-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 165
Opdracht 4
Plaats jouw antwoorden hieronder:104 Comments-
1. Hij staat bij het station, maar ik zie hem niet.
2. Hij wil naar het feest gaan, maar ik weet het niet zeker.
3. Jos heeft een paar auto’s, maar ik heb alleen een fiets.
4. Ik ben naar de kraam gefietst, maar jij was daar niet.
5. Wij willen naar Spanje gaan maar mijn moeder wil in Amsterdam blijven -
1. Hij gaat naar de sportschool maar ik ga naar de tandarts.
2. Jullie hebben een feest maar jullie hebben geen gasten.
3. Ik wil een glas water maar ik wil geen citroen.
4. Ik koop een broek maar hij past niet.
5. Hij doet de afwas maar hij heeft geen zeep. -
1. Ik kocht een auto, maar ik wilde een motor.
2. Wij zijn al hier, maar jij bent niet.
3. Jij deed jouw projecten, maar zij hebben het niet gedaan.
4. Ik kom met een auto, maar ik rijd hem niet.
5. Zij kookt eten, maar ik was de borden af. -
1. Ik ren ‘s ochtends maar ‘s avonds niet
2. Ik werk soms thuis maar niet altijd
3. Hij wil slapen maar hij kan niet
4. Wij hebben veel tijd maar we zijn moe
5. Wij onderzoeken de klacht maar we ondernemen geen actie
6. Wij begrijpen het probleem maar we hebben geen oplossing
7. Ik heb een afspraak maar ik moet dat verplaatsen -
1. Ik kan autorijden, maar ik heb geen auto.
2. Ik ben architect, maar ik werk nu niet.
3. Ik ben ambitieus, maar ik ben wel lui.
4. Ik vind deze kleding heel leuk, maar hij is wel duur.
5. Ik maak een taart, maar ik volgt een suikervrij dieet. -
1. Ik heb normaal fiets maar zij heeft elektrische fiets.
2. Ik drink een kop melk, maar zij drinkt een kop koffie.
3. Ik maak een kamer schoon, maar zij spelen in een kamer.
4. Ik wil een koekje, maar ze hebben een taart.
5. Ik leer Nederlands maar zij leert Engels. -
1. Ik wil deze mooie bomen kopen, maar ik heb geen tuin.
2. Jij gaat op vakantie, maar jij moet jouw taak afmaken.
3. Wij willen een kat hebben, maar wij mogen niet.
4. Zij gaan een feestje organiseren, maar hebben geen plaats.
5. Hij wil melk drinken, maar hij heeft een allergie. -
1.Ik mag de docent maar hij geeft te veel huiswerk.
2. Zij had geld maar zij kocht een huis.
3. Wij bezochten oma, maar zij was niet thuis.
4. Ik las een handleiding maar het was een tijdverspilling.
5. Zij ging naar de bioscoop, maar de film was een flop. -
1. Ik eet elke dag een warm eten, maar ik kook niet altijd.
2. Zij sport elke dag, maar haar training duurt minder dan 30 minuten.
3. Hij eet veel kaas, maar eet geen pindakaas.
4. Hij gaat bij de volgende verkiezingen stemmen, maar weet nog niet op wie.
5. Zij gaan vanavond uit maar hebben niet veel energie. -
1. Hij gaat naar zijn werk, maar ik blijf thuis.
2. Ik ga slapen, maar hij gaat tv kijken.
3. Jullie gaan met de bus, maar wij gaan met de auto.
4. Ik ben moe, maar hij is vol energie.
5. Mijn vrienden gaan naar het park, maar ik moet naar de bibliotheek.
6. Jij woont in de stad, maar zij woont in het dorp.
7. Onze vrienden vieren Kerst in Polen,…Read More -
1. Ik wilde geen kaas maar hij deed kaas in mijn brood.
2. Ik drink geen koffie maar ik drink groene thee.
3. Ik eet geen yoghurt maar ik eet yoghurtpannenkoeken.
4. Ik wil een nieuwe laptop maar ik heb geen genoeg geld.
5. Ik ben lui maar ik heb een taak. -
1. Ik zie een hond, maar hoor een kat.
2. Zij koopt een boek, maar leest een krant.
3. Hij maakt een tekening, maar schildert een muur.
4. Wij eten een appel, maar drinken een koffie.
5. Ze zoeken een huis, maar vinden een appartement. -
1. Jij koopt de ingrediënten, maar ik kook de maaltijd.
2. Hij woont in Parijs, maar zijn vriendin woont in Madrid.
3. Wij gaan naar feesten, maar drinken geen alcohol.
4. Jij reserveert voor het hotel, maar betaalt niet voor de vakantie.
5. Jullie praten met de vrouw, maar zij luistert niet naar jou. -
1. Hij heeft een auto en ik heb een fiets
2. Hij gaat trouwen, maar zij niet.
3. Zij steekt een kaars aan maar het is nog steeds donker
4. Hij drinkt heel water maar hij heeft nog steeds dorst
5. Hij is goed maar zijn vriendinen zijn slecht
6. Zij heeft een donker haar maar hij heeft een blonde haar
7. Wij hebben geen kind maar zij heeft er wel…Read More -
1. Deze makelaar maakt geen gebruik van reclame, maar toch kent iedereen hem.
2. Hij is erg zuinig, maar zijn vrouw geeft al hun geld uit.
3. Er zijn veel masterprogramma’s op de Erasmus Universiteit, maar ik heb er nog geen één gekozen.
4. Ik ben al wakker, maar zij gaan in ieder geval tot lunchtijd slapen.
5. Veel influencers denken dat ze ber…Read More -
1.Het weer is koud, maar zonnig.
2. Hij is moe, maar hij werkt nog steeds.
3. Hij wil soms koffie drinken, maar nooit thee drinken.
4. Zij gaat naar België, maar niet met haar eigen auto.
5. Zij wil met hem praten, maar morgen niet. -
1. Ik ga wandelen, maar hij blijft thuis.
2. Ik fiets naar werk maar hij neemt de bus.
3. Zij wil bloemen planten, maar hij wil tuinieren.
4. Hij gaat naar de film, maar zij gaat naar een concert.
5. Zij begint met haar werk, maar haar collega is te laat. -
1- Ik heb een auto maar geen fiets.
2- Ik wil lopen maar hij wil fietsen.
3- Ik wil die schoenen kopen maar ze zijn heel duur.
4- Ik wil lopen buiten maar het regent.
5- Zij eet spruitjes maar zij eet liever pasta. -
1. Ik wil wel een fles water, maar geen koude.
2. De baas opperde een idee, maar niemand stemde ermee in.
3. Wij staan bij het centrum, maar wij zien hen niet.
4. Ik koop geen boek, maar wel een pen.
5. Zij gaat naar haar werk, maar ik ga naar de sportschool.
6. Ik wil een voetbalwedstrijd kijken, maar ik moet studeren.
7. Ik wil in de winter op…Read More -
1. Ik bestel een kopje koffie maar zij bestelt een glas sap.
2. Ik hou van katten maar zij houdt van honden.
3. Ik betaal met de pinpas maar zij betaalt met de creditcard.
4. Ik ben een avondmens maar zij is een ochtendmens.
5. Ik neem een paraplu maar zij neemt een regenjas. -
1. Zij bewijzen de waarheid, maar niemand gelooft hen.
2. Mijn zoontje lijkt op mijn man, maar hij heeft wel mijn gewoonten.
3. We bieden hulp aan de slachtoffers, maar we zijn echt met heel weinigen.
4. De aardbeving beschadigde de muur, maar het gebouw heeft het overleefd.
5. Hij verzint een oplossing, maar dat probleem bestaat wel nog…Read More -
1. Hij werkt 50 uur per week, maar hij verdient nog niet genoeg geld.
2. Hij is heel sterk, maar niet slim.
3. Zij is Nederlandse, maar zij spreekt nog steeds slecht Nederlands.
4. Ze zijn al tien jaar getrouwd, maar ze slapen nooit samen.
5. Hij besteedt veel tijd aan het zoeken naar een baan, maar hij kan hem nog steeds niet vinden. -
1. Ik wilde naar het strand gaan, maar het begon te regenen.
2. Ze reserveert een tafel voor twee, maar zij is ziek.
3. Wij zijn bezig met ons huiswerk, maar wij moeten jouw verjaardag vieren.
4. Hij bestelde een pizza, maar hij had geen honger meer.
5. Wij vertrokken op tijd, maar wij misten de trein. -
1.Ik wilde vroeg gaan slapen, maar mijn buurman maakte veel lawaai.
2.Zij had alles goed voorbereid, maar de computer werkte niet mee.
3.Hij wilde met de auto komen, maar hij vond geen parkeerplaats.
4.We hadden genoeg tijd, maar we vergaten de afspraak.
5.Ik dacht dat het makkelijk zou zijn, maar het was juist heel moeilijk.
- Load More Posts

3..rijdt auto, maar geen fiets
(gaat met de auto en niet met de fiets)
4..naar school