-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 165
Opdracht 3
Plaats jouw antwoorden hieronder:119 Comments-
1. Hij zit op de bank en ik zit op de stoel.
2. Mijn man kookt eten en ik doe de schoonmaken.
3. Hij betaalt het kaartje en zij plant de vakantie.
4. Ik draag de jas en jij draag de trui.
5. Hij leest het boek en zij schrijft de brief. -
1. Zij maakt haar huiswerk en ik bak een taart.
2. Ze werken bij Philips en wij werken bij ASML.
3. Zij rijdt de auto en ik slaap.
4. Hij leest een boek en zij kijkt naar de film.
5. Zij studeert in de bibliotheek en haar vriend leert thuis. -
1. Anna bracht chocolade en ik at.
2. Gisteren zette Anna koffie voor mij, en ik dronk het.
3. Anna dronk water en ik maakte mijn huiswerk.
4. Ik ga thuis en ik kook het avondeten.
5. Ik vergat mijn sleutels en Anna opende de deur. -
1. Ik heb een fiets en hij heeft een auto.
2. Zij speelt met een klei en hij speelt op de pc.
3. Ik draag een jas en jullie dragen alleen een trui.
4. Jullie maken het eten en ik kijk tv.
5. Ik lees een boek en hij luistert naar de radio.
6. Jullie gaan naar de markt en ik blijf thuis. -
1. Ik vind rockmuziek leuk en zij vindt dat ook leuk!
2. Wij gaan met onze auto en zij gaat met de bus.
3. Jullie zijn beschikbaar en ik ben niet.
4. Zij is een Nederlander en zij woont in Boxtel.
5. Het gebouw staat voor mijn kantoor en het is heel groot. -
1. Ik loop met de hond en ik ga naar mijn werk
2. Ik ren ‘s ochtends en ontspan ‘s avonds
3. Ik werk soms thuis en soms op kantoor
4. We reserveren een tafel en we bevestigen de afspraak
5. Hij onderzoekt het probleem en hij rapporteert het resultaat
6. Ik vergader met mijn team en ik noteer belangrijke punten
7. Zij studeert voor de toets en ze…Read More -
1. Hij kijkt sumoworstelen en ik teken bloemen.
2. Ik maak mijn huiswerk en hij gebruikt zijn PC.
3. Zij ligt op de bank en hij op het bed
4. We gaan naar het park en jullie blijven thuis.
5. Hij drinkt frisdranken en ik drink gewoon water. -
1. Ik doe mijn huiswerk en hij slaapt.
2. Zij komt hier met de trein en het duurt over twee uur.
3. Ik maak Chinese gerechten thuis en ik doe het vaak.
4. Ik lees een boek en het boek is interessant.
5. Hij komt thuis en het is 6 uur ‘s avonds. -
1. Ik hou van de sport en zij houdt van de muziek.
2. Wij zagen een monument en wij maakten een foto.
3, Zij neemt de koffer en zij verlaat de kamer.
4. Zij dronken al het bier en zij aten mijn avondeten.
5. Ik schrijf een brief en denk aan mijn moeder. -
1. Ik drink elke dag koffie en zij drinkt thee.
2. Zij rijdt met haar auto naar haar werk en hij fietst naar de supermarkt.
3. Zij eten veel frietjes en drinken cola.
4. Hij bespaart geld en gaat met de fiets naar zijn werk.
5. Hij ruimt haar huis op en ontvangt bezoekers.
6. PSV speelt vandaag en komend weekend.
7. Ze deelt een boek met mij met…Read More -
1. Ik eet een snoepje en jij drinkt sap.
2. Ik kook het hoofdgerecht en hij maakt het dessert.
3. Jij schrijft een boek en hij leest het.
4. Anna gaat naar huis en ze speelt met haar hond.
5. Wij bestuderen ons examen en zij gaan naar een feestje. -
1. Ik sta vroeg op en hij slaapt nog.
2. Hij drinkt koffie en ik drink thee.
3. Wij praten een beetje en luisteren naar muziek.
4. Ik bak vlees en hij maakt salade.
5. De zon schijnt en de lucht is blauw.
6. De kinderen spelen buiten en de ouders zitten op de bank.
7. Hij is ziek en hij gaat naar huis.
8. Ik bel haar en zij luistert naar mij.
9.…Read More -
1. Ik maak het huiswerk en zij leest een boek.
2. Zij loopt in een park en ik blijf thuis.
3. Ik speel een videogame en zij kijkt naar TV.
4. Hij werkt op zijn nieuwe baan en ik werk niet.
5. Ik hoor een vogel en zij hoort de vogel niet. -
1. Ik maak mijn huiswerk en Jelle kijkt naar televisie.
2. Wij gaan op vakantie en jullie moeten hier werken.
3. Jullie koken deze lekkere sushi en wij wachten op de bank.
4. Ik maak mijn woonkamer schoon en mijn vriend speelt zijn Nintendo Switch.
5. Jelle rijdt de auto en ik kijk naar Google Maps. -
1-Zij neemt een tas en ik geef haar het geld.
2-Wij kochten een appel en hij was verrot.
3-Ik bel mijn moeder en zij nam de telefoon niet op.
4-Jij loopt naar de markt en jij koopt een avocado.
5-Zij spelen heel veel spellen en zij zingen een liedje. -
1. Zij luistert naar een liedje en ik werk in een project.
2. Hij maakt een sneeuwpop en ik volg een cursus.
3. Hij schrijft een brief en ik lees een verhaal.
4. Ze bouwen een kamer en wij kopen een huis.
5. De baby speelt een spel en ik maak een opdracht. -
1. De zon schijnt en ik lig op het strand.
2. Hij heeft een nieuwe auto en zijn vrouw rijdt te snel op de snelweg.
3. Ik doe de was en jij maakt het huis schoon.
4. De vogel vliegt en de kat kijkt de vogel.
5. De klok tikt en de tijd verdwijnt. -
1. De docent geeft de les en ik schrijf de notities.
2. De oma plant de bloemen en de opa geeft ze water.
3. Mijn zus speelt viool en ik speel piano.
4. Hij reist met de trein en ik met de fiets.
5. De werkgever zoekt werknemers en de werknemers hebben alle documenten nodig. -
1 – Hij leest de krant en ik maak het ontbijt.
2 – Zij schildert een muur en wij zoeken de oude foto’s.
3 – De kinderen bouwen een sneeuwpop en de ouders drinken warme chocolade.
4 – Mijn broer repareert zijn fiets en ik oefen mijn Nederlands.
5 – De hond slaapt op de bank en de kat kijkt uit het raam. -
1. Ik eet een appel en zij lees een boek.
2. Jullie kopen een cadeau en ze maken een taart.
3. Hij pakt een tas en zij koopt een jurk.
4. Ik neem en drankje en hij leest een bericht.
5. Ik heb een grote huis en zij heeft een snelle auto. -
1. Ik kook het avondeten en ik luister naar BNR Radio.
2. Wij spelen voetbal en zij kijken de wedstrijd.
3. Hij eet een salade en zij drinkt een sap.
4. Jij werkt in het weekend en hij doet de schoonmaak thuis.
5. Jullie kopen de auto en jullie betalen de autoverzekering. -
1. Ik neem een bus en ik ga naar luchthaven
2. Ik pak een lepel en eet mijn lunch op
3. Hij gaat naar zijn werk en ik blijf thuis.
4. Wij hebben een auto en ze hebben een fiets
5. Wij ries naar Zwitserland en wij nemen de gletsjerexpress
6. Hij gaat naar huis en kijkt een film
7. Hij komt na school en hij maakt huiswerk
8. Zij gaat naar het…Read More -
1. Ik werk bij een Nederlands bedrijf en ze studeert aan de universiteit in Milan.
2. Wij gaan naar Roemenië vliegen en zij rijden daarheen.
3. Ik heb het raam geopend en de frisse lucht heeft de kamer gevuld.
4. Jij gaat een hotel boeken en zij gaat de route plannen.
5. Wij zullen door de bergen wandelen en jullie zullen langs de kust fietsen. -
1. Hij heeft een bioscoopkaartje en hij wil een film kijken.
2. Ik studeer Nederlands en mijn vriend studeert Engels.
3. Wij gaan naar de winkel en wij kopen fruit.
4. Wij eten avondeten en wij praten over de dag.
5. Ik fiets naar werk en hij neemt de bus. -
1- Hij studeert Turkse en ik studeer Nederlands.
2- Wij rijden met de auto en zij fietsen.
3- Zij kookt een kip en hij kookt aardappelen.
4- Ik kijken naar TV en hij maakt een puzzel.
5- Jullie verven de deur en zij verven de ramen. -
1. Ik snijd de groenten en hij maakt het avondeten klaar.
2. Hij bestuurt de auto en ik kijk Google Maps.
3. Ik ben mijn huiswerk aan het maken en hij is aan het telefoneren.
4. Hij kijkt naar een voetbalwedstrijd en ik ben aan het tuinieren.
5. Hij kijkt een film en ik maak mijn huiswerk. -
1. Hij speelt voetbal en zij speelt volleybal.
2. Victor maakt het huis schoon en Maria kookt.
3. Morgenochtend ga ik naar de supermarkt en zij gaat naar kantoor.
4. Zij leest een boek en ik kijk een film.
5. Hij drinkt een glas wijn en ik drink gewoon water.
6. Ik neem het interview af en jij observeert.
7. Ik sport ‘s ochtends en studeer ‘s avo…Read More -
1. Ik ontving de bevestiging en jij zag hem over het hoofd.
2. Jij hebt tegen hem gesproken en nu kun je me gewoon alles zeggen.
3. Ik maak zelf een lijstje en wij gaan samen boodschappen doen.
4. Hij heeft een afspraak gemaakt en de arts wacht op hem.
5. De leraar legde de regels uit en de studenten onthielden ze.
6. De mensen gingen massaal naar…Read More -
1. Ik kook avondeten en mijn vriend kijkt naar een film.
2. De baas geeft een presentatie en de collega belt een klant.
3. Hij maakt thuis schoon en zij doet haar huiswerk.
4. Hij werkt met een laptop en zij werkt met een telefoon.
5. Ik ga naar de AH om boodschappen te doen en jij gaat naar de Jumbo.
- Load More Posts

1…en ik kijk Netflix.
3..was de borden af.
4. kook
5. hij