier wachten? Dat mag niet.
      6, Mogen kinderen op straat spelen? Dat mag niet.
      7, Mag ik hier na 21 uur parkeren? Nee, dat mag niet.
      8, Kunnen jullie de…Read More

    • 1. Mag u in de bus roken? Nee, dat kan niet.
      2. Kan jij een nieuwe afspraak maken? Nee, Ik kan het niet.
      3. Kan hij Frans verstaan? Nee, hij kan het niet.
      4. Moet die motorrijder een helm dragen? Hij moet het niet (wel).
      5. Mag ik in het wachtkamer wachten? Dat kan (niet).
      6. Mogen kinderen op straat spelen? Dat kan niet.
      7. Mogen wij na 21:00 uur…Read More

      • 1.., dat mag niet.
        2…, ik…
        4. Hij hoeft dat niet/Ja, hij moet dat.
        5..de wachtkamer
        16. Kunt u pinnen?
        17..de rekeningen betalen? Dat kan ik niet.
        20. Dat kan ik doen.

    • 1. Mag ik na 21:00 uur hier parkeren? Nee, dat mag niet.
      2. Kan jij de rekening betalen? Ja, ik kan hem betalen.
      3. Willen jullie het biertje drinken? Ja, wij willen het.
      4. Kan Anna werken? Nee, zij kan het niet.
      5. Mag ik buiten wachten? Ja, jij mag het.
      6. Mag Nico blijven? Nee, hij mag het niet.
      7. Kan Dirk het hotel in het weekend boeken? Ja,…Read More

    • 1. Zie jij ons boek? Nee, ik zie het niet.
      2. Eet jij deze dierlijke producten? Nee, ik eet ze niet.
      3. Willen jullie boodschappen doen? Nee, we willen het niet.
      4. Kennen ze de antwoorden? Nee, ze kennen ze niet.
      5. Mag Theo zwemmen? Nee, hij mag het niet.
      6. Moet de motorrijder zijn helm dragen? Nee, hij hoeft het niet.
      7. Kan hij de Franse taal…Read More

    • 1. Zien jullie de man? Nee, wij zien hem niet.
      2. Eet Simon mijn appel? Nee, hij eet hem niet.
      3. Kan jij boodschappen doen? Nee, ik kan het niet. / Dat kan ik doen.
      4. Kennen jullie de antwoorden? Nee, wij kennen ze niet. / Ja, dat kennen wij.
      5. Kunnen jullie zwemmen? Nee, wij kunnen niet. Ja, dat kunnen wij.
      6. Mag ik fietsen? Nee, dat mag…Read More

    • 1. Mag ik in de bus roken? Nee, het mag niet.
      2. Willen jullie een nieuwe afspraak maken? Nee, wij willen hem niet.
      3. Kan jij de Franse taal verstaan? Nee, ik kan het niet.
      4. Moet een motorrijder een helm dragen? Ja, het moet zeker!
      5. Mag ik hier wachten? Ja, het mag.
      6. Mogen kinderen op straat spelen? Ja, het mag altijd.
      7. Mag ik na 21:00…Read More

    • 1. Mag ik jouw fiets kopen? Nee, je mag niet.
      2. Mag jij deze e-mail sturen? Ja, ik mag het.
      3. Kunnen jullie zingen? Nee, we kunnen het niet.
      4. Mag ik binnen roken? Ja, dat mag jij.
      5. Krijg jij het cadeau? Ja, ik krijg het.
      6. Begrijpen jullie het uitleg? Nee, we begrijpen het niet.
      7. Mag jij thuis blijven? Ja, dat mag.
      8. Koken jullie kip?…Read More

      • 1.., dat mag je niet.
        6..de uitleg > hem
        (7. thuisblijven)
        8..de kip > hem
        9. Zijn dat de boeken? Ja, dat zijn ze.
        13..broers > ?
        14.., ik kan het niet verstaan/begrijpen.
        18.., je mag het hebben/eten.
        20..Kan ik hier pinnen/met mijn pinpas betalen?

    • 1. Zie jij het boek? Nee, ik zie het niet.
      2. Eet jij de appel? Nee, ik eet hem niet.
      3. Willen jullie de boodschappen doen? Nee, wij willen het niet.
      4. Ken jij de antwoorden? Nee, ik ken ze niet.
      5. Wil jij zwemmen? Nee, ik wil het niet.
      6. Lever jij het product? Nee, ik lever het niet.
      7. Mag ik roken? Nee, het mag niet.
      8. Maak jij het…Read More

    • 1. Zien jullie het huis? Nee, wij zien het niet.
      2. Eet Simon dierlijke producten? Nee, hij eet ze niet.
      3. Willen jullie boodschappen doen? Ja, wij willen het.
      4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
      5. Mag wij zwemmen? Ja, het mag.
      6. Lever jij het bewijs? Ja, ik lever het.
      7. Mag ik fietsen? Ja, het mag.
      8. Maken jullie het huiswerk?…Read More

    • 1. Zie jij mijn huis? Nee, ik zie het niet.
      2. Eet jij dierlijke producten? Nee, ik eet ze niet.
      3. Kun jij boodschappen doen? Nee, ik kan het niet.
      4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
      5. Heeft Gerard zijn brood? Nee, hij heeft het niet.
      6. Kunt u de nieuwe afspraak maken? Nee, ik kan het niet. / Nee, dat kan ik niet doen.
      7. Koopt Jan…Read More

    • 1. Zien jullie het huis? Ja, wij zien het.
      2. Eet Simon deze appel? Nee, Simon eet hem niet.
      3. Kan jij boodschappen doen? Ja, ik kan het. / Ja, ik kan het doen. / Ja, dat kan ik.
      4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
      5. Kan Theo zwemmen? Ja, hij kan het/dat.
      6. Lever je de producten? Nee, ik lever ze niet.
      7. Mag ik roken? Ja, je mag…Read More

    • 1. Zie je het boek? Nee, ik zie het niet.
      2. Eet jij dit vlees? Ja, ik eet het.
      3. Kunnen jullie boodschappen doen? Ja, wij kunnen dat doen.
      4. Ken je de antwoorden? Nee, ik ken ze niet.
      5. Wil je zwemmen? Nee, ik wil het niet.
      6. Levert Cornelis mijn bewijs? Ja, hij levert het.
      7. Mag ik roken? Nee, je mag het niet.
      8. Maken jullie jullie soep?…Read More

    • 1. Mogen jullie bier drinken? Nee, het mag niet.
      2. Kan Anna werken? Ja, zij kan het.
      3. Mag jij om 4 uur naar huis gaan? Ja, ik mag het.
      4. Bouwen de buren mijn huis? Nee, zij bouwen het niet.
      5. Heeft Gerard dat brood? Nee, hij heeft het niet.
      6. Kunt u die brief sturen? Ja, ik kan het.
      7. Kan Dirk in het weekend dat hotel boeken? Nee, hij kan…Read More

    • 1-Zal jij morgen vroeg opstaan ? -Nee,ik zal het niet.
      2-Heb je vandaag winkelen? -Ja, heb het.
      3-Wil zij vandaag niet koken? -Nee, zij wil het niet.
      4-Mag ik naar buiten? -Nee,je mag dat niet.
      5-Moeten wij het boek afmaken? -Ja, we moeten het.
      6-Kun jij mij de sleutels geven?-Ja,ik kan ze.
      7-Wil hij vanavond met jou praten? -Nee,dat wil hij…Read More

      • 1…., dat zal/ga ik niet doen.
        2…gewinkeld? Ja, dat heb ik gedaan.
        6.., ik kan ze geven.
        12..het adres
        14…wil hem repareren. Dat wil hij.
        20.., ik hoef hem niet te wassen.

    • 1. Zoek je het woord? Ik zoek het.
      2. Koop jij het brood? Ik koop het.
      3. Lezen zij het artikel? Zij lezen het.
      4. Drink je het water? Ik drink het.
      5. Brengen wij het pakket? Wij brengen het.
      6. Vind jij het antwoord? Ik vind het niet.
      7. Gebruikt hij het potlood? Hij gebruikt het niet.
      8. Horen jullie het geluid? Wij horen het niet.
      9. Pak jij…Read More

      • 11. Dat doen wij.
        12. Mogen zij naar binnen?
        13. Ja, wij leven gezond.
        14. Ja, wij zingen er.
        16. Wij leren vandaag niet/Dat doen wij vandaag niet.
        17, Dat doet hij niet/Hij reist er niet mee.
        18…, zij belt niet.
        19.., hij schijnt niet.
        20.., hij maakt het niet.

    • 1. Lees jij het boek? Ja, ik lees het.
      2. Wast Leo het vlees? Ja, hij wast het.
      3. Kunnen jullie de afspraak maken? Ja, wij kunnen dat.
      4. Horen jullie de muziek? Ja, wij horen dat.
      5. Kan jij de Franse taal verstaan? Nee, ik kan dat niet.
      6. Mag ik hier parkeren? Ja, dat mag.
      7. Wil hij in juli op vakantie gaan? Nee, hij wil dat niet.
      8. Kan Otto…Read More

    • 1. Kan Lodewijk autorijden? – Ja, dat kan hij.
      2. Willen jouw vrienden vanavond uitgaan? – Ja, zij willen het.
      3. Moet jij om 4 uur naar huis gaan? Nee, dat hoef ik niet.
      4. Bouwen jouw buren een schuur? – Ja, zij bouwen hem.
      5. Heb jij een beroep? – Nee, dat heb ik niet.
      6. Krijgen wij een cadeau? – Ja, wij krijgen het.
      7. Kunt u de uitnodigi…Read More

    • 1. Maken studenten de examens? Nee, zij maken ze niet.
      2. Betaal jij de rekening? Ja, ik betaal het.
      3. Mogen wij zitten? Ja, dat mogen wij.
      4. Eet Simon het vlees? Nee, hij eet het niet.
      5. Kunnen jullie de boodschappen doen? Ja, wij kunnen het doen.
      6. Ken jij de antwoorden? Nee, ik ken ze niet.
      7. Mag Theo zwemmen? Ja, dat mag hij.
      8. Levert u…Read More

    • 1. Zal jij morgen vroeg opstaan? – Nee, ik zal dat niet.
      2. Ga jij vandaag winkelen? – Ja, ik ga dat.
      3. Wil zij vandaag koken? – Nee, zij wil dat niet.
      4. Mag ik naar buiten? – Nee, jij mag dat niet.
      5. Moeten wij het boek afmaken? – Ja, wij moeten dat.
      6. Kun jij mij de sleutels geven? – Ja, ik kan ze.
      7. Wil hij vanavond met jou praten? – N…Read More

    • 1. Kunnen wij in het weekend het hotel boeken? Nee, wij kunnen het niet.
      2. Wil jij morgen ontbijt maken? Nee, ik wil het niet
      3. Kun Ferdinand rekening betalen? Ja, dat kan hij
      4. Kun zij haar contant betalen? Nee, zij kan hem niet
      5. Wil Gerard zijn adres opschrijven? Nee, hij kan het niet
      6. Hebben jullie jouw geld? Nee, wij hebben het niet
      7.…Read More

      • 3…de/deze rekening …
        4..kan dat niet.
        7. Levert …Nee, hij kan ze niet leveren.
        8…het belang….niet
        9..de auto lenen? Nee, wij kunnen hem niet lenen.
        13..Nee, dat mag jij niet.
        14.., dat mogen ze.
        16, Moet de motorrijder …? Ja, dat moet hij/zij.
        20. Wil …..? Ja, dat wil hij/zij.

    • 1. Zien jullie het boek op de tafel? Ja, wij zien het.
      2. Schrijft zij het boek? Ja, zij schrijf het.
      3. Maak jij eten? Ja, ik maakt het.
      4. Mogen we om 4uur naar huis gaan? Ja, het mag.
      5. Doe jij huiswerk? Ja. ik doe het.
      6. Kan jij muziek spelen? Ja, ik kan het.
      7. Heb jij een gesprek met Anna? Ja , ik heb het.
      8. Ken jij haar ouders? Ja, ik…Read More

    • 1. Moet jij je huiswerk maken? Ja, ik moet het maken.
      2. Rijdt zij haar auto? Ja, ze rijdt hem.
      3. Blijf jij vandaag thuis? Ja, ik blijf het.
      4. Rijd jij vandaag de auto? Ja, ik rijd het.
      5. Kunnen wij morgen lopen? Ja, het kan.
      6. Roken jullie in mijn appartement? Nee, we doen het niet.
      7. Kan ik hem een cadeau geven? Ja, ik kan het geven.
      8. Mag…Read More

    • 1. Zien jullie haar huis? Wij zien het.
      2. Eten jullie de appel? Wij eten hem.
      3. Kunnen jullie boodschappen doen? Wij kunnen het.
      4. Ken jij het antwoord? Ik ken het.
      5. Willen wij zitten? Wij willen het zeker.
      6. Levert u de producten? Ik lever ze niet.
      7. Mag ik roken? Het mag niet.
      8. Maken jullie de opdrachten? Wij maken ze ook.
      9. Maakt Dirk…Read More

    • 1. Mag ik binnenkomen? Het mag niet.
      2. Ken je de lerar? Ja, ik ken hem.
      3. Kijken jullie een olifant? Ja, wij kijken hem.
      4. Gebruik je mijn pen? ja. ik gebruik hem.
      5. Poets je jouw tanden? Ja, ik poets ze.
      6. Ligt de pen daar? ja. hij ligt daar.
      7. Poets je de ramen? Ja, ik poets ze.
      8. Ligt de tas op tafel? Ja, hij ligt daar.
      9. Wil jij morgen…Read More

    • 1. Mag jij hier roken? Nee, ik mag het niet.
      2. Wil jij een nieuwe afspraak maken? Ja, ik wil het.
      3. Willen jullie de helm dragen? Ja, wij willen het.
      4. Mag ik buiten wachten? – Ja, ik mag het.
      5. Mogen kinderen op straat spelen? Ja, zij mogen het.
      6. Wil jij in juli op vakantie gaan? Ja, ik wil het.
      7. Wil hij deze week de fiets repareren? J…Read More

    • 1. Zie jij een boek? Ja, ik zie het.
      2. Eten jullie dierlijke producten? Nee, wij eten ze niet.
      3. Willen wij boodschappen doen? Ja, dat willen wij.
      4. Ken jij Peter? Ja, ik ken hem.
      5. Mag jij zwemmen? Nee, dat mag ik niet.
      6. Mag Rudolf roken? Nee, dat mag hij niet.
      7. Maken jullie het huiswerk? Ja, wij maken het.
      8. Doet jouw vriend examens?…Read More

    • 1. Eet jij het brood? Ja, ik eet het.
      2. Koopt Marie de bloemen? Ja, zij koopt ze.
      3. Kunnen jullie de tafel verplaatsen? Ja, we kunnen dat.
      4. Bel jij de dokter? Ja, ik bel hem.
      5. Kan hij de computer gebruiken? Ja, hij kan het.
      6. Zien jullie ons huis? Ja, wij zien het.
      7. Kan hij een gerecht met kip koken? Ja, hij kan het.
      8. Neemt hij de…Read More

    • 1-Zie jij de kat? Ja, ik zie hem.
      2-Drink jij de thee? Ja, ik drink het.
      3-Mogen wij de hond uitlaten? Ja, dat mogen wij.
      4-Helpt jij je broer? Ja, ik help hem.
      5-Wil jij het boek lezen? Ja, dat wil ik.
      6-Mag Lisa naar de film? Nee, dat mag zij niet.
      7-Doen jullie de boodschappen? Ja, wij doen ze.
      8-Ken jij Anna? Ja, ik ken haar.
      9-Mag hij de…Read More

    • 1. Mogen jullie in de bus roken? Nee, dat mag niet.
      2. Kan Willem de nieuwe afspraak maken? Nee, dat kan niet.
      3. Kan jij de Franse taal verstaan? Ja, dat kan ik.
      4. Moeten motorrijders deze helm dragen? Ja, dat moet ze.
      5. Mag ik in de wachtkamer wachten? Ja, dat mag.
      6. Mogen de kinderen op straat spelen? Nee, dat mag niet
      7. Wil jij hier een…Read More

      • 2.., dat kan hij niet.
        4..moeten
        9..in de kleine kamer… >> Dat wil hij niet.
        10.., dat mag (je).
        11.., ze hebben er een.
        12.., ik begrijp ze/die begrijp ik.
        14..je adressen..
        15..contant
        16.., dat kunnen we.

    • 1. Gaan jullie naar het feest? Nee, wij gaan niet.
      2. Wil jij morgen voetbal spelen? Ja, dat wil ik.
      3. Kent hij Anna’s geheim? Nee, hij kent het niet.
      4. Mag je hier fietsen? Ja, dat mag ik.
      5. Zie je het vliegtuig? Ja, ik zie het.
      6. Wil zij morgen ontbijt maken? Nee, zij wil het niet.
      7. Mag jij hier na 21:00 uur parkeren? Ja, ik mag het.
      8. B…Read More

    • 1. Heb jij het formulier? Ja, ik heb het.
      2.Begrijpen jullie het probleem? Nee, wij begrijpen het niet.
      3. Kun jij fietsen? Ja, dat kan.
      4, Werkt de wasmachine? Nee, hij werkt niet.
      5.Kan ik morgen thuiswerken? Ja, dat kan.
      6. Moet zij vandaag naar school? Nee, dat moet niet.
      7.Kan hij later komen? Ja, dat kan.
      8.Moeten wij nu vertrekken? Nee, dat…Read More

    • 1. Zien jullie deze mensen? Nee, we zien hen niet.
      2. Eet jij de appel? Ja, ik eet hem.
      3. Ken je het geheim? Nee, ik ken het niet.
      4. Levert u de producten? Ja, ik lever ze.
      5. Doe jij de toetsen? Ja, ik doe ze.
      6. Heeft u het geluk? Ja, ik heb het.
      7. Mogen kinderen op straat spelen? Nee, het mag niet.
      8. Kunnen jullie de auto lenen? Ja, dat…Read More

    • 1. Waar koopt Jan planten? Hij koopt ze op de markt.
      2. Kun je het hotel in het weekend zonder ons boeken? Dat kan ik.
      3. Wil hij morgen het ontbijt voor mij maken? Hij wil het niet doen.
      4. Kan Ferdinand mijn rekening betalen? Dat kan hij.
      5. Kunnen zij pinnen of contant betalen hier? Zij kunnen het allebei.
      6. Kan Gerard zijn adres opschrijven?…Read More

    • 1. Mag ik hier na 8:00 parkeren? Nee, het mag niet.
      2. Maak je de koffie? Nee, ik maak hem niet.
      3. Gebruik je de wasmachine? Nee, ik gebruik hem niet.
      4. Kunnen wij het huis kopen? Nee, wij kunnen het niet kopen.
      5. Maak je het cadeautje? Nee, ik maak het niet.
      6. Willen jullie het huis bouwen? Nee, wij willen het niet bouwen.
      7. Neem je de…Read More

    • 1. Mogen jullie in de bus roken? Nee, het mag niet.
      2. Kunnen wij een nieuwe afspraak maken? Ja, het kan.
      3. Moet jij de helm dragen? Nee, ik hoef hem niet te dragen.
      4. Mogen wij hier wachten? Ja, het mag.
      5. Mag je na 21:00 daar parkeren? Nee, het mag niet.
      6. Wil jij in een kleine kamer slapen? Ja, dat wil ik.
      7. Willen jullie in juli op…Read More

    • 1. Heb je het hemd? Ik heb het/dat.
      2. Wil je het boek? Ik wil het/dat niet.
      3. Kan ik vliegen? Je kan dat/het niet.
      4. Mag ik hard rijden langs de school? Het/Dat mag niet.
      5. Kunnen jullie een beslissing nemen? Dat kunnen wij.
      6. Moeten jullie elke dag vroeg opstaan? Dat hoeven wij niet.
      7. Moet ik van werken leven? Ik hoef het/dat niet.
      8. Zal…Read More

    • 1. Kan Anna met jou werken? Nee, Anna kan het niet.
      2. Mag jij om 4 uur naar huis? Nee, ik mag het niet.
      3. Wil haar collega vanavond uitgaan? Ja, zij wil het.
      4. Bouwt Ferdinand de garage? Nee, hij bouwt hem niet.
      5. Krijgen jullie het cadeau? Nee, wij krijgen het niet.
      6. Begrijpen zij het probleem? Nee, zij begrijpen het niet
      7. Kan jij mijn…Read More

    • 1. Mogen jullie binnen roken? Nee, het mag niet.
      2. Wil Willem een nieuwe afspraak maken? Ja, hij wil het.
      3. Kan hij Frans verstaan? Nee, hij kan het niet.
      4. Moet jij een helm dragen? Ja, ik moet het.
      5. Mag ik buiten wachten? Nee, het mag niet.
      6. Mogen de kinderen op straat spelen? Ja, ze mogen het.
      7. Mag ik hier na 21:00 uur parkeren? Nee,…Read More

    • 1. Mogen we in de bus roken ? Nee , dat mag niet
      2. Verwachten jullie een uitnodiging bij ons ? Ja , we verwachten hem bij jullie
      3. Kunt u de rekening betalen ? Ja , dat kan
      4.Willen jullie vanavond met jullie collega’s uitgaan ? Nee , we willen het niet
      5.Maakt hij morgen ontbijt ? Ja , dat kan
      6. Mogen we op kantoor bier drinken ? Nee , dat m…Read More

      • 2..van ons/jullie > ?
        (3.., dat kan ik.)
        5.., dat gaat hij doen.
        7..medewerkers? Ja, hij kent ze.
        8. Nee, zij ..
        13.., hij…
        18..werk niet met hen samen.
        19.., dat kan ik (doen)

    • 1. Heeft Bernard gelijk? Ja, dat heeft hij./ Ja, hij heeft het./ Nee, hij heeft geen gelijk.
      2. Kan hij Frans verstaan? Nee, hij kan het niet. / Nee, dat kan hij niet.
      3. Moeten motorrijders een helm dragen? Ja, dat moet./Het moet.
      4. Wil je in juli op vakantie gaan? Nee, dan wil ik het/dat niet (doen).
      5. Kunt u hun een brief sturen? Ja, dat kan…Read More

    • 1. Stuur je de foto’s naar de groep? – Ja, dat stuur ik./ Nee, dat stuur ik niet.
      2. Mogen kinderen in de bibliotheek spelen? – Ja, dat mogen zij doen. / Nee, het mag niet.
      3. Maakt hij de lunch voor ons? – Ja, dat maakt hij. / Nee, dat maakt hij niet.
      4. Wil hij het document naar de administratie sturen? – Ja, dat wil hij sturen. / Nee, dat wil h…Read More

    • 1- Zie jij de man? Ja, Ik zie hem. / Nee, Ik zie hem niet.
      2- Eet jij vanavond het vlees? Ja, Ik eet het. / Nee, Ik eet het niet.
      3- Kun jij boodschappen doen? Ja, Ik kan het. / Nee, Ik kan het niet.
      4- Kennen zij Peter? Ja, zij kennen hem. / Nee, zij kennen hem niet.
      5- Mag je bier drinken? Ja, dat mag. / Nee, het mag niet.
      6- Bouw jij een…Read More

      • 6..de garage (specifiek ) >> hem.
        8.., dat kan ik (doen).
        11, 18 etc.. “ik” (kleine letter)
        14.., ik maak …
        15.., dat wil ik (niet).
        19..lever
        20..in Eindhoven 120 km/u rijden?

    • 1. Zie jij het boek?
      Ja, ik zie het.
      2. Eet Simon vlees?
      Nee, hij eet het niet.
      3. Kunnen jullie boodschappen doen?
      Ja, we kunnen het.
      4. Kent zij het antwoord?
      Nee, zij kent het niet.
      5. Kunnen wij zwemmen?
      Ja, het kan.
      6. Kan Cornelis het product leveren?
      Nee, hij kan het niet.
      7. Mogen wij hier fietsen?
      Ja, het mag.
      8. Maak jij je…Read More

    • 1. Zie jij jouw man? Ja, ik zie hem. / Nee, ik zie hem niet.
      2. Eten jullie het vlees? Ja, wij eeten het. / Nee, ik eeten het niet.
      3. Wast zij zijn haar? Ja, zij wast het. / Nee, zij wast het niet.
      4. Willen jullie bier drinken? Ja, wij willen het. Nee, wij willen het niet.
      5. Mag jij in Eindhoven 120 km/u rijden? Ja, dat mag. / Nee, dat mag…Read More

      • 2.., wij eten/ik eet
        5. Mag je … (people in general)
        7..het brood > Ik heb het (niet)
        10.., dat kan ik (doen)
        (11..Dat wil ik.)
        14..het verstaan.
        16..afspraken maken

    • 1. Mogen jullie in de bus roken? Nee, het mag niet.
      2. Wilt u een nieuwe afspraak maken? Ja, ik wil het.
      3. Kun jij de Franse taal verstaan? Ja, dat kan ik.
      4. Moeten jullie een helm dragen? Ja, dat moet.
      5. Mag ik hier wachten? Nee, het mag niet.
      6. Mag Rudolf op straat spelen? Ja, het mag.
      7. Mogen wij na 21:00 uur hier parkeren? Nee, het mag…Read More

    • 1. Zien jullie het boek op de tafel? – Nee, wij zien het niet.
      2. Eet Simon het vlees? – Ja, hij eet het.
      3. Mogen jullie morgen zwemmen? – Ja, dat mag.
      4. Mag ik binnen roken? – Nee, dat mag niet.
      5. Krijg jij op zaterdag het feest? – Ja, ik krijg het.
      6. Kent u dit gezicht? Ja, ik ken het.
      7. Mogen wij na 9 uur hier parkeren? – Nee, dat mag nie…Read More

    • 1. Mogen jullie in de bus roken? —– Nee, dat mag niet.
      2. Wilt Willem onze nieuwe afspraak maken? —– Ja, hij wil het.
      3. Kunt u de franse taal verstaal? —– Nee, ik kan het niet.
      4. Moet motorrijder een helm dragen? —– Ja, dat moet.
      5. Mag ik hier wachten? —– Ja, dat mag.
      6. Mogen kinderen op straat spelen? —– Nee, zij mogen het niet.
      7. Mag ik hie…Read More

      • 2. Wil ….
        3..Franse ….. Ik kan het niet verstaan/begrijpen.
        4..een motorrijder
        8. Wil …
        9. Heeft (!) … Ja, hij heeft hem.
        10..(ze niet)
        11..betalen
        12. Kan (!)
        14..een/het hotel boeken
        15. Dat koopt hij.
        16. Zij hoort geen geluiden.
        19.., zij werken niet.
        20..dit gezicht? Ja, hij (!) kent hem/haar.

    • 1. Kunnen jullie in Eindhoven 120 km/u rijden? Nee, dat kan niet.
      2. Kan Anna werken? Ja, zij kan het.
      3. Heeft Gerard het brood? Ja, Gerard heeft het.
      4. Willen jullie bier drinken? Ja, jullie willen het.
      5. Wil hij morgen ontbijt maken? Nee, hij wil het niet.
      6. Begrijpt zij het probleem? Ja, zij begrijpt het.
      7. Kun jij een e-mail sturen? Ja,…Read More

    • 1. Kunnen jullie met haar werken?
      Ja, wij kunnen het.
      2. Wil je op de bank zitten?
      Nee, ik wil het niet.
      3. Kun jij in het weekend het hotel boeken?
      Ja, ik kan het boeken.
      4. Mag Rudolf op straat spelen?
      Ja, het mag.
      5. Kun jij de boodschappen doen?
      Ja, ik kan het.
      6. Mag Theo zwemmen?
      Ja, het mag.
      7. Maak jij het huiswerk?
      Nee, ik maak het…Read More

    • 1. Heeft je broer het treinkaartje? – Ja, hij heeft het.
      2. Werkt het navigatiesysteem in de auto? – Ja, het werkt.
      3. Kent je collega het nieuwe programma? – Ja, zij kent het.
      4. Past het schilderij boven de bank? – Ja, het past.
      5. Leest je vader het nieuws elke ochtend? – Nee, hij leest het niet.
      6. Begint het instappen op tijd? – Nee, het be…Read More

    • 1.mag je bier drinken? Ja, dat mag.
      2.Mag Hicham an khawla zitten? Ja, dat mag.
      3.Kan jij werken vandag ? Ja, ik kan het.
      4.Maken je het huiswerk? Nee, ik make het niet.
      5. Heb jij geld? Nee, ik heb het niet.
      6.Mag ik het boek ? Ja, Jij mag het.
      7.Werkt de pen? Hij werkt niet.
      8.Begrijp jij het probleem? Ik begrijp het niet.
      9.Kan jost morgen…Read More

  • Load More Posts