-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 166
Opdracht 6
Plaats jouw antwoorden hieronder:105 Comments-
-
1. Wil jij een auto of een fiets?
2. Heb jij een hond of een kat?
3. Eet jij een ijs of een stroopwafel?
4. Ga jij naar het strand of naar het park?
5. Luister jij naar muziek of een podcast? -
1. Heb jij een xbox of een nintendo?
2. Speel jij kaartjes of domino’s?
3. Wil je koffie of thee?
4. Ben je extrovert of introvert?
5. Speel jij basketbal of voetbal? -
1. Vind je blauw of groen leuk?
2. Gaan we naar Utrecht of Amsterdam verhuizen?
3. Eet je liever een appel of een banaan?
4. Wil je koffie of thee?
5. Kijk je liever een film of een serie? -
1. Moet ik rechts of links gaan?
2. Vind jij enge films of grappige films interessanter?
3. Heb jij minder of heel veel werk?
4. Werk jij meestal alleen of samen met andere mensen?
5. Vind jij Nederlands leren makkelijk of moeilijk?
6. Praat jij met jouw buren of niet?
7. Ga jij vaak buiten rennen of sporten in de gym? -
1. Koop je een broek of een rok?
2. Nemen wij een chocolade of een tas dropjes?
3. Kies je een ijsje of een koekje?
4. Gebruik jij een bril of lenzen?
5. Zoeken jullie een appartement of een huis? -
1. Drink jij koffie of thee?
2. Ben jij grappig of niet?
3. Zit jij in A1 of A2 cursus?
4. Houd je van honden of katten?
5. Eet jij een broodje met kaas of zonder kaas? -
5. Wil je naar Hema of naar Appie?
6. Wil je iets zoets of zouts eten?
7. Werkt zij vandaag thuis of op kantoor?
8. Drink je liever thee of koffie?
9. Spreken we af vandaag of morgen? -
1. Ga jij met jouw vrienden of jouw gezin op vakantie?
2. Rijd jij met de auto of met de fiets?
3. Woon jij in Eindhoven of in Den Bosch?
4. Gebruikt hij een iPhone of een Android?
5. Kijken jullie een film of een video? -
1. Bel je met jouw vriend of jouw moeder?
2. Praten je in het Engels of het Nederlands met jouw collega’s?
3. Werk je vandaag thuis of op kantoor?
4. Wil je voor het ontbijt muesli of een boterham eten?
5. Logeer jij bij haar of ga je naar huis? -
1. Wil je dit boek of dat boek?
2. Besluiten jullie een komedie of een horror?
3. Heb je een dochter of een zoon?
4. Ga je naar het werk of op een feest?
5. Drinkt zij een Aperol of een Martini? -
1. Lees je boeken of kranten?
2. Verkocht hij zijn woning of zijn vakantie huis?
3. Wilt u liever een biertje of een glaasje wijn?
4. Wonen jullie in een huis of een appartement?
5. Vier je liever vakantie in de zomer of in de winter? -
1. Reis je naar Duitsland of Oostenrijk?
2. Spreek je Nederlands of Engels?
3. Neem je een jas of een trui mee?
4. Zit je binnen of buiten?
5. Kijk je een film of een documentaire? -
1. Wil je een koffie of een thee?
2. Gingen jullie op vakantie naar Thailand of Indonesië?
3. Spreekt hij Nederlands of Engels?
4. Neemt hij zijn jas of mijn jas?
5. Maken jullie een pasta of een pizza? -
1. Eet jij een appel of een oranje?
2. Koopt hij een fiets of een auto?
3. Gebruik jij een airconditioner of een verwarming?
4. Parkeert u in het centrum of buiten de ring?
5. Heb jij een wandlamp of een plafondlamp? -
1. Wilt u een jas of een tas?
2. Wilt u ‘s ochtends of ‘s avonds werken?
3. Wilt hij een pizza of een hamburger eten?
4. Wilt u de bus of de trein nemen?
5. Wilt u met pinpas of contant betalen? -
1 – Kies jij een koffie of een thee in de ochtend?
2 – Wil jij vandaag een wandeling of een fietstocht maken?
3 – Neem jij de bus of de trein naar de school?
4 – Eet jij liever een rijst of een pasta bij het avondeten?
5 – Koop jij dit weekend een brood of een fruit op de markt? -
1. Wil je beginnen met de afwas of de was doen?
2. Kook je soep of pasta?
3. Zwemmen jullie in het zwembad of in de zee?
4. Hebben jullie honger of dorst?
5. Reserveren wij voor het hotel of voor het vliegtuig? -
1- Wil je graag pasta of pizza?
2- Zullen wij ga naar het part met fiets of te voet?
3- Neemt hij zij laptop of zij tablet mee?
4- Gaat zij vandaag of morgen boodschappen?
5- Zal ik je ‘s ochtends of ‘s middags een berichtje sturen? -
1. Wil jij een chocolade of een ijs?
2. Heb jij een Mercedes of een BMW?
3. Gaan wij in het weekend naar de bioscoop of blijven wij thuis?
4. Koopt hij een broek of een trui?
5. Gaat hij naar zijn kantoor of niet? -
1. Ga jij naar het park of de stad?
2. Krijg jij een tas of een doos?
3. Eet jij met je handen of een lepel?
4. Bel jij een vriend of een collega?
5. Kijk jij een film of een serie? -
1. Neem je de handveger of het blik?
2. Was alles gedaan op afstand of ter plaatse?
3. Heb je de sleutels of aansluitdraden ingepakt?
4. Ben ik mijn ID of mijn geheugen volledig kwijt?
5. Hebben jullie die app of dat spel geïnstalleerd?
6. Heb ik per ongeluk zijn koffie of jouw koffie opgedronken?
7. Doet u dat voor de kost of als hobby?
- Load More Posts

3. Werkt hij op kantoor of…