Dutch Course Eindhoven A2 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 month ago
  • 97

    Posts

  • 85

    Members

  • Dutchbook huiswerk:👍
    Boek. Pagina 119
    Opdracht 1
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    213 Comments
    • 4. op het werk
      6. spelen
      9. vanavond >> just “eten”
      10. wil…

    • 2. dinsdag
      3. …morgen met ons praten (beter)
      4. …om 8 uur met hem eten.
      5. …om 9 uur naar haar huis gaan?
      7. ….pasta koken.
      8. …dinsdag….over jouw probleem praten.
      9. trouwen
      10. in het weekend

    • 1. in het restaurant
      2..dat ik morgen de borden in de vaatwasser doe.
      3..dat zij nu mijn kat naar de dierenarts brengt.
      5..voor hen
      6..op vakantie naar Kreta gaan.
      7. deze lente, barbecueën
      8. met jouw presentatie
      9. een lange..
      10..voor mij vanmiddag

    • 1..met mijn gezin vanavond bij hem eten.
      2..jullie met jullie gezinnen….ontmoeten/zien.
      3….in het restaurant ontbijten.
      4..op school een cadeau geven.
      7. naar carnaval
      8. ?
      9. voor een afspraak naar de school gaan.
      10.. een medicijn/medicijnen geven.

    • 3. met jou
      4..or met hem ……afspreken.
      5..voor het ontbijt
      7. op woensdag de pasta koken.
      8. met/voor u
      9. kunnen jullie nu bij de gemeente zien.
      10. het museum

    • 1. op de markt
      2. in
      3. met ons om 5 uur in het stadion een voetbalwedstrijd kijken..
      6. rewrite
      7. consolespellen spelen.
      9. volgend weekend

    • 1. hen, (weekend)
      2. met hem elk weekend in het bos
      5. met hen
      7..aan een/de dealer verkopen.
      9. in deze weekend > dit weekend
      10. naar (de) muziek luisteren

    • 1, 2. vandaag
      7. vandaag met jou over jouw werk praten.
      8…kan morgen op school op je wachten.
      9. in de bioscoop

    • 2. met jullie
      4. gaat
      7. voor jou > ?
      8. naar jullie

    • 2. deze
      3. dokter
      6. jouw
      7. eten (dineren < formal)

    • 1..dat jij morgen met jouw taken klaar bent.

    • 1…vanavond met hem in het café naar hun opdracht luisteren.
      3…om 7 uur in de bibliotheek onze conferentie organiseren.
      4. ons
      8…mijn reis in/naar Italië voor eind augustus maken.

    • 1. jou
      2..vanmiddag, aan onze taken..
      4. zondag
      5..morgen voor de gezelligheid naar ons komen.
      6. (in de bioscoop)
      7. (in het café)
      8. soep
      9. zondag
      10. tijdens het concert (naar) muziek luisteren.

    • 3. maken
      4…tennis spelen >> tennissen
      6..zullen met haar morgen het huis schilderen.
      7. op school
      8..in het park voetballen
      9. in het park
      10..in de bibliotheek verhalen schrijven (verhalen=undefined)

    • 4..in het park met onze vrienden praten (<<praten met)

    • 2..Hij wil dat zij vanavond haar huiswerk thuis maakt.
      3..in het park zien.
      10..in haar tuin…

    • 1. ..haar morgen met haar lunch naar school brengen.
      5. ..met de auto naar het werk rijden (< ?

    • 1..minus “te”
      4..minus om…te
      5. de film
      6..in het hotel koffie drinken.
      7….gepland. (Vermeer < één m)
      8. kan, …repareren (minus "om…te")
      9…met hen ,………management praten (<< praten over)

    • 2. lasagne
      4..wil dat jij vandaag thuis jouw huiswerk maakt.
      5..(met mijn leraar) op de piano…
      6..in de bibliotheek een boek lezen.
      8..in de bioscoop
      (10. in de winkel)

    • 5. op school (<< fixed combination without preposition)
      6…aan jou WAT beloven.
      7. op straat
      9..deze zomer met andere mensen in Eindhoven wonen.

    • 2. in dit weekend >> dit weekend

      Goed.

    • 2..voor mij vanavond..
      3..voor hen morgen in de winkel een nieuwe tv <> ?
      5. jullie taken
      6.. met jou..
      7…Zij wil…. What do you mean with this sentence?
      8…bij ons ..

    • 4..kunt mij nu hier geld geven.
      6..met mijn auto thuisbrengen (thuis brengen).
      8..met de trein naar Eindhoven reizen (<< reizen naar)
      9..in de bioscoop een film kijken.

    • (4. ..op school een taart geven. 5. in de buurt een rondleiding geven)

    • A:
      5. ?
      B:
      1..een afspraak maken
      5. mij

    • 2. koffie ..(in een café koffie drinken)
      3. ..op school over mijn idee praten.
      6. leren zwemmen
      7. op kantoor
      8..dat jij
      9. Ik wil dat jullie vanmiddag de auto daar laten.
      10. ?

    • 4..vandaag bij de gemeente gratis koekjes geven.

      6..voor Aziatisch eten naar Eindhoven gaan.

    • jouw katten
      voor ons….een afspraak maken

    • 3. haarkleuring
      5..een boek geven | …morgen een/het boek bij haar laten

      6..in het park barbecueën
      10..met hem…op vakantie gaan,

    • B:
      1..in het café een recept maken.
      2. ?
      3. ?
      4. gemaakt.
      5. ..zeggen dat hij morgen op school met de auto moet wachten

    • A
      2. wil
      (3. op kantoor)

      B:
      (7. op kantoor)
      8..over de les praten.

    • 1. Ik wil jou morgen met jouw ouders op het centrum lopen
      2. Reinier zal morgen met mij naar kerk gaan.
      3. Jullie willen volgende week de film bij de bioscoop kijken.
      4. Ella wil vanavond met zij zus de kip koken.
      5. Ik zal morgen met jou thuis over de film praten.
      6. Wij zullen volgende jaar met onze familie naar Duitsland gaan.
      7. Hij moet…Read More

      • 1..morgen met jou en jouw ouders IN het centrum lopen.
        2. naar de kerk
        3..in de bioscoop
        4..zijn zus
        6. volgend
        7. samen in het restaurant eten.
        8. wilde
        9. zijn (!) vrienden, het feest

    • 2. thuis een taart
      3. vrijdag
      5. dans
      6. om 10 uur op kantoor werken.
      9. een maaltijd

    • 2. minus “met”
      3..naar de Efteling
      4. zal/zult…naar de bioscoop
      5. mijn
      7..voor het eten
      9..een gelukkige verjaardag
      10..met hen…

    • 1…op kantoor over het geld praten.
      2…je vrijdag thuis zien om over een probleem te praten.
      3. op kantoor
      4…om 7 uur
      5. met jou
      6. op school ballet dansen
      10..gedaan

    • 1. het feest
      4. ?
      6..voor een foto naast het standbeeld staan.
      7. elke dag op school Nederlands oefenen.
      8. rewrite … >> something with “geïnteresseerd”?
      9..willen dat ze nu op het station op de aankondigingen letten.
      10..op kantoor over zijn werk klagen.

    • 1. Do you mean “I want you to do it” or “I want to do it for you?”
      3. boeken
      4. ?
      5. voor haar
      6. op school (like “naar school”)
      7. in Amsterdam
      10. op kantoor

    • 1. ?
      2. voor hen om 7 uur thuis avondeten maken.
      4..helpen met schoonmaken
      5..voor hem OP 7 juni ……om te slapen > ?
      6…met jou dit weekend in Lisse de bloemen zien.
      7. moet met mij morgen…….bakken.
      8. moeten (!) vanavond in het centrum naar een feest…
      9..over twee dagen (overmorgen) dat huis bekijken.
      10. “ochtend” means ‘morning’ >> do…Read More

    • 2..een nieuw huis bekijken.
      3..zag haar gisteren op kantoor …
      4. (English virus) >> Ik wil dat jij morgen hier met jouw vriend komt.
      5..de hond spelen (!)
      6. rewrite, see 4.
      7. met mij….naar mijn huiswerk kijken.
      8…in een ander land met ….zien.
      10. op kantoor

    • 2. minus “ons”
      3. in de bioscoop
      7. rewrite
      (9. in de bioscoop)

    • 3. een afspraak
      4. naar een concert bij de zee gaan.
      5. minus “hebben”
      6..rewrite >> met ons ?
      8. bij het……huisje
      10. hier een plan maken.

    • 1. in het centrum een fiets zoeken.
      2. rewrite (English virus?)
      3. brengen
      4. met ons (?) de oefeningen…..
      5. zullen deze week bij jullie in de tuin werken > ?

      1. rewrite (“in de bioscoop”, overmorgen)
      2..wil dat hij vanmiddag naar het ziekenhuis komt (English virus)
      3. met mij
      4..haar huis sinds vandaag te huur zetten/aanbieden.
      5..in het…Read More

    • 2..praten.
      4..in de sporthal…..proberen > ?
      5..wil
      6..op school de les leren.
      7…gedrag
      (8. in de garage)
      9…café

    • 2..met hem
      3..wil dat zij elke dag hun boodschappen doet > ?
      4..verwacht van mij dat ik na iedere les mijn huiswerk maak.
      5…heeft jaarlijks onderhoud nodig.
      6 ?
      7. Hij wil dat ze naar zijn huis komt.
      10..volgend

    • 5..eten/dineren
      7. mei
      8..wil dat wij morgen onze boeken terugbrengen naar de bibliotheek.

    • 1…op kantoor jouw tas geven
      5. “naar mijn huis” niet nodig
      6…voor een vraag
      7. met hem ….café
      9. stellen

    • 1..aan haar …in het restaurant bloemen geven.
      2..met jullie
      3..geven
      5……bij hen in het kamp blijven.
      6..ons
      9..voor een/het examen

    • 1..met hem…..bij de gemeente…
      2..van school ophalen.
      3..?
      4. overmorgen haar huiswerk op school maken.
      5..vandaag mijn fiets…
      6..voor haar…
      7..voor hem
      8..gemaakt
      9..hen……meenemen.
      10..op het station..

    • 5..een foto/foto’s
      9..een afspraak
      10. minus “diner”

    • 3..bij jullie thuis
      5..op de volgende bus…
      6..buurt

    • 1…wil…praten
      2..in het park
      3..een fiets
      4. hun oma…

    • 3..willen dat jullie nu….
      7..op het werk

    • (2 deze morgen)
      3..kan
      6..keuken
      7.dankzij jou (<thanks to you ?)
      9..helpen
      10..het restaurant

    • 2..bij het strand
      3. supermarkt
      5..Ik zie jou om 8 uur bij jou thuis.
      8..voor jouw taken
      9..vanavond haar bureau…
      10..dat je morgen met jouw tas naar mij komt.

    • 1. Ik zie jou vanavond met jouw kinderen in het park spelen.
      2. Ik zie jou vanmorgen met jouw vriendin naar de supermarkt wandelen.
      3. Ik wil jou morgen deze vraag naar de vergadering op kantoor vragen.
      4. Ik kan met jou vanavond deze oefening thuis werken.
      5. Ik zal met jullie vandaag in jouw huis blijven.
      6. Ik kan met jullie nu naar Eindhoven…Read More

      • 2…zag (past tense)
        3..jou morgen in de vergadering deze vraag stellen.
        4..doen.
        5. Ik zal vandaag bij jullie (in jullie huis) blijven.
        7. (op) maandag…
        10. ..in de wedstrijd van jou winnen. > ?

    • 3. minus “over”
      4. Ik wil jou …..
      10. Ik wil om 5 uur met jou…

    • (1. in het park)
      5..aan/bij de bar..
      6..in het weekend thuis barbecueën.
      7..in het weekend
      8….hebben/. op kantoor vergaderen.
      9. minus “nemen”

    • 7..naar het ziekenhuis gaan om over….te praten.

    • 2…gezien.
      3..nu met jou op school jouw huiswerk maken.
      4..de film vanavond met jou thuis kijken.
      5…in de winkel boodschappen doen.
      6..met jullie …
      9..bij (in) het koffietentje

    • 1….doen.
      2..met jullie > ?
      3..kan
      4. no need for “tijdens” here
      5. op het werk
      7. ?
      9..in het centrum fietsen zoeken.
      10..(bij de gemeente)

    • 2..no need for “voor”
      (6. op straat)

      Pretty good.

    • 1. afspraak
      2..op kantoor/in het kantoor
      3..met jou dit weekend bij jou thuis koffie drinken.
      6..het bos
      7..met hem…
      10.het liedje…

    • 5..op deze muziek..
      7…met de trein naar Amsterdam gaan.
      8..met de kinderen in het park spelen.
      9..vanavond…

    • 3..overmorgen met onze vrienden…
      6…gaan zondag met hun kinderen…
      (7. met mijn gezin)

    • 2…om het/iets/dat te controleren.
      3..lekker de F1-race kijken.
      6..baan…projectinkoper.
      7..altijd in jou geloven.

    • 3…afspreken
      4..naar het feest gaan.
      5..de afwas doen.

    • 7…om hun familie te bezoeken.
      8…gaan winkelen
      10..voor hem…

    • 3..met hen
      5..met hen…klussen.
      6..de film
      7…in het park (naar) een verhaal luisteren.

    • 1…ontmoeten | …vanavond met haar in het park afspreken.
      (5..op hen..)
      (6..nu met haar praten)
      9..hem (haar) …
      10..groenten…

    • 2..in het zwembad…
      3…met haar nu op school gitaar spelen (gitaarspelen)
      4..met “someone else” ..jouw hond…
      7…thuis boeken lezen
      8..met haar ….een sigaret/sigaretten…
      9….in de winkel …zien doen.
      10. ?

    • 5…brengen
      7…dit weekend….

    • (1..een kop koffie….) café
      (2. barbecue)
      3..naar het centrum…
      4..dinsdag in het park…
      OR …met ons dinsdag in het park afspreken.
      6..sleutels

    • 1. Ik wil jou vanavond met jouw racket op de baan zien.
      2. Zij kan met mij om 10 uur bij mijn huis de taart bakken.
      3. Jij kunt met mij ‘s ochtends in de bibliotheek het huiswerk maken.
      4. Jullie mogen met ons op dinsdag in het stadion de voetbalwedstrijd bekijken.
      5. Wij zullen met jou ‘s avonds in de bioscoop de film kijken.
      6. Ik zal jou mor…Read More

    • 1..om een afspraak bij de basisschool te maken.
      4..wil dat ik morgenochtend een presentatie op kantoor geef.
      5..het koffiezetapparaat
      7. volgende
      8..in Oostenrijk leren skiën
      9..over het werk
      10…komt naar de bioscoop (om) de nieuwe film (te) kijken

    • 5. foto’s/een foto
      9..een afspraak
      10..het avondeten koken

    • Recept A
      1. Zij moet mij morgen bellen.
      2. Hij ziet mij met zijn auto rijden.
      3. Zij kan jou haar sleutels van haar huis geven.
      4. Wij willen hem vandaag zijn huiswerk laten maken.
      5. Jij mag mij op maandag op het kantoor zien.

      Recept B
      6. Wij moeten met jou morgen op het werk over jouw werkprestaties praten.
      7. Ik moet met haar vanavond in haar…Read More

    • Recept A:
      1.Ik ontmoet haar vandaag om koffie in een café te drinken.
      2. Wij willen jullie morgen met jullie kinderen in het park zien.
      3. Zij moet mij vanavond mijn boek thuis brengen.
      4. Jij moet hem volgende week een document op kantoor geven.
      5. Hij kan jou op dinsdag een cadeau in het restaurant geven.

      Recept B:
      1. Ik zal met hen vanmiddag…Read More

    • Recept A
      1. Ik zie jullie vanavond op school.
      2. Ik wil jou jouw huiswerk doen.
      3. Jij ziet mij in het weekend schoonmaken.
      4. Jij ziet haar om 8 uur naar de les gaan.
      5. Jullie zien mij tijdens vacantie andere activiteit doen.

      Recept B
      1. Ik wil met jou vanavond in de club salsa dansen.
      2. Jij zult met haar tijdens carnaval op station meer…Read More

    • 1. Jij hebt vanavond met haar bij school tijd om te praten.
      2. Jullie willen nu met ons op het strand ijsjes kopen.
      3. Ik ga op vrijdag naar een bar met haar mijn promotie vieren.
      4. Ik wil morgen met hem een weekend weg plannen.
      5. Hij wilt in 5 minuten met jullie in het centrum afspreken.
      6. Ik wil in juni met jullie naar Spanje op vakantie…Read More

    • Recept A
      1. Ik zie ze vanavond in de tuin spelen.
      2. Ik wil haar nu haar huiswerk thuis maken.
      3. Hij moet ons morgen naar het ziekenhuis rijden.
      4. We zullen ze’s avonds naar de bioscoop kijken.
      5. Ik zie jullie ‘s ochtends in de sportschool sporten.
      Recept B
      6. Zij moeten met ze morgen op de school rekenen.
      7. Zij wil met jou morgen op de dan…Read More

    • Recept A:
      Wij zullen met jullie volgende week in de Efteling spelen.
      Tina moet met Louisa vanmorgen in de keuken werken.
      Ik mag jou morgen in de tuin volgen.
      Ik wil vanavond thuis met hem naar de huisarts bellen.
      Stella kan met Anna op dinsdag Nederlands oefenen.

      Recept B:
      Hij wil met haar vanavond in Amsterdam een kamer delen.
      Wij kunnen met…Read More

    • A
      1. Ik zie jullie vandaag in het centrum.
      2. Ik zie haar gisteren huiswerk in de bibliotheek maken.
      3. Hij kan mij in de volgende week op het kantoor zien.
      4. Wij zien jullie morgen in het park wandelen.
      5. Ik zie hem vanavond een boek in zijn huis lezen.
      B
      6. Ik zal met jou morgen thuis de film kijken.
      7. Wij kunnen met jou vanavond in het…Read More

    • (3…met haar ………. afspreken.)
      7..om naar een opera te luisteren.
      8. Hij traint met mij ….. voor de marathon.
      9. Wij spreken met hen elke dag in het café af om het boek te lezen.
      10…vanavond naar de bioscoop om een film te kijken.

    • 2..een afspraak in het ziekenhuis…
      4..in het centrum…
      5..wil graag dat jij morgen thuis met onze kinderen speelt.
      B/
      2..met mij …
      3…in de les…
      4..wil met jou morgen ….

    • 3..haar nieuwe kapsel…
      B.
      3…Anna zal …. een trouwring…
      (4. lunchen)

    • 4..met haar/voor haar fruit op de markt…
      (5..geven)
      6. “naar” is hier niet nodig

    • 1. Ik bel jou vanavond.

      2. Jij ziet mij overmorgen op kantoor.

      3. Hij wil ons morsfsgen thuis zien.

      4. Wij kunnen jullie vanochtend de bioscoop zien.

      5. Jullie horen ons morgen op het vliegveld.

      6. Zij ziet hem vanavond op school.

      7. Ik zie jou om 3 uur in het café.

      8. Jij wil met mij vandaag een afspraak maken.

      9. Ik zal met hem…Read More

    • Recept A:
      1. Ik wil jou morgen met jouw vriend in Amsterdam zien.
      2. Ik zal met jou op dinsdag met mijn auto naar Parijs gaan
      3. Wij zullen met jullie in het weekend bij de sportschool sporten
      4. Zij zal met jou volgende week het bejaardentehuis bezoeken.
      5. Hij moet met haar voor dit weekend hun huiswerk maken.
      Recept B:
      6. Ik wil met haar op…Read More

    • Recept A
      1. Ik roep haar.
      2. Wij sturen jullie vanavond.
      3. Zij helpt hem zijn foto’s maken.
      4. Jij helpt mij morgen op het station.
      5. Hij helpt haar vanavond in de keuken om haar maaltijd koken.

      Recept B
      1. Ik wil met hen volgende week in de klas over het huiswerk bespreken.
      2. Jij kan met ons op donderdag om 20.00 uur in de dynamo over de n…Read More

      • A
        5…te koken
        B
        1..over het huiswerk spreken OR het huiswerk bespreken (minus “over”)
        2….in de Dynamo de nieuwe les leren.
        (3…achter de kassa)
        4..met hen ‘s ochtends…
        5..Jullie helpen mij vandaag mijn huis schoon te maken.

    • 1. Ik wil met jou morgen in de kantine een kopje thee drinken.
      2. Zij wil haar buren vanavond thuis eten.
      3. Hij wil met hem vriendin nu in het park wandelen.
      4. Ik wil jou volgende week op kantoor een presentatie geven.
      5. Ik wil jou zondagmiddag bij mij thuis een film kijken.
      6. Ik wil jou straks mijn nieuwe schoenen in de winkel tonen.
      7. Hij…Read More

    • 1. Ik ga hen morgen bij zijn huis ontmoeten.
      2. Ik wil haar in het weekend in het stadscentrum ontmoeten.
      3. Ik wil met jou over de hele wereld reizen.
      4. Je zult hem met zijn huiswerk helpen
      5. We zullen ze op het feest uitnodigen.
      6. We gaan voor jullie vanavond thuis eten maken.
      7. Ik herinner mij vanmorgen jouw afspraak.
      8. Zij moet haar over…Read More

    • RECEPT A
      1. Ik wil voor jou morgen een afspraak op de huisarts maken.
      2. Zij kan voor jullie nu advies op het café geven.
      3. Ik zal met jullie vandaag de afwas thuis doen.
      4. Ik kan voor jou nu soms geld op het geldautomaat opnemen.
      5. Ik moet met hem vanavond een plan voor Parijs maken.

      RECEPT B
      1. Ik wil met jullie het weekend thuis naar TV…Read More

      • A
        1…bij de huisarts
        2…Zij kan jullie nu in het café advies geven.
        4..wat geld bij de geldautomaat opnemen.
        B
        1…het hele weekend thuis tv kijken.
        4..mag (? ) nu in het park haar fiets lenen/gebruiken.
        5..thuis een bordspel spelen.

    • A
      1.. voor jou..
      B
      2…naar de priester luisteren.
      5..op kantoor aan het project werken.

    • 2…nu naar je luisteren.
      10. wat in de tuin gooien. “en bar”> ?

    • 7..een bank beroven (=rob)
      (10..bij hen op kantoor)

    • 2..in het café over de film praten.
      3..op kantoor over het project spreken.
      4..thuis over zijn plannen spreken.
      6. minus “na”
      8. “op de ontmoeting eindigen.” > ?

    • A
      (5..met haar in het café afspreken)
      B
      (4..’s avonds)
      5…wil jou na het middageten een kopje koffie brengen. .// bij mij thuis uitnodigen voor een kopje koffie.

    • 1…naar OR met de huisarts bellen.
      3.. in de zaal…
      4..klas
      5..met zijn vriend het hele weekend (door) …
      6. vliegen (=to fly), “vluchten” = to flee (/escape)
      7…deze film…

    • Recept A
      1. Ik kom met Jan woensdagavond stamppot bij jullie thuis eten.
      2. Wij zien hem in het weekend in Eindhoven een beertje drinken.
      3. Jullie kunnen met haar maandagochtend in Breda met ons koffie drinken.
      4. Hij wil met zijn vriendin volgende maand naar Azië reizen.
      5. Oma kan met mij in het weekend avondeten koken.
      Recept B
      1. Ik zal…Read More

    • – recept A –
      1. Ik help jou op vrijdag jouw sleutels in het nieuwe appartement ophalen.
      2. Ze wil hem om zes uur de taart op kantoor geven
      3. We kunnen met haar vandaag over oplossingen praten.
      4. Hij moet hen ‘s ochtends met verhuizen in de nieuwe plaats helpen.
      5. Ik mag haar morgen een cadeau in het restaurant geven.
      – recept B –
      1. Ze wil he…Read More

    • Recept A
      1. Ik wil jou vanavond met mijn auto zien.
      2. Je zult mij morgen in het bos zoeken.
      3. Hij wil haar om 7 uur ‘s avonds met haar kat zien.
      4. Ze wil hun elke week het eten op school brengen.
      5. We zien jullie om 6 uur ‘s ochtends langs het kanaal wandelen.
      Recept B
      6. Jullie zullen met ons vanavond thuis voor het examen studeren.
      7. Ze kun…Read More

    • 1. Ik wil jou vanavond met mijn broer bij mij thuis ontmoeten.
      2. Ik moet jullie morgen op het werk zien.
      3. Ik wil jou vanavond met mijn taken op kantoor helpen.
      4. Ik kan jou morgen bij een bank ontmoeten.
      5. Jij moet op 1 juni het lied hier zingen.
      —
      6. Ik wil met jou om 9 uur in een supermarkt boodschappen doen.
      7. Jij moet met hem voor 2 s…Read More

    • Recept A.
      1. Ik wil jullie overmorgen met jullie honden in het park zien.
      2. Zij willen mij voor hun feest uitnodigen.
      3. Jij ziet hen vanavond in de winkel.
      4. Hij moet haar ‘s ochtends op school afzetten.
      5. Wij willen jou vandaag met jouw huiswerk helpen.
      Recept B.
      1. Wij willen met jullie in het weekend in de sportschool padel spelen.
      2. Ik k…Read More

    • Recept A:
      1. Hij wil zijn vader volgend jaar een auto kopen.
      2. Zij hoort haar vriend nu een liedje thuis zingen.
      3. Ik wil je volgende week een nieuwe baan krijgen.
      4. Jij ziet haar om 3 uur in het cafe koffie drinken.
      5. Ik wil je morgen een afspraak op school maken.
      Recept B:
      1. Ik zal met jullie deze maand in de les Nederlands praten.
      2. Wij…Read More

      • 1. VOOR zijn vader….
        2…thuis een liedje zingen.
        3..Ik hoop dat je volgende week een nieuwe baan krijgt.
        4..café
        5..met je morgen…
        B
        4..met mijn hond op straat voetballen.

    • Recept A:
      1. Ik wil hem morgen met mijn boeken bij de buren zien.
      2. Ik wil jou vanavond met jouw computer op kantoor ontmoeten.
      3. Ik moet haar vanavond met goede kleren naar een goed restaurant brengen.
      4. Ik wil haar vandaag met de fiets naar het bos brengen.
      5. Ik moet jullie ‘s ochtends ontbijt thuis maken.
      Recept B:
      1. Ik wil met jou m…Read More

    • Recept A:
      1. Ik wil jou om 4 uur met mijn boeken bij de bibliotheek zien.
      2. Hij wil jullie morgen met de verhuizing helpen.
      3. Jullie kunnen volgende zaterdag jullie hond bij ons achterlaten.
      4. Ze kan jou op zondag met haar auto naar het station brengen.
      5. Ik zie jullie in het weekend een film in de bioscoop kijken.
      Recept B:
      1. Ik wil met jou…Read More

    • Recept A.

      1. Ik werk met hem morgen op de kantoor.
      2. Ik moet met hem vanavond ons huiswerk thuis doen.
      3. Ik denk hem morgen boeken op school nemen.
      4. We zullen met jullie vandaag ons taken maken.
      5. Hij ziet mij om 11 uur nieuwe sportschoenen op sportschool nemen.

      Recept B.

      1. Ik zal met jullie morgen middag op school ons Engels oefenen.
      2.…Read More

      • A. 1. op kantoor.
        3. ?
        4. onze taken doen.
        5…in de sportschool met nieuwe schoenen.
        B.
        1. morgenmiddag (één woord)
        2.. onze taken
        3. onze ouders …. MET de boodschappen helpen.
        4. Ze willen DAT ik morgen met mijn gitaar naar het …. komt.
        5..de bus naar kantoor pakken.

    • RECEPT A
      1. Ik wil met jou vanavond een film in de bioscoop kijken.
      2. Hij zal met zijn medecursist op woensdag huiswerk thuis maken.
      3. Ik kan met jou morgen naar jouw boek in de school zoeken.
      4. Ik zal met mijn man in het weekend de trein naar Amsterdam nemen.
      5. Zij zal met mij morgenavond een wandeling in het park maken.
      RECEPT B
      1. Wij…Read More

      • A
        2. thuis huiswerk maken.
        3…op school naar jouw boek zoeken.
        B
        1. just “lunchen”
        2..op vakantie naar Ierland gaan.
        3..om 12 uur ‘s middags …
        4..op school
        (5. deze morgen)

    • Recept A:
      1. Ik zal haar morgen over haar huiswerk in de klas zien.
      2. Hij wil ons vanavond salsa in de kroeg dansen.
      3. Jij zult hen op dinsdag eten in dat restaurant zien.
      4. Zij moet hem morgenochtend met zijn werk bij KFC helpen.
      5. Ik kan jou overmorgen voor de lichamelijk onderzoeken naar de fysiotherapeut brengen.

      Recept B:
      6. Hij wil met…Read More

      • 1……voor haar huiswerk.
        2. Hij wil DAT wij vanavond in de kroeg salsa dansen.
        3…in dat restaurant zien eten.
        5. lichamelijke
        7. december
        8. spreekoefeningen
        (9. de sinaasappelsap)
        10..met hem vanavond in het café ….

    • 1. Ik wil jou overmorgen met een nieuwe idee op het kantoor afspraken.
      2. Wij mogen jullie op zaterdag met jouw fietsen in het centrum ontmoeten.
      3. Je kan hem en zijn vrouw vanavond in het restaurant vinden.
      4. Ik zal haar morgen in het klaslokaal zien.
      5. Jullie moeten met hen op vrijdag over jouw rode boeken praten.
      6. Hij moet haar vandaag in…Read More

    • 1. Wij willen met de familie op maandag naar Den Haag rijden.
      2. Hij moet elke dag met mij naar de leraar luisteren.
      3. Ik zal vanavond in het park met mijn hond wandelen.
      4. Zij willen volgend jaar met mij bij TUE studeren.
      5. Jij zal morgen met jouw kinderen spelen.
      6. Jullie kunnen in de zomer met vrienden van de vakantie genieten.
      7. U moet…Read More

    • Recept A:
      1. Hij wil jou volgende maand bij de geemeente inenten.
      2. Zij ziet jou gisternavond op de bioscoop praten.
      Recept B:
      3. Ik zal met jou morgen in chat over het medische woordenschat praten.
      4. Jij zal met mij binnenkort op school jouw biotechnische woordenschat zien.
      5. Zij zal met hun arts om 11 uur op kantoor een afspraak maken.
      6. Hij…Read More

    • 1. Ik wil vanavond met jou in Eindhoven naar een concert gaan.
      2. Ik moet morgen thuis met mijn moeder over de kerstplannen praten.
      3. Je kunt op maandag in de les met je klasgenoten over het huiswerk vragen stellen.
      4. Zij moeten elke dag met hun vrienden in de stad op de bus wachten.
      5. Wij kunnen volgende week in de sporthal met onze trainer…Read More

    • Recept A:
      1. Ik wil morgen bij jou thuis spelletjes spelen.
      2. Ik zie je om 15:00 uur bij winkel boodschappen te doen.
      3. Ik wil vanavond thuis mijn huiswerk maken.
      4. Ik zie je om 16:00 uur om in de sportschool te spelen.
      5. Ik zie haar om 20:00 uur in de studio om te dansen.

      Recept B:
      6. Ik wil morgen met je naar het huis van de kinderen.
      7. Ik…Read More

    • Recept A:
      1. Ik wil hem vanavond op de fiets bij de buren ontmoeten
      2. Hij moet ons morgen een brief in het park schrijven.
      3. Ik wil met jou morgen over het boek in de trein praten
      4. Zij zal ons vandaag een auto in het centrum kopen
      5. Hij wil met mij vanavond een film in de bioscoop kijken

      Recept B:
      6. Ik wil met haar morgen in de straat salsa…Read More

    • Recept A:
      1. Hij belt jou vanavond om een afspraak te maken.
      2. Ik wil met jullie naar jullie huis gaan.
      3. Hij moet met haar dansen.
      4. Zie jij mij bij het paard staan?
      5. Ik wil u morgen bij de gemeente ontmoeten.

      Recept B:
      1. Jij zal met ons vandaag thuis in de auto komen.
      2. Ik wil met haar elke dag in de trein spreken.
      3. Hij kan met u…Read More

    • Recept A
      1. Ik wil met mijn vrienden op school spelen.
      2. Zij wil vanavond met haar moeder huiswerk maken.
      3. Ik moet met haar spelen.
      4. Hij kan met haar pennen schrijven.
      5. Wij kunnen vandaag met jullie in het park dansen.

      Recept B:
      1. Ik wil met haar morgen op school dansen.
      2. Hij wil met mijn moeder om 3 uur in het park wandelen.
      3. Wij…Read More

    • Recept A:
      1. Ik zal met haar morgen aan de presentatie op kantoor werken
      2. Hij moet met haar op maandag naar het ziekenhuis gaan.
      3. Zij mag hem om 9 uur’s avonds op het stadhuisplein ontmoeten.
      4. Jullie kunnen met ons vandaag in de auto naar het centrum komen
      5. Wij kunnen met jullie vandaag in de trein naar het centrum komen

      Recept B
      1. Ik z…Read More

    • Recept A
      1. Hij zal tot 3 uur het nieuwe cadeau naar zijn kamer dragen.
      2. Zij wil vanmiddag het bestek aan haar zus geven.
      3. Wij lachen vaak in de klas om zijn grapjes.
      4. Zij moet twee keer per week naar haar werk rijden.
      5. Hij moet met zijn dochter elke dag tot het station lopen.

      Recept B
      1. Ik moet met mijn collega volgende maand in…Read More

    • 1. Ik wil jou vanavond jouw hond naar mijn huis brengen.
      2. Ik wil voor hem vandaag een boek via het internet bestellen.
      3. Ik kan jou in het weekend het boek in de bibliotheek geven.
      4. Ik wil jou elke dag jouw taken op kantoor doen.
      5. Hij kan haar in het weekend avondeten in het restaurent bestellen.
      6. Ik kan met jou in het weekend in de…Read More

      • 1. Ik wil dat jij vanavond jouw hond naar mij(n huis) brengt.
        4..wil dat jij elke dag jouw taken op kantoor doet.
        5…voor haar …… restaurant
        7….achtertuin
        9..via PostNL

    • RECEPT A:
      1. Zij moet hem morgen de factuur op kantoor geven.
      2. Hij kan mij vanavond de sleutels in het appartement geven.
      3. Ik wil jou morgen een pen in de winkel kopen.
      4. Hij moet jou volgende week de opdracht in de klas uitleggen.
      5. Ik kan voor hem vanavond een tafel in het restaurant reserveren.
      RECEPT B:
      6. Wij zullen met hen vanavond in…Read More

    • RECEPT A:
      1. Hij moet haar ’s morgens vroeg met papieren voor de cliënten op kantoor helpen.
      2. We zullen hem gauw genoeg een huurhuis in New York vinden.
      3. Zij wil jou morgen geld voor goede doelen overmaken.
      4. Ze willen haar volgende maand al hun bezittingen in Europa cadeau doen.
      5. Hij wil ons dit weekend een boek over daklozen in de bi…Read More

    • A: FW/WW/VRIEND/TIJD/WAT/PLAATS/WW2
      1. Ik ga met mijn vriend morgen boodschappen in de stad doen.

      2. Wij zullen met onze ouders vanavond eten thuis.

      3. Zij praat met haar zus nu over school op het werk.

      4. Hij wil met mij volgende week een film in de bioscoop zien.

      5. Ik heb met jou gisteren het probleem op school besproken.

      B:…Read More

    • A:
      1. Ik wil jou morgen op school zien.
      2. Ik hoor jou deze muziek spelen.
      3. Zij willen ons volgende week hun project zien.
      4. Zij mag hem later het antwoord vertellen
      5. Ik zal jou morgen op school ontmoeten
      B.
      1. Jij kan met mij morgen naar de bioscoop gaan
      2. Zij wil met hem vanavond over het probleem praten
      3. Wij moeten met haar morgen naar…Read More

    • Recept A
      1. Ik geef je vandaag mijn contactgegevens.
      2. Ik vertel je nooit iets over mijn droom.
      3. Ik zie hem elke week.
      4. Ik zie hem elke week voor mijn werk.
      5. Ik wil vanavond met jou in Amsterdam naar een feestje gaan.

      Recept B
      1. Ik zal met hem morgenochtend op kantoor aan het project werken.
      2. Ik kan met jou vandaag in het park voor…Read More

    • Recept A
      1 – Ik wil jou volgende week jouw verjaardag thuis laten vieren.
      2- Ik moet hem morgen met zijn laptop op kantoor zien.
      3- Ik zal haar morgen met haar assistent in het ziekenhuis bellen.
      4- Jullie mogen met haar elke dag in de tuin spelen.
      5- Zij wil ons vanavond met onze hond in haar huis uitnodigen.
      Recept B
      6- Zij willen met hem v…Read More

    • Recept A
      1. Ik zal je vandaag voor onze opdracht in de bibliotheek ontmoeten.
      2. Ik wil haar nu met mijn auto bij haar thuis bezoeken.
      3. Zij moet haar maandag met de trein bij het station ophalen.
      4. Hij zal hem overmorgen met zijn werk op kantoor helpen.
      5. Wij kunnen hen morgen voor een afspraak bij de gemeente spreken.
      Recept B
      6. Zij wil met…Read More

    • Recept A:
      1. Ik zie jou morgen op het treinstation.
      2. Ik wil met jou naar onze school gaan.
      3. Ik zie je om 7:00 uur in het park te wandelen.
      4. Hij moet morgen zijn cv via e-mail sturen.
      5. Zij wil vanavond met haar moeder koken.
      Recept B:
      1. Ik zal met jou morgen thuis een film kijken.
      2. Wij kunnen met jullie deze week naar België gaan.
      3.…Read More

    • Recept A:
      1. Ik zie jou morgen om 10 uur op kantoor met jouw report maken
      2.Ik zie jou morgen om 9 uur op school voor de presentatie.
      3.Wij werken vandaag samen op kantoor aan het project.
      4.Ik help jou vanmiddag met jouw huiswerk in de bibliotheek.
      5.Wij hebben morgen om 11 uur een meeting met de manager.

      Recept B:
      6.Ik zal met jou morgen thuis…Read More

    • Recept A
      1. Ik zal je vandaag voor onze opdracht in de bibliotheek ontmoeten.
      2. Ik wil haar nu met mijn auto bij haar thuis bezoeken.
      3. Zij moet haar maandag met de trein bij het station ophalen.
      4. Hij zal hem overmorgen met zijn werk op kantoor helpen.
      5. Wij kunnen hen morgen voor een afspraak bij de gemeente spreken.
      Recept B
      6. Zij wil met…Read More

    • Recipe A
      1.Ik kan jou vanavond met ons passport in de luchthaven zien.
      2. Ik wil jou morgen over vragen op Teams bellen.
      3. Wij kunnen jou vanavond voer bij je thuis brengen
      4. Mijn ouders willen op 11 april naar Nederland reizen.
      5. Hij wil mij overmorgen een fiets bij Decathlon kopen.

      Recipe B
      1. Ik zal jou op 24 maart bij het kantoor in…Read More

    • A:
      1. Ik wil jou maandag met jouw boeken in de bibliotheek zien.
      2. Je moet met mij morgen met jouw laptop naar het kantoor komen.
      3. Ik ga met haar dit weekend met de hond in het bos wandelen.
      4. Ik ga met jou vrijdag de documenten naar de bank brengen.
      5. Ik ga met jou vanavond de pizza in het restaurant eten.

      B:
      6. Ik wil jou maandag in de…Read More

    • Recept A
      1. Ik moet jou vanavond het avondeten thuis maken
      2. Ik wil jullie morgen boodschappen in de supermarkt doen.
      3. Ik kan hem vandaag de rekening bij de kassa betalen.
      4. Ik wil haar in het weekend een cadeautje bij bol.com bestellen.
      5. Ik wil hen elke dag een vergadering op kantoor hebben.

      Recept B
      1. Ik wil met jou vanavond in de keuken…Read More

    • A:
      1. Jullie kunnen haar op maandag met bloemen in het restaurant zien.
      2. Wij willen hun vandaag een bericht op WhatsApp sturen. => “Not sure hen or hun is correct”
      3. Ik zal jou deze maand met een andere persoon vervangen.
      4. Ik zal hun op hun verjaardag een cadeau geven.
      5. Zij zal ze morgen bij bol.com bestellen.

      B:
      1. Ik zal met hem mor…Read More

    • Recept A
      1. Ik laat hen vandaag aardappels op de markt kopen.
      2. Ze zien mij sinds de verhuizing het afval voor het huis zetten.
      3. Hij hoort ons op dit moment muziek in de kamer spelen.
      4. Zij ruikt hem nu ontbijt in de keuken maken.
      5. We zullen jullie zo snel mogelijk voor de bedreiging in de stad waarschuwen.
      Recept B
      6. We willen voor jullie…Read More

    • A:
      1. Hij mag me altijd zijn hond aanraken.
      2. Wil je me dit aanbod aannemen?
      3. Je ziet hem nu zijn vraag antwoorden.
      4. Wij kunnen haar om 6 uur thuis avondeten.
      5. Jullie zien ons op dit moment achter de winkel praten.
      B:
      6. Je wil met haar morgen in het café voor de afspraak bellen.
      7. Ik kan hem om de week in de class voor de cursus…Read More

    • Recept A:
      1. Zij wil met haar vriend vanavond naar een restaurant gaan.
      2. We zien ons om 7:00 uur om naar Amsterdam te gaan.
      3. Ik wil met jou vanavond naar de bioscoop gaan.
      4. Hij moet morgen de brief op kantoor sturen.
      5. Ze ziet jou morgen op kantoor.

      Recept B:
      1. Jullie kunnen met mij vandaag in de bibliotheek een boek lezen.
      2. Jij moet…Read More

    • A]
      1. Ik wil met jullie vanmiddag een afspraak in het ziekenhuis maken.
      2. Hij moet haar morgen van het werk halen.
      3. Ze moeten met jou om 1 uur examen op school doen.
      4. Jij zult met mij vanavond ons huiswerk thuis maken.
      5. Hij kan morgen zijn auto naar mij bij het station brengen.

      B]
      1. Ik zal met hen morgen thuis een filmpje kijken.
      2. Zij…Read More

    • Recept A
      1. Ik wil jou morgen mijn beurt overnemen.
      2. Ik wil ze volgende maand in mijn tuin bloeien.
      3. Mijn baas wil ons op vrijdag ons succes op het kantoor vieren.
      4. De leraar wil de kinderen tijdens de les stil in de klas blijven.
      5. Mijn vrouw wil mij na de les een koffie van Starbucks halen.
      Recept B
      1. Ik zal met jou morgen in het…Read More

      • A. 1. Ik wil dat jij morgen mijn dienst overneemt.
        2…dat ze….bloeien.
        3..met ons ..
        4..wil DAT de kinderen in de klas stil blijven.
        5..dat ik na de les bij Starbucks een koffie haal.
        B…2…kweken.

    • p.119 ex1. 1. Ik kan met hem vanavond thuis over de film praten.
      2. Ik kan met haar morgen buiten spellen.
      3. Ik zal met jullie vandaag in de klas over de opdracht praten.
      4. Ik wil haar morgen in de keuken helpen koken.
      5. Hij wil met jou morgen over het weekend praten.
      6. Ik kan jou nu in het park zien.
      7. Ik wil met mijn man in de woonkamer…Read More

    • Recept A
      1- Ik wil jou morgen koffie in een cafe drinken.
      2- Hij wil mij vanavond met mijn hond in het park lopen.
      3- Ze moet me morgen met de auto bij mijn huis ophalen.
      4- Jullie zien hij volgende weekend zijn taken op het kantoor maken.
      5- Ik ken jouw volgende mand met jouw auto naar vakantie gaan.
      Recept B
      1- Ik zal met jou vanavond thuis over…Read More

      • 1..met jou morgen in het café koffie drinken.
        2..met mij ..
        4. Jullie zien HEM volgenD weekend zijn taken op kantoor DOEN/AFMAKEN.
        5..met jou volgende maand met jouw auto op vakantie gaan.
        B
        2…barbecueën
        3…dat hij elke maandag op school het huiswerk doet.
        4..met haar .. in de ? dansen.
        5…dat wij in juli naar Italië op vakantie gaan.

    • 1- Ik wil met jou morgen in een café koffie drinken.
      2- Hij wil met mij en mijn hond vanavond in het park lopen.
      4- Jullie zien hem volgend weekend zijn taken op kantoor maken.
      5- Ik kan met jou volgende maand in jouw auto op vakantie gaan.
      Recept B
      2- Hij ziet haar elk weekend in haar achtertuin barbecueën.
      3- Jullie willen hij elke maandag op s…Read More

    • ⎯⎯⎯ Recept A ⎯⎯⎯
      ‎
      #1 — Ik zie jou later aan de klanten in Veldhoven een grote pizza leveren.
      #2 — Zij zien jou op een dag om deze ongelukkige gebeurtenis in jouw huis lachen.
      #3 — Jij moet haar morgen met de examenvoorbereiding in de bieb helpen!
      #4 — Ik zie jou elke dag op onze hond in ons huis letten.
      #5 — Ik zie u de volgende maand op de…Read More

      • 2…thuis om ….. lachen.
        4..bij ons thuis op onze hond letten.
        5. Ik zie u volgende maand op de luchthaven op …vertrouwen.
        9. Zij zullen ZICH met jou ………… interesseren.

    • 1. Ik kan jou morgenochtend met jouw vrienden naar school rijden.
      2. Wij zullen met hen morgen een feest thuis geven.
      3. Hij wil met haar vanochtend voor boodschappen naar de markt gaan.
      4. Zij zal met hem vanmiddag voor lunch in de Kruisstraat eten.
      5. Zij zullen met hun kinderen morgen voor een bergtrip naar Frankrijk gaan.
      6. Ik zal met jou…Read More

      • 2..thuis een feest geven.
        4..vanmiddag in de Kruisstraat lunchen.
        9…voor haar …feest naar huis brengen.
        10…voor de barbecue naar Eindhoven komen.

    • Recept A

      1. Ik wil met jou morgen een afspraak op mijn kantoor maken.
      2. Wij gaan met hem om 8 uur avondeten in het restaurant reserveren.
      3. Hij moet met haar volgende maand concertkaartjes in Den Haag kopen.
      4. Ik moet met hem voor 6 uur zijn huiswerk thuis maken.
      5. Zij zullen mij morgenochtend met jullie baas bij het station zien.

      Recept…Read More

    • Recept A

      1. Ik wil jou volgende maand met jouw diploma in het café zien.
      2. Ik zie haar vanavond met haar hond op het balkon zitten.
      3. Hij moet met zijn vrouw om 10 uur een afspraak bij de gemeente maken.
      4. Zij wil met haar vrienden op zaterdag hun huiswerk in de bibliotheek maken.
      5. Ik kan haar tot 8 uur met mijn zus thuis bezoeken.

      Recept…Read More

    • 1. Ik zal met jou volgende maand over jouw huiswerk op school praten.
      2. Ik wil met haar vanavond met de hond in het park spelen.
      3. Ik zal bij jou morgen in de stad blijven.
      4. Hij kan bij mij om zes uur boodschappen thuis brengen.
      5. Ik wil met haar morgen een afspraak thuis maken.
      6. Ze zal met ons morgen op school over de film praten.
      7. We…Read More

      • 1..op school over jouw huiswerk praten.
        (4..thuis boodschappen brengen.)
        5..thuis een afspraak maken.
        7..bij jou thuis helpen met koken.
        8..naar België….

    • Ik wil vanavond met jou op de baank een film kijken .
      Ik kan met jou een nieuwe puzzel starten.
      Ik ga morgen met jou praten over de vakantie.
      We gaan vanavond met hen in het park voetballen.
      Ze wil volgend weekend met hem naar schilderijen kijken in het museum.
      Hij wil zijn broer volgende week van het station ophalen.

    • 1 – Zij wil met hem vanavond naar haar ouders in de woonkamer bellen
      2 – Jij wilt met mij morgen tegen je docent op school praten.
      3 – Jij moet van hem de volgende keer over het examen bij hem thuis horen.
      4 – Wij kunnen met hen morgen op de trein bij het station wachten.
      5 – Zij zal met jou volgende maand naar een concert in Amsterdam gaan.
      6 –…Read More

    • 1. Ik wil jou morgen voor het station in Utrecht spreken.
      2. Ik zie jou morgen met de hond in het park lopen.
      3. Ik zie jou vanavond het eten in de keuken koken.

      ————————————————————————–

      1. Ik zal met jou morgen in het park over het plan spreken.
      2. Ik zal met jou vanmiddag in de bibliotheek aan het project werken.
      3. Ik zal met jou volgende we…Read More

  • Load More Posts