-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 114
Opdracht 2
Plaats jouw antwoorden hieronder:71 Comments-
1. Zie jij Sanne? Ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb je…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen/ze naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen/ze naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, die boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga me ze/hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met ze naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met ze naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van ze.
7. Heb…Read More -
Pagina 114, Opdracht 2:
1. Zie jij sanne? Nee, Ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja. Ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, Ik ken hem nog niet
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarket? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze…Read More -
1. Zie jij Sanne?
Nee, Ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel?
Ja, Ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al?
Nee, Ik ken hem nog niet
4. Is dit boek van jou?
Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarket?
Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren?
Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met ze/hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met ze/hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen/ze naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie je Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb je…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, Ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, Ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet!
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb je…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee Ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja ik spreek met hem
3. Ken jij mijn broer al? Nee ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt. Ik ga met hen naar de supermark.
6. Is deze auto van de buren? Nee deze auto is niet van hen
7. Heb jij…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen/ze naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met michel? Ja, ik speek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Saanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. IIs deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen (ze) naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met ze/hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik speek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
Zie jij Saanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. IIs deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken je mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michael? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie har niet.
2. Spreek jij met. Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb je…Read More -
#1 — Zie jij Sanne? Nee, ik zie [haar] niet!
#2 — Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met [hem].
#3 — Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken [hem] nog niet.
#4 — Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van [mij].
#5 — Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met [hen] naar de supermarkt.
#6 — Is deze auto van de b…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie -haar- niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, Ik spreek met -hem-.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken -hem- niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van -mij-.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met -ze/hen- naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, Ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, Ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met ze/hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van…Read More -
1- Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet!
2- Spreek jij met Michel? Ja, Ik spreek met hem.
3- Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4- Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5- Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6- Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7-…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met. Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7. Heb…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, Ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, Ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met ze/hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van…Read More -
1. Zie jij Sanne? Nee, ik zie haar niet.
2. Spreek jij met Michel? Ja, ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More
- Load More Posts

1. Zie jij Sanne? Nee, Ik zie haar niet!
2. Spreek jij met Michel? Ja, Ik spreek met hem.
3. Ken jij mijn broer al? Nee, ik ken hem nog niet.
4. Is dit boek van jou? Nee, dit boek is niet van mij.
5. Ga jij met Sander en Pieter naar de supermarkt? Ik ga met hen naar de supermarkt.
6. Is deze auto van de buren? Nee, deze auto is niet van hen.
7.…Read More