Dutch Course Eindhoven A2 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 month ago
  • 97

    Posts

  • 85

    Members

  • Dutchbook huiswerk:👍
    Boek. Pagina 116
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    217 Comments
    • 1. Ja, ik kan het.
      2. Ja, wij willen dat.
      3. de….? Ja, ik zie hem.
      4. Ja, dat mag (je).
      5. .., ik wil het niet.
      6. (naar)
      7. just Nederlands>> Ik leer/studeer het niet.
      9. Wil hij….? Nee, hij wil het niet.

    • 1. Dat mag je. (permission)
      4. Hij vindt hem daar niet.
      6. Wij kunnen dat niet./Dat kunnen we niet.
      7. Dat wil ik.
      10…, dat kan hij niet.

    • 1. Dat kunnen we.
      4. Heeft hij het koud? Ja, hij heeft het koud.
      5. Just “Ja”
      6. Zij doet het.
      7. Dat mag hij niet.
      8. ..hier eten.>> Dat kan.
      9. Kunt u op maandag? >> Dan kan ik niet.

    • 1. de vaatwasser
      4..naar de cursus Nederlands gaan? Ja, dat moet ik.
      5. Nederland. Ja (!)
      9..mij helpen met boodschappen doen?

    • 2..naar de radio luisteren?
      4..op het feest…
      5..een team maken? Ja, dat kunnen we doen.
      9..Kun je in Eindhoven…? Ja, dat kan.

    • 2..ik..
      3. ik
      4.., dat kan ik.
      5. ik
      7.., hij staat daar.
      8.., dat hoeven wij niet.
      9. naar ..? Ja, dat kunnen wij.
      10.., hij slaapt.

    • 3. auto’s
      4. vragen
      5.., dat mag je niet.
      8. Jij kan hem kopen.
      10., ze liggen daar.

    • 3.., het is gesteld.
      7.., het is vers.

    • 2.., hij werkt niet.
      3..schoonmaken? Ja, dat kan ik.
      4..op deze fiets..
      5. het bos
      9. Gaat u met de trein? Nee, ik ga niet met de trein.
      10.., je/u mag hem hebben.

    • 2. + gebruiken.
      3.., dat kunnen jullie doen.
      6. , het
      9.., dat mag hij doen.
      10.., dat kan ik.

    • 2. voetballen
      9. vakantie

    • 2. Dat kan hij.
      5. Moet jij naar het centrum gaan? Dat moet ik.
      6. ?
      7. Dat wil hij.
      8. Dat kan ik.
      (9. Dat kan zij)

    • 2..het koffiezetapparaat
      4.., het is vers.
      6..een pizza bakken/maken?
      8..naar de radio luisteren? ..(dat mag je)

    • 4.., dat mag ze (more emphasis on Anna)
      7. Hij doet het niet.
      8.., wij kunnen komen (more emphasis on wij)

    • 1.., je mag het niet hebben/eten etc.

    • 2.., hij stopt daar.
      4.., het is vlak.
      5.., je mag het hebben/eten…

    • 2.., Ja, dat kan ik (personal ability)
      (5..hem hebben/eten etc..)
      7. Werken de wasmachines? Nee, ze werken niet.

      Instead, put commas after Ja/Nee,…

    • Regent het? Ja, het regent.
      ..
      Heb je het heet?
      Het is bewolkt.

      de taart >> Jij mag hem hebben/eten etc.
      roken >> Het mag niet (more emphasis on permission)

    • (7.., dat mag je >> more emphasis on you)

    • 2.., dat mag niet (more emphasis on permission)
      3.., dat kan ik (personal ability)
      4.., dat kan ik niet (personal ability)
      6.., dat kan ik niet (personal ability)
      8. WAT opnemen? (geld opnemen?)
      9. This is OK if it’s about possibility/permission
      10..Dat kunnen we niet (personal ability)

    • 8…dichtdoen
      8. friet
      10.., dat kun/moet je doen.

    • 2.., hij werkt
      4..in/met jouw auto rijden? Dat mag/kan OR Dat mag je (more emphasis on the person)
      6..Nee, dat (lower case)

    • 4.. Dat kan ik niet.
      5..de uitnodiging

    • 9..honden naar buiten meenemen?

    • 2. de winkel
      6. Dat kan hij
      (8. Het helpt niet)

    • 3.., het moet klaar zijn.
      4.., hij is nog goed.
      5. Hij staat daar.
      7. just “pinnen”
      8. Nee, niets nodig, bedankt.
      9. mooi/fijn

    • 4…de, hij werkt
      6. Schijnt de zon vandaag? Ja, hij schijnt.

    • 7.., hij werkt niet.
      9. Welnee, het maakt niet uit.

    • D:
      1..daar fietsen?
      4. Kunnen wij hier praten?

    • 2. Ja, dat wil ik!
      4..jullie rekening betalen? Ja, dat kunnen we!
      7.., ik koop geen horloge.
      8. de muziek
      9.., ik kan het niet koken.
      10…, dat kan ik niet.

    • 2..jij fietsen? Dat kan ik.
      3..daarnaartoe gaan? Ja, het kan/dat kunnen wij.
      7. Kun je (people in general)
      10..hoe laat het is?

    • 1. Wil je naar de film gaan? Ja, ik wil dat.
      2. Kun jij Indonesich spreken? Ja, dat kan ik.
      3. Kunnen zij goed zwemmen? Ja, zij kunnen dat.
      4. Mag ik je boek lenen? Nee, dat mag niet.
      5. Kan ik je helpen? Ja, je kunt dat doen.
      6. Regent het buiten? Ja, het regent.
      7. Kunnen varkens vliegen? Nee, dat kunnen ze niet.
      8. Mag ik hier parkeren? Nee,…Read More

    • 1.., je mag het niet/dat mag je niet.
      2..hem ophalen (singular de-object)
      3.., daar staat het niet.
      4.., hij werkt (de-word)
      5.., ik werk dan
      6.., dat kan niet (in general)
      7.., we kunnen hem daar kijken.
      (10. , dat kunnen we doen)

    • 1.., dat mag (je)
      4.., je mag het hebben/gebruiken.
      5.., ik heb het.
      6.., het mag hier niet.
      7. Het regent niet
      10. Het is niet koud (can’t replace an INFowoord like koud)

    • D
      1. (dat kan ik vandaag niet)
      2.., dat kan ik niet (< personal)
      3.., dat kan hij niet (< personal)
      4.., dat mogen ze niet (< de kinderen)
      5. Is OK if it is generally not allowed (for anyone)

    • 4. Dat kunnen/doen we
      5..schaatsen? Dat kan ze
      8. Ze mogen dat.
      9.., je mag het hebben.
      10. Hij kan het.

    • 5.., hij
      6.., dat kan ik (personal ability)
      7. hij/zij
      8.., dat kan ik
      9.., dat mag (je)

    • 2.., hij ligt ..
      3..ze zijn niet nieuw (can’t replace an INFowoord)
      7.., dat kun je doen.
      8..spelen

    • 1. Kun je (general) hier fietsen?
      3.., dat kan ik (<personal ability)
      4. Kun je ..(general possibility)
      5.., dat kan ik (personal ability)
      7. Kun je ..(<generally allowed)
      (10.., dat mag je)

    • 1.., dat mag ik.
      3…, ik zal haar zien.
      4. Mag je op de bus wachten? .., dat mag ik (<personal)
      5..autorijden? Nee, dat kan ik niet.
      6.., dat mag ik.
      7.., dat kan ik niet (personal)
      9…reageren? ja, dat zal ik doen.
      10. (, dat mag ik)

    • 4…, je mag het gebruiken/hebben etc.

      D
      ..2. , ik kan het/dat niet.
      3..een film kijken?, ik wil het niet
      4..dat niet

    • 1.., hij werkt niet.
      2..daarnaartoe gaan?
      3.., dat kan ik doen.
      4. Mag je (< in general)

      D

      2.., dat kan ik.
      3..bij jou (thuis) slapen?
      4.., je koopt het niet.

    • 4. Dat kan ik niet.
      6.., dat kan ik.
      8.., ik ga hem maken.

    • (2.., dat kan ik niet doen).
      8.., dat ga ik doen.

    • 1.., dat kan ik.
      2.., dat kan ik/ik kan hem betalen.
      4..een/de bril dragen? Ja, dat mag.
      5.., dat kan ik.
      6.. in het weekend werken?, ..ik..
      7..het is niet mistig.
      9.., dat kan ik niet.
      10…, ik kan het niet.

    • (2..hier spelen?)
      5. Regent het?
      7. (+eten/hebben)

    • 3.., dat kan ik.
      4..wachten?
      6..Kan ik het nu vertellen? nee, dat kan nu niet.
      (8. ,dat kan nu niet)
      9.., dat mag je.

    • 3.., het is duur.
      4…spelen? Ja, dat kan ik.
      7..niet warm.
      8…, dat kan/mag ik niet.
      9.., dat kan ik niet.
      10. Het regent…

    • 4..het is niet schoon.
      7.., dat mag ze.
      10..eet daar niet.

    • 2.., dat maak ik open.
      2..het fruit eten?
      3.., ik ken het (dat ken ik)
      4.., ik heb het.
      5.., ik zie het
      6..ik speel niet op dat instrument (..speel dat instrument niet)
      7…, ik gebruik het niet.
      8…, dat kan ik niet.
      9…daar ga ik niet naartoe.
      10..Ik rijd niet op het paard.

    • 1. Kan ik een pauze tijdens de les nemen? Ja, het kan.
      2. Mag jij hier blijven? Nee, het mag niet.
      3. Moet jij na het eten water drinken? Ja, het moet.
      4. Zal ik mijn camera morgen brengen? Nee, het zal niet.
      5. Mag ik foto nemen? Nee, het mag niet.
      6. Kan ik die auto kopen? Ja, het kan.
      7. Werkt de afwasmachine? Ja, hij werkt
      8. Moet ik zonnebril…Read More

    • 1..mogen (kunnen)
      3..olifant (Hij kan hem niet zien)
      5.., ze kunnen het.
      6.., het/dat mag niet.

    • 1. Nee,..
      2.., dat kan ik doen.
      3..euro.
      6. je mag het zien (hebben)
      7. Kunnen (!)
      9. Kunnen (!) ..met mij… Dat kunnen we.
      10.., dat mag.

    • 4..in het weekend…
      5..tv…Dat willen we niet.
      7..komen
      8..elke dag….

    • 8.., dat kan ik doen.
      10…met “somebody else” praten? Dat kan ik.

    • 1. Mogen (!) .., dat mogen jullie niet.
      4.., het is altijd schoon.
      6..niet koud.
      9..staan

    • 2.., dat kunnen we.
      3.., dat kan ik.’
      4…het ligt erin.
      6..daar fietsen? .., dat kan ik niet.
      8.., dat kan/mag ik niet.
      (10. ..mag niet)

    • 1..die stoel? Die mag je niet gebruiken (/hebben)
      2. buiten fietsen
      4..Kunnen (!) wij onze taal hier spreken? Ja, het kan/mag.
      (5. Het mag niet)
      6..Dat mogen ze.
      7..bouwen

    • 2…buiten doen?
      >> Nee, het kan niet. (+ komma)
      3. ‘s avonds
      4..koelkast
      5..leg hem niet op de tafel/leg hem er niet op.
      7..hem niet.
      8..dat niet/hem niet afsluiten.

    • 2…naar de cursus/les lopen? Ja, dat kan zij.
      5.., dat kan hij.
      7.., dat kunnen wij niet.
      8.., dat kan ik niet.

    • 2. Dat kan ik.
      3..parkeren

    • 2.., dat kan hij.
      9. Moet ik betalen?
      10. Zal ik dat doen? Dat kun je doen.

    • 2…tijdens…
      9…Kun jij het verhaal opnieuw vanaf het begin vertellen? Nee, dat kan ik niet.

    • 1..naar buiten gaan?
      4.., hij staat daar niet.
      5..Het is open.
      6. Mogen jullie hier komen?
      9. Kan zij tennissen? Dat kan ze.

    • 6.., dat kan ik niet.
      7… ik kan het niet (begrijpen).
      9…, dat kan ik.

    • 2.., ik wil het niet lezen.
      5…, hij staat…
      7..e-mail
      10.., dat kan hij.

    • Poetic sentences.

      3. Hij…
      8. Hij zingt altijd met…

    • 3.., dat wil ik.
      5.., je mag het hebben.
      6.., wij sluiten het niet.
      7.., dat kunnen wij niet.
      8..drink geen water.
      9.., ik ken het niet.
      10..Ziet u…? Ik zie het/hem/haar niet.

    • 5..helpen verhuizen?
      6..het juiste antwoord? Ja, ik zal het doen. Nee, ik kan het niet.

    • 3.., dat kan ik doen.
      5.., dat kun je doen.
      9…, het zal niet regenen.
      10…gemaakt.

    • 1. Mag ik rijden? Ja, het mag.
      2. Kan ik het huiswerk doen? Nee, het kan niet.
      3. Kunnen wij in het huis bakken? Ja, dat kan.
      4. Mag ik dit raam sluiten? Nee, dat mag niet.
      5. Moet ik lopen? Nee, dat hoeft niet.
      6. Kan ik jou bellen? Ja, het kan.
      7. Wil jij dit kopen? Nee, dat wil niet.
      8. Moet ik vandaag koken? Ja, dat moet.
      9. Moeten jullie naar…Read More

    • 9.., dat kan ik (helaas) niet.

    • 7.., jij mag dat niet/..,dat mag jij niet.
      8.., dat kan ik doen.
      10..het niet?

    • 1. Mag ik nu gaan? Ja, het mag.
      2. Kan jij dit boek leren? Ja, het kan.
      3. Mag Marie hier eten? Ja, het mag.
      4. Kan ik eerder weg vandaag? Nee, het kan niet.
      5. Kan ik iets drinken? Ja, het kan
      6. Kan ik deze auto kopen. Ja het kan.
      7. Staat het eten klaar? Nee, het staat niet klaar.
      8. Mag ik met mijn vriend buiten spelen? Ja, het mag.
      9. Mag ik…Read More

    • Recept C
      1. Werkt het toestel? Ja, het werkt.
      2. Mag ik het cadeau openen? Ja, het mag.
      3. Kan ik hier roken? Ja, het kan.
      4. Werkt het raam? Ja, het werkt.
      5. Kan ik boodschappen doen? Ja, het kan.
      Recept D
      Het kan niet
      1. Werkt het horloge? Het werkt niet.
      2. Mag ik het kopje? Nee, het mag niet.
      3. Kan jij hier slapen? Nee, het kan niet.…Read More

    • Recept C
      1. Kan ik hier werken? Ja, dat kan.
      2. Mag ik het chocolaatje? Ja, dat mag.
      3. Wil jij muziek luisteren? Ja, ik wil het.
      4. Kunnen jullie pasta maken? Ja, dat kunnen we.
      5. Mag je daar roken? Ja, dat mag.
      Recept D
      1. Kan jij het huiswerk maken? Nee, dat kan niet.
      2. Kan jij het ontbijt voorbereiden? Nee, dat kan niet.
      3. Mag ik jouw…Read More

    • Recept C:
      1. Werkt het internet? Ja, het werkt.
      2. Regent het? Ja, het regent.
      3. Is het belangrijk? Ja, het is belangrijk.
      4. Smaakt het eten goed? Ja, het smaakt goed.
      5. Mag het raam open? Ja, het mag.

      Recept D:
      1. Sneeuwt het? Het sneeuwt niet.
      2. Mag het brood op tafel? Het mag niet.
      3. Kan jij hier blijven? Het kan niet.
      4. Werkt het…Read More

    • Recept C
      1. Kunnen wij hier roken? Ja, het kan.
      2. Mag ik buiten lopen? Ja, het mag.
      3. Kan jij hier zwemmen? Ja, het kan.
      4. Willen wij de film daar kijken? Ja, het wil.
      5. Werkt de computer? Ja, hij werkt!

      Recept D
      1. Kunnen wij hier spelen? Nee, het kan niet.
      2. Mag ik buiten roken? Nee, het kan niet.
      3. Kan jij hier zwemmen? Nee, het kan…Read More

    • Recept C
      1. Kan ik jouw koffie drinken? Ja, het kan.
      2. Werkt de wasmachine? Ja, hij werkt.
      3. Kunnen wij de taart eten? Ja, het kan.
      4. Mag ik tv kijken? Ja, het mag.
      5. Kunnen wij deze auto kopen. Ja, dat kunnen jullie.

      Recept D
      6. Kunnen wij op de muur schrijven. Nee, dat kunnen jullie niet.
      7. Mag ik naar boven gaan. Nee, het mag niet.
      8. Kan…Read More

    • C
      2…, hij werkt.
      5.., het ligt daar.
      D
      2.., hij werkt niet.
      5.., het ligt daar niet.

    • 1.., dat kan ik.
      2.., ik koop het niet.
      3…die rekening…? Nee, dat kan ik niet.
      4. Geef jij haar het cadeau? Ja, ik geef het aan haar.
      6..de film ….. Nee, dat wil ik niet.
      7…, dat wil ik.
      8.., dat kan ik.
      9.., ik kook ze niet.

    • 2…roken
      5. Kan ik hier schrijven?
      6. Nee, het kan niet.
      7..roken
      8. Nee, het mag niet.
      9. Nee, je mag geen koffie.
      10. Kan/Mag ik hier schrijven? Nee, dat kan/mag niet.

    • Recept C
      1. Mag ik iets vragen? Ja, het mag.
      2. Kan ik hier zwemmen? Ja, het kan.
      3. Werkt jouw telefoon? Ja, het werkt.
      4. kunnen we hier wandelen? Ja, het kan.
      5. Mag ik bellen naar politie? Ja, het mag.
      Recept D
      6. Werkt het systeem? Nee, het werkt niet.
      7. Mag ik sluit het raam? Nee, het mag niet.
      8. Kunnen we annuleren het feest? Nee, het kan…Read More

      • Corrected some mistakes.
        Recept C
        1. Mag ik iets vragen? Ja, het mag.
        2. Kan ik hier zwemmen? Ja, het kan.
        3. Werkt jouw telefoon? Ja, het werkt.
        4. kunnen we hier wandelen? Ja, het kan.
        5. Mag ik naar politie bellen? Ja, het mag.
        Recept D
        6. Werkt het systeem? Nee, het werkt niet.
        7. Mag ik het raam sluiten? Nee, het mag niet.
        8. Kunnen we het…Read More

    • Recept C
      1. Kunnen wij film kijken? Ja, dat kan.
      2. Werkt het koffiezetapparaat? Ja, het werkt.
      3. Mag ik in dat park lopen? Ja, het mag.
      4. Kan ik die auto kopen? Ja, het kan.
      5. Mag ik het koekje eten? Ja, het mag.
      Recept D
      1. Mag ik hier roken? Nee, dat mag niet.
      2. Mag ik hier drinken? Nee, het mag niet.
      3. Is de apotheek open? Ja, hij is…Read More

    • 1. Mag ik praten? Ja, het mag.
      2. Mag ik weggaan? Ja, het mag.
      3. Kan hij rennen? Ja, het kan.
      4. Kan ze zwemmen? Ja, het kan.
      5. Mogen we wachten? Ja, het mag.
      6. Mag ik binnenkomen? Nee, het mag niet.
      7. Mogen ze komen? Nee, het mag niet.
      8. Mogen we praten? Nee, het mag niet.
      9. Kun je luisteren? Nee, het kan niet.
      10. Kunnen ze zien? Nee, het kan niet.

    • Kunnen wij hier parkeren? Nee, Jullie kunnen het niet
      Werkt de afwas? Ja, hij werkt
      Wil je de film kijken? Ja ik wil het
      Mag ik hier roken? Ja jij mag het
      Kun jij tennisen? Ja het kan
      Mag ik jou foto’s sturen? Ja het mag
      Werkt jouw televisie? Nee, hij werkt niet
      Wil je morgen lopen? Nee, ik wil het niet
      Wil hij ruzie maken? Nee, hij wil het n…Read More

      • Nee, dat kunnen/mogen jullie (hier) niet.
        de afwasmachine
        Ja, ik wil het…Ja, jij mag het etc… (+ komma!)
        tennissen >> Ja, dat kan ik.
        “Ga jij volgens kijken?” > ?

    • Recept C
      1. Kunnen wij hier parkeren? Ja! Het kan.
      2. Start het toestel? Ja! Het start.
      3. Mag ik hier werken? Ja! Het mag.
      4. Kunnen we gaan? Ja! Het kan.
      5. Werkt jouw idee? Ja! het werkt.
      Recept D
      1. Ontbreekt het antwoord? Nee, het ontbreekt niet.
      2. Vertrekt het vliegtuig? Nee, het vertrekt niet.
      3. Kunnen we hier roken? Nee, het kan niet.
      4.…Read More

    • Recept – C
      1. Mag hij jullie jas aandoen ? Ja! Het mag!
      2. Moet zij nu weggaan ? Ja! Het moet!
      3. Kunnen jullie hier verhuizen ? Ja! Het kan!
      4. Moeten wij daar parkeren ? Ja! Het moeten.
      5. Werkt jullie internet ? Ja! Het werkt.

      Recept – D

      6. Mogen jullie binnen roken ? Nee, het mag niet.
      7. Kunnen wij hier zitten ? Nee, het kan niet.
      8. Lij…Read More

    • (7. opendoen)
      10.., dat kan ik niet. / Ik haal het niet.

    • 7..just “.., ik kan niet”

    • 2. tv
      9…, je mag er geen.
      (10. ..ze)

    • 2…, (hij/zij lacht)
      5…, zij…

    • 1..Mogen…
      5.., dat kan ik.
      6…, dat kan hier niet.

    • -c-
      1. Kan ik hier roken? Ja, het kan.
      2. Kunnen wij om 6 uur? Ja, het kan.
      3. Mag zij zo luid praten? Ja, het mag.
      4. Kunnen wij het gereedschap gebruiken? Ja, het kan.
      5. Mag ik hier zwemmen? Ja, het kan.
      -d-
      1. Lukt het met je huiswerk? Nee, het lukt niet.
      2. Mag ik hier eten? Nee, het mag niet.
      3. Kan je op vrijdag? Nee, ik het kan niet.
      4.…Read More

    • Recept C

      1. Mag zij morgen thuisblijven? Het mag.
      2. Mogen wij in de snelweg 100 km/u rijden. Dat mag.
      3. Mag ik thuiswerken? Dat mag.
      4. Kan hij daar spelen? Dat kan.
      5. Kunnen wij naar de sterren kijken? Het kan.

      Recept D
      6. Mag ik tijdens het werk naar een film kijken? Dat mag niet.
      7. Mogen wij hier koffiedrinken? Nee, het mag niet.
      8. Mag…Read More

    • Recept C
      1. Werkt het koffiezetapparaat? Het werkt.
      2. Zwemt het visje? Het zwemt.
      3. Kan ik het dier aaien? Ja, dat kan.
      4. Is het idee goed? Dat gaat.
      5. Vliegt het vliegtuig? Het vliegt.
      Recept D
      1. Regent het? Het regent niet.
      2. Rijdt het voertuig? Het rijdt niet.
      3. Verfraait het de kamer? Het verfraait hem niet.
      4. Helpt het advies? Nee,…Read More

    • Recept C
      1. Mag ik binnenkomen? Ja, het mag.
      2. Werkt het instrument? Ja, het werkt.
      3. Mogen jullie gaan? Ja, het mag.
      4. Kunnen we sporten? Ja, het kan.
      5. Mag ik hier parkeren? Ja, het mag.
      Recept D
      1. Kunnen we komen? Nee, het kan niet.
      2. Werkt het programma? Nee, het werkt niet.
      3. Mag ik daar roken? Nee, het mag niet.
      4. Mag ik 150 km/u op…Read More

    • Recept C
      1. Mag ik binnenkomen? Ja, het mag.
      2. Kan je morgen thuis komen? Ja, het kan.
      3. Mogen wij buiten zitten? Ja, het mag.
      4. Kunt u morgen op kantoor komen? Ja, het kan.
      5. Werkt de wasmachine? Ja, hij werkt.

      Recept D
      1. Kunnen jullie naar Amsterdam rijden? Nee, het kan niet.
      2. Mag ik Engels spreken? Nee, het mag niet.
      3. Mag ik…Read More

    • Recept C:
      1. Mag ik hier zitten? Ja, het mag!
      2. Kun jij haar bellen? Ja, het kan.
      3. Kunnen we samen werken? Ja, het kan!
      4. Mag ik jou auto rijden? Ja, het mag.
      5. Kun jij het raam sluiten? Ja, het kan!

      Recept D:
      1.Mag ik hier zitten? Nee, het mag niet!
      2.Kunnen jullie samen tennissen? Nee, het kunnen niet.
      3.Kan jij wacht? Nee, het kan…Read More

    • 1. Kan ik op het bed liggen? Ja, het kan.
      2. Mag ik het toilet gebruiken? Ja, het mag.
      3. Groeit het gras? Ja, het groeit.
      4. Mag ik het licht aandoen? Ja, het mag.
      5. Slaapt dit dier? Ja, het slaapt.
      —
      6. Ken jij het verhaal? Nee, ik ken het niet.
      7. Kan jij planten water geven? Nee, ik kan het niet.
      8. Kan jij in een vliegtuig slapen? Nee, ik k…Read More

    • Recept C:
      1. Mag ik buiten roken? Ja, het mag!
      2. Kunnen wij hier voetballen? Ja, het kan!
      3. Kunnen jullie buiten muziek luisteren? Ja, het kan!
      4. Kan jij hier zitten? Ja, het kan!
      5. Kunnen wij het hotel blijven? Ja, het kan!
      Recept D:
      1. Vriest het nu? Nee, het vriest niet!
      2. Waait het hard? Nee, het waait niet!
      3. Sneeuwt het vandaag? Nee,…Read More

    • Recept C:
      1. Mag ik het museum bezoeken? Ja, het mag./ Ja, dat mag.
      2. Kunnen we hier roken? Ja, het kan. / Ja, dat kan.
      3. Kan ik het licht aandoen? Ja, het kan./ Ja, dat kan.
      4. Mag ik het snoepje eten? Ja, het mag./ Ja, dat mag.
      5. Mag ik jouw fiets lenen? Ja, het mag./ Ja, dat mag.

      Recept D:
      1. Mag ik het ijsje eten? Nee, dat mag niet./ Nee,…Read More

    • 1. Kunnen wij hier voetbal spelen? Ja, het kan.
      2. Mag ik tijden de les een vraag stellen? Ja, het mag.
      3. Mag ik ‘s ochtend jouw naar jouw praktijk bellen? Ja, het mag.
      4. Kunnen ze voor de wedstrijd water drinken? Ja, het kan.
      5. Mag ik morgen vrij nemen? Ja, het mag.
      6. Mag ik roken? Nee, het mag niet.
      7. Kunnen wij in zijn achtertuin koken?…Read More

    • RECEPT C
      1. Mag ik roken? Ja, het mag.
      2. Mag ik drinken? Ja, het mag.
      3. Mag ik hier gaan zitten? Ja, het mag.
      4. Werkt het apparaat? Ja, het werkt.
      5. Kan ik Nederlands leren? Ja, het kan.
      RECEPT D
      1. Mag ik hier parkeren? Nee, het mag niet.
      2. Mag ik een advies geven? Nee, het mag niet.
      3. Mag ik buiten spelen? Nee, het mag niet.
      4. Kan hij…Read More

    • Recept C:
      1. Jeroen, kan ik een wijziging maken? Ja, het kan.
      2. Anna, mag ik een beetje rusten? Ja, het mag.
      3. Werkt het koffiezetapparaat? Ja, het werkt.
      4. Mogen wij naar de station lopen? Ja, het mag.
      5. Mag ik tv kijken? Ja, het mag.
      Recept D:
      6. Kan ik na tien uur ‘s avonds gitaar spelen? Nee, dat kan niet.
      7. Mogen wij op het fietspad p…Read More

    • Recept C
      1- Wil jij televisie kijken?- Ja,het wil.
      2- Kun jij vandaag studeren?-Ja,het kan.
      3- Mag ik het boek meenemen? -Ja,het mag.
      4- Werkt het apparaat? -Ja,het werkt.
      5- Helpt het medicijn? -Ja,het helpt
      Recept D
      1- Zal het morgen warm worden?-Nee,het zal niet.
      2- Werkt het plan?-Nee, het werkt niet.
      3- Mag het raam open blijven? -Nee,het…Read More

    • Recept C
      1. Regent het vandaag? Ja, het regent.
      2. Kunnen jullie binnen praten? Ja, het kan.
      3. Werkt het horloge? Ja, het werkt.
      4. Mag ik binnen drinken? Ja, het mag.
      5. Kunnen de kinderen spelen? Ja, het kan.
      Recept D
      6. Kan hij roken? Nee, het kan niet.
      7. Waait het buiten? Nee, het waait niet.
      8. Werkt het raam? Nee, het werkt niet.
      9. Mag…Read More

    • Recept C:
      1. Kunnen jullie sporten? Het kan
      2. Mogen wij naar het feest? Het mag
      3. Werken jullie op maandag? Het werken
      4. Zwemmen jullie elke dag? Het zwemmen
      5. Regent het vandaag? Het regent
      Recept D:
      6. Helpt hij morgen op school? Het helpt niet.
      7. Eet hij vaak in de kantine? Het eet niet.
      8. Gaan jullie vanavond naar de film? Het gaan…Read More

      • 2. Dat mogen wij.
        3. Wij werken dan.
        4.., dat doen wij (elke dag)
        6…, hij helpt niet.
        7..Hij eet daar niet.
        8. Wij gaan niet.
        9. Zij slaapt daar/er niet.
        10. Hij gaat niet met de bus.

    • Recept C:
      1. Sneeuwt het nu? Ja, het sneeuwt.
      2. Kan ik later komen? Het kan.
      3. Moeten we wachten? Het moet.
      4. Rijdt de bus vandaag? Het rijdt.
      5. Helpt schrijven bij stress? Het helpt.
      Recept D:
      6. Mag ik hier harde muziek luisteren? Het mag niet.
      7. Mogen we in de bus eten? Het mag niet.
      8. Begint de vergadering op tijd? Nee, het begint…Read More

    • Recept C:
      1. Kan jij hen bezoeken? Ja, het kan
      2. Regent het vandaag? Ja, het regent.
      3. Vriest het buiten? Ja, het vriest.
      4. Kookt het ei? Ja, het kookt.
      5. Rent het paard? Ja, het rent.

      Recept D:
      6. Sneeuwt het morgen? Nee, het sneeuwt niet.
      7. Vliegt het vogeltje? Nee, het vliegt niet.
      8. Breekt het glas? Nee, het breekt niet.
      9. Is het…Read More

    • Recept C:
      1. Mag ik de taart? Ja, dat mag.
      2. Kunnen jullie een film kijken? Nee, dat kunnen wij niet.
      3. Wil jij korting geven? Ja, dat wil ik.
      4. Moet jij rennen? Ja, het moet ik.
      5. Regent het? Ja, het regent.

      Recept D:
      1. Moeten wij met de bus rijden? Het hoeft niet.
      2. Kan jij Nederlands spreken? Dat kan ik niet.
      3. Wil hij komen? Het wilt…Read More

    • Recept C.
      1. Mag ik hier parkeren? Ja, het mag.
      2. Kunnen we samen fietsen? Ja, het kan.
      3. Mag Ik hier roken? Ja, het mag.
      4. Mogen de honden binnen? Ja, het mag.
      5.Kan ik de fiets berijden? Ja, het kan.

      Recept D:
      6. Mag ik hier parkeren? Nee, het mag niet
      7. Kunnen we samen fietsen? Nee, het kan niet
      8. Mag Ik hier roken? Nee, het mag niet
      9.…Read More

    • Recept C:
      1. Willen jullie vanavond uitgaan? Ja, wij wil het
      2. Kunnen jullie autorijden? Ja, Wij kan het
      3. Wilt u bier drinken? Ja, ik wil het
      4. Was jij jouw hoofd? Ja, Ik doe het
      5. Ken jij Karels gezicht? Ja, ik ken het.

      Recept D:
      1. Mag ik om 4 uur naar huis gaan? Nee, het mag niet.
      2. Kunnen jullie werken? Nee, het kan niet
      3. Wil jij een…Read More

    • Recept C:
      Gaat het licht aan? – Ja, het gaat aan.
      Brandt het vuur goed? – Ja, het brandt goed.
      Mag het pakket hier blijven? – Ja, het mag.
      Valt het examen mee? – Ja, het valt mee.
      Past het woord in de zin? – Ja, het past.
      Recept D:
      Komt het pakket vandaag? – Nee, het komt niet.
      Klopt het antwoord? – Nee, het klopt niet.
      Blijft het scherm aan? –…Read More

    • Recept C

      1. Kunnen wij hier lopen? Ja, het kan.
      2. Wil jij Nederlands leren? Ja, het wil.
      3. Kun jij me bellen? Ja, het kan.
      4. Kunnen wij hier roken? Ja, het kan.
      5. Wil jij een kopje koffie? Ja, het wil.

      Recept D
      1. Rookt het? Ja, het rookt
      2. Breekt het mes? Nee, het breekt niet.
      3. Kookt het water? Nee, het kookt niet.
      4. Loopt het…Read More

    • Recept C:
      1. Kan ik langs het strand wandelen? Ja, het/dat kan.
      2. Kunnen wij op die stoelen zitten? Ja, het/dat kan.
      3. Mogen wij binnenkomen? Ja, het/dat kan.
      4. Staat het instrument hier? Ja, het staat hier.
      5. Kunnen we vandaag eerder vertrekken? Ja, het/dat kan.
      6. Werkt de wasmachine? Ja, hij werkt.

      Recept D:
      1. Mag ik hier na 20:00 uur…Read More

    • Recept C:
      1. Kunnen we de wedstrijd hier bekijken? Ja, het kan.
      2. Kunnen ze op deze scène optreden? Ja, het kan.
      3. Wil je een nieuwe beschaving ontdekken? Ja, ik wil het.
      4. Kunnen wij onze medewerkers ontwikkelingsmogelijkheden bieden? Ja, het kan.
      5. Mogen we onze spullen in de kluis plaatsen? Ja, het mag.
      Recept D:
      6. Mag je op de vogels…Read More

    • Recept C:
      1. Mag ik hier zitten? Ja, het mag.
      2. Mag ik vanavond tv kijken? Ja, het mag.
      3. Kun je met mij meegaan? Ja, het mag.
      4. Mag ik een vraag stellen? Ja, het mag.
      5. Mag ik morgen thuis blijven? Ja, het mag.
      Recept D:
      1. Mag je hier fietsen? Nee, het mag niet.
      2. Mag ik vanavond laat opblijven? Nee, dat mag niet.
      3. Mag je in de klas eten?…Read More

    • Recept C
      1. Werkt het nieuwe toetsenbord? Ja, het werkt.
      2. Kunnen de vogels buiten zingen? Ja, dat kunnen ze.
      3. Mag ik dit boek lenen? Ja, het mag.
      4. Mag ik hier zitten? Ja, het mag.
      5. Kunnen jullie de afspraak verzetten? Ja, dat kunnen wij.
      Recept D
      6. Kan hij vandaag komen? Nee, het kan niet.
      7. Hoor je het alarm? Nee, het hoort niet.
      8.…Read More

    • Rec C
      1. Werkt het systeem? Ja, het werkt.
      2. Helpt het hulpmiddel? Ja, het helpt.
      3. Reageert het programma snel? Ja, het reageert.
      4. Gaat het project goed? Ja, het gaat goed.
      5. Mag het document worden gedeeld? Ja, het mag.
      Rec D
      1. Werkt het internet nu? Nee, het werkt niet.
      2. Geldt het nieuwe beleid al? Nee, het geldt niet.
      3. Schijnt de zon…Read More

    • Recept C
      1- Mag ik roken hier? Ja, het mag.
      2- Kan hij binnen? Ja, dat kan.
      3- Mogen zij zitten? Ja, dat mag.
      4- Mag jij nu eten? Ja, het mag.
      5- Mag ik auto rijden? Ja, het mag.

      Recept D
      1- Mag ik roken hier? Nee, het mag niet.
      2- Mogen wij op maandag bezoeken? Nee, het mag niet.
      3- Kan zij direct na de operatie lopen? Nee, het kan niet. Eerst…Read More

    • Recept C:
      Kunnen we dit document bewerken? Ja, het kan.
      Kunnen ze de presentatie voorbereiden? Ja, het kan.
      Mag ik de laptop even gebruiken? Ja, het mag.
      Kunnen jullie de apparatuur installeren? Ja,het kan.
      Mag ik deze bestanden delen? Ja, het mag.
      Recept D:
      Kan jij dit pakket nu afleveren? Nee, het kan niet.
      Kunnen we contant betalen? Nee, het…Read More

    • Recept C:
      1-Start het apparaat? Ja, het start.
      2-Werkt het plan? Ja, het werkt.
      3-Verandert het schema morgen? Ja, het verandert.
      4-Klopt het antwoord? Ja, het klopt.
      5-Lukt het experiment? Ja, het lukt

      Recept D:
      1-Werkt het licht in de kamer? Nee, het werkt niet.
      2-Gaat het overleg door vandaag? Nee, het gaat niet door.
      3-Geldt de korting nog…Read More

    • Recept C
      1. Kunnen wij morgen reizen?Ja, dat kan.
      2. Beginnen de lessen? Ja, ze beginnen.
      3. Komt het pakket vandaag? Ja,het komt.
      4. Regent het buiten? Ja, het regent.
      5. Moeten we wachten? Ja, dat moet.
      Recept D
      6. Werkt het internet vandaag? Nee,het werkt niet.
      7. Vertrekt de trein nu? Nee, hij vertrekt niet.
      8. Kookt het eten? Nee, het kookt…Read More

    • Recept C:
      1. Mag ik nu koken? Ja, het mag.
      2. Werkt het toetsenbord? Ja, het werkt.
      3. Kun jij voetbal spelen? Ja, dat kan ik.
      4. Kunnen wij hier zitten? Ja, dat kunnen jullie.
      5. Kan ik jouw pen gebruiken? Ja, je kunt hem.
      Recept D:
      1. Werkt jouw televisie? Nee, hij werkt niet.
      2. Sneeuwt het? Nee, het sneeuwt niet.
      3. Kan jij mijn huiswerk doen?…Read More

    • Recipes C
      1. Mag ik het raam openen? Ja, het mag.
      2. Kan ik hier parkeren? Ja, dat kan.
      3. Moet ik morgen werken? Ja, dat moet.
      4. Mag zij eerder weggaan? Ja, dat mag.
      5. Kan hij vanavond komen? Ja, dat kan.

      Recipes D
      1. Doet de computer het? Nee, hij doet het niet.
      2. Rijdt de trein vandaag? Nee, hij rijdt niet.
      3. Is de lift in het gebouw? Nee,…Read More

      • C. 4..(, dat mag ze.)
        5.., dat kan hij.
        D. 3.., die is er niet (“hij is er niet” sounds like a person isn’t there)
        (5. Doet de radio het nog? Nee, hij doet het niet meer.)

    • Recept C
      1. Zit zijn geld in uw portemonnee? Het zit (daar).
      2. Helpt muziek tegen depressie? Het helpt.
      3. Is dit jouw telefoonnummer? Het klopt.
      4. Regent het vandaag in Eindhoven? Het regent.
      5. Hoe gaat het met je nieuwe baan? Het gaat.
      Recept D
      6. Loopt het met je nieuwe project? Het loopt niet.
      7. Proberen we misschien een nieuw vaccin? Het…Read More

    • Recept C
      1. Kunnen wij buiten in de tuin zitten? Ja, het kan.
      2. Mag ik de afspraak afzeggen? Ja, het mag.
      3. Mag ik op de wifi? Ja, het mag.
      4. Kan je het afval buiten zetten? Ja, het kan.
      5. Werkt de machine? Ja, hij werkt.

      Recept D
      1. Kan ik het licht uitzetten? Nee, het kan niet.
      2. Kunnen we de vergadering inkomen? Nee, het kan niet.
      3. Mag…Read More

    • _C_
      1. Kun je mijn ouders ontmoeten? Ja, het kan.
      2. Mag hij hier eten? Ja, het mag.
      3. Mogen ze hun hond meenemen? Ja, het mag
      4. Staat het bed daar? Ja, het staat daar.
      5. Kan ik mijn nieuwe T-shirt dragen? Ja, het kan.

      _D_
      6. Kunnen wij onze kleding online bestellen? Nee, het kan niet.
      7. Moeten ze naar het ziekenhuis gaan? Nee, het hoeft…Read More

    • C
      1. Mag ik buiten roken? Het mag.
      2. Kunnen wij laat slapen? Het kan.
      3. Werkt de wasmachine? Hij werkt.
      4. Moeten wij tandenpoetsen? Het moet.
      5. Zal ik rustig in de trein blijven? Het zal.
      D
      1. Je neemt af nadat je veel hebt gegeten. Het helpt niet.
      2. Mag ik in de bus roken? Het mag niet.
      3. Mogen wij fietsen stelen? Het mag niet.
      4. Kan ik…Read More

    • C
      Kunnen we nu vertrekken? Ja, het kan.
      Kan de afspraak morgen? Ja, het kan.
      Is het museum open? Ja, het is open.
      Slaapt het kind? Ja, hij slaapt.
      Mag de hond rennen? Ja, het mag.

      D
      Mag de baby slapen? Nee, hij mag niet.
      Is het museum open? Nee, het is niet open.
      Ligt het geld in de kast? Nee, het ligt niet.
      Sluit het raam goed? Nee, het sluit…Read More

    • C
      Mag ik het boek leren? Ja, het mag
      Ligt de tafel hier? Ja, hem ligt hier
      Is dit haar huis? Ja, het is
      Kunnen jullie het huiswerk doen? Ja, het kan
      Wil de hond vanavond komen? Ja, hem wil
      D
      Mag ik daar fietsen? Nee, het mag niet
      Werk jij dit weekend? Nee, het werkt niet
      Is het huiswerk moeilijk tedoen? Nee, het is niet
      Maak ze boven dansen?…Read More

      • ..lezen?
        .., hij ligt hier.
        .., dat is het.
        .., dat kunnen we (doen)
        Wil hij de hond vanavond meenemen? Ja, dat wil hij.
        D
        ..
        .., ik werk dit weekend niet.
        ..te doen? Nee, dat is het niet.
        Mag ze …… Nee, dat mag ze niet.
        …, dat ga ik niet doen.

    • Recept C
      1 Kunt u hier roken? Ja, het kan.
      2. Kan ik hier parkeren? Ja, het kan.
      3. Kan zij morgen thuiswerken? Ja, het kan.
      4. Kunnen jullie de deuren openen? Ja, het kan.
      5. Werkt de computer nu? Ja, hij werkt.

      Recept D
      6. Mag zij hier parkeren? Nee, het mag niet.
      7. Kan hij vandaag komen? Nee, het kan niet.
      8. Werkt de televisie? Nee, hij…Read More

    • C:

      Mogen de studenten tijdens de les iets eten? Ja, het mag.
      Is het bewolkt? Ja, het is.
      Is het duidelijk? Ja, het is.
      Mag ik binnenkomen? Ja, het mag.
      Kunnen wij hier vuur maken? Ja, het kan.

      D:

      Mag je de verkeersregel overtreden? Nee, het mag niet.
      Mag het beest in het midden van de stad leven? Nee, het mag niet.
      Je maakt je huiswerk niet.…Read More

    • C:
      1. Mag ik je zonnebril lenen ? Ja ,dat mag
      2. Mag ik in op zaterdag stofzuigen? Ja , het mag
      3. Kan je me het boek aangeven ? Ja het kan
      4. Zullen we geld opnemen voordat we gaan naar Duitsland ? Ja , het kan wel
      5. Kan je lactosevrij milk kopen ? Ja dat kan

      D:
      1. Mogen we tijdens de toets onze telefoon gebruiken ? Nee , het mag niet
      2. Mogen…Read More

    • 1. Regent het vandaag? – Ja, het regent.
      2. Werkt het apparaat in de keuken? – Ja, het werkt.
      3. Klopt het antwoord in het boek? – Ja, het klopt.
      4. Mogen kinderen buiten spelen? – Ja, het mag.
      5. Stopt het geluid? – Ja, het stopt.
      6. Werkt het nieuwe speelgoed? – Nee, het werkt niet.
      7. Begint het programma op tv om zeven uur? – Nee, het begi…Read More

    • Recept C

      1. Mogen wij het appelsap drinken? – Ja, het mag.
      2. Opent het raam in de woonkamer? – Ja, het opent.
      3. Kan ik jouw pen lenen? – Ja, het kan.
      4 Mag ik mijn scherm delen? – Ja, het mag.
      5. Werkt het strijkijzer juist? – Ja, het werkt.

      Recept D

      1. Mag hij in de keuken roken? – Nee, het mag niet.
      2. Kunt u het nummer opschrijven…Read More

    • Recept C
      1- Kun jij vanavond koken? Ja, Ik kan het.
      2- Mogen jullie buiten spelen? Ja, het mag.
      3- Werkt het in Amersfoort? Ja, het werkt.
      4- Lees je dit boek? Ja, Ik lees het.
      5- Kun jij het glas brengen? Ja, Ik kan het.
      Recept D
      1- Wil jij dat huis kopen? Nee, Ik wil het niet.
      2- Kun jij dit tafeltje brengen? Nee, Ik kan het niet.
      3- Kijk jij…Read More

    • 1. Kan jij hier morgen parkeren?
      Ja, het kan.
      2. Kan ik jou vanavond bellen?
      Ja, het kan.
      3. Kunnen wij hier zaterdag werken?
      Ja, het kan.
      4. Kan ik de kamer gebruiken?
      Ja, het kan.
      5. Kunnen wij om 8 uur komen?
      Ja, het kan.
      6. Kan ik hier vandaag zwemmen?
      Nee, het kan niet.
      7. Kunnen wij naar de winkel gaan?
      Nee, het kan niet.
      8. Kunnen wij hier…Read More

    • Recept C
      1) Mag ik om 11 uur terugkomen? Ja, het mag.
      2) Mag ik je met mijn vragen storen? Ja, het mag.
      3) Gaat het boek over Nederlandse geschiedenis? Ja, het gaat over Nederlandse geschiedenis.
      4) Mag ik te laat komen? Ja, het mag.
      5) Kan ik het huiswerk van iedereen corrigeren? Ja, het kan.

      Recept D
      1) Mag jij iedereen in Nederland schieten?…Read More

    • 1. Kunnen wij hier voetbal spelen? Ja, het kan.
      2. Kunnen wij hier schrijven? Ja, het kan.
      3. Mag ik in het Amsterdamse kantoor werken? Ja, het mag.
      4. Mogen wij hier parkeren? Ja, het mag.
      5. Werkt het Koffiezeaparaat? Ja, het werkt.

      6. Mogen wij hier roken? Nee, het mag niet.
      7. Regent het? Nee, het regent niet.
      8. Mogen mensen hier zitten?…Read More

    • Recept C

      Kunnen we de bloemen met de pinpas betalen? — Ja, het kan.
      Moet ik deze muur schilderen? — Ja, het moet.
      Mag ik dat pakket openmaken? — Ja, het mag.
      Mogen de honden blaffen? — Ja, ze mogen het.
      Willen zij naar de bioscoop gaan? — Ja, dat willen wij.

      Recept D

      Kunnen studenten in het weekend blijven? — Nee, dat kan niet.
      Vries…Read More

    • Recept C

      1. Werkt de computer? Ja, het werkt.
      2. Kan ik hier fietsen? Ja, het kan.
      3. Wil jij mijn huiswerk maken? Ja, het kan.
      4. Kan jij een lied in de stilste ruimte zingen? Ja, het kan.
      5. Kan hij in het weekend werken? Ja, het kan.

      Recept D

      1. Mag jij zonder vervoerbewijs reizen? Nee, het mag niet.
      2. Mag jij in het ziekenhuis roken? Nee,…Read More

      • 1.., hij werkt.
        2.., dat kan ik doen (answering to a request)
        4.., dat kan ik.
        5.., dat kan hij.
        D
        3.. in het park wijn/een wijntje drinken? Nee, dat mag niet.

    • Recept C
      1. Begint de les vandaag?
      Ja, hij begint.
      2. Mag je op het werk roken?
      Ja, het mag.
      3. Kun je in het hondenpark lopen?
      Ja, het kan.
      4. Kun je de berg beklimmen?
      Ja, het kan.
      5. Mag je in het zwembad zwemmen?
      Ja, het mag.
      Recept D
      1. Kun je 30 minuten voor je vlucht op de luchthaven komen?
      Nee, het kan niet.
      2. Kun je 30 minuten na een…Read More

    • 1. Werkt het koffieapparaat? – Ja, het werkt.
      2. Klopt het adres? – Ja, het klopt.
      3. Begint het concert om acht uur? – Ja, het begint.
      4. Past het boek in de tas? – Ja, het past.
      5. Stopt het alarm vanzelf? – Ja, het stopt.
      6. Werkt het licht? – Nee, het werkt niet.
      7. Klopt het antwoord? – Nee, het klopt niet.
      8. Begint het programma nu?…Read More

    • 1. Mag ik hier parkeren?
      Ja, het mag.

      2. Kunnen we morgen afspreken?
      Ja, het kan.

      3. Moet het raam dicht?
      Ja, het moet dicht.

      4. Mag ik hier eten?
      Ja, het mag.

      5. Kan ik hier zitten?
      Ja, het kan.

      —————————————————————

      1. Kan ik hier zitten?
      Nee, het kan niet.

      2. Mag ik hier roken?
      Nee, het mag niet.

      3. Kan ik hier pinnen?
      Nee, het ka…Read More

    • ⎯⎯⎯ Recept C ⎯⎯⎯
      Weet je fietsen?
      ja , ik weet het

      Mag ik nu gaan?
      Ja, het mag

      wil je een ​​film te kijken?
      ja. ik wil het

      wil je naar muziek luisteren.?
      ja, ik wil het .

      Kan ik deze auto rijden .
      Ja het kan.

      ⎯⎯ Recept D ⎯
      Weet je fietsen?
      Nee , ik weet het niet

      Mag ik nu gaan?
      Nee, het mag niet

      wil je een ​​film te kijken?
      Nee…Read More

  • Load More Posts