-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 186
Plaats jouw antwoorden hieronder:111 Comments-
1. Ik sta te koken.
2. Ze beginnen in magie te geloven.
3. Jij belooft Nederlands te leren.
4. Hij eist te weten.
5. Deze weg is nu verboden te betreden. -
1. Ik snij de ardappellen te koken.
2. Ik zit een film te kijken.
3. Ik hoef geld een jas niet te kopen.
4. Ik besluit vanavond een vogel te worden.
5. Ik geloof haar wetenschappers te worden. -
1. Ik hoop te lopen.
2. Hij vraagt te bellen.
3. Zij probeert te leren.
4. Ik zit te werken.
5. Ik denk te rijden. -
1. Ik lig nu op de bank te ontspannen.
2. Zij staat nu in de rij om koffie te drinken.
3. Wij komen nu naar de les om Nederlands te leren.
4. Hij vraagt om te weten. -
1. Ik beoog mijn Nederlands te verbeteren
2. Wij hopen het probleem op te lossen
3. Hij tracht op tijd te komen
4. Zij vindt het leuk om te reizen
5. Zij wenst haar doelen te bereiken -
1. Ik zit vandaag huiswerk te maken.
2. Zij probeert zonder recept te koken.
3. Hij belooft vroeg thuis te komen.
4. We wachten een uur om een concert te zien.
5. Ik hoop Nederlands te leren. -
1. Ik probeer te begrijpen.
2. Ik sta op de bus te wachten.
3. We beginnen in februari met het B2-niveau te leren.
4. Jullie liggen op de bank tv te kijken.
5. We leren Nederlands om met Nederlandse collega’s te praten. -
1. Ik begin te spreken.
2. Jullie hoeven zich geen zorgen te maken.
3. Zij loopt nu in het park na te denken.
4. Hit zit nu op kantoor Nederlands te oefenen.
5. Ze durft tijdens de wedstrijd een eigen doelpunt te maken. -
1. Wij vergeten Nederlands te oefenen.
2. Ik probeer meer sporten te doen.
3. Hij weigert met jou te praten.
4. Jullie zeggen een afspraak te maken.
5. Jij denkt een mooi pak te kopen. -
1. Ik zit te trachten.
2. Zij zit te denken.
3. Hij staat te lopen.
4. Ze proberen te vinden.
5. Jullie durven te zeggen. -
1. Ik ga te lopen.
2. Wij zitten te luisteren.
3. Jullie proberen te winnen.
4. Ik sta in Eindhoven te blieven.
5. Hij proberen re vragen. -
1. Ik zit te eten
2. Hij ga te rijden
3. Jullie gaan te kopen
4. Zij staat te spelen
5. Hij staat te rennen -
1. Ik begin te verstaan.
2. Hij begint te eten.
3. Hij leert te spreken.
4. Hij probeert te hardlopen.
5. Zij hoopt te meefietsen. -
1. Ik probeer al een uur om mijn sleutels te vinden.
2. Het begint te regenen.
3. Hij is vergeten om de planten water te geven.
4. Zij ligt te slapen.
5. Wij staan in de keuken te koken.
6. Hij tracht het probleem op te lossen.
7. De student weigert niet om de opdracht te maken.
8. De leraar verklaart de les duidelijk om de studenten te…Read More -
1- Hij durft uit het vliegtuig te springen.
2- Zij vraagt te zitten.
3- Zij hopen te worden gehoord.
4- Hij vergeet te winkelen.
5- Zij schrijft op haar hand om het niet te vergeten.
6- Hij dwingt zich wakker te zijn.
7- Hij belooft te studeren.
8- Zij begint te niezen.
9- Jullie verbieden de kinderen vandaag buiten te spelen.
10- Ik leer te fietsen. -
1. Zij besloot vorig jaar van baan te veranderen om meer voldoening in haar leven te vinden.
2. Hij heeft beloofd altijd eerlijk te blijven.
3. Wij zullen volgend semester proberen actiever deel te nemen aan de lessen.
4. Zij weigerde het aanbod te accepteren omdat het niet bij haar toekomstplannen paste.
5. Wij hopen dit project op tijd af te ronden. -
1. Ik kom te leren.
2. Wij zitten te tv kijken.
3. Ik zit te denken.
4. Hij probeert Nederlands te spreken.
5. Het kind begint te huilen. -
1.Ik probeer elke dag te sporten.
2.Het is belangrijk te luisteren naar de leraar.
3.Zij begint morgen te werken in een winkel.
4.Wij hopen dit jaar te reizen naar Spanje.
5.Hij vergeet vaak te bellen naar zijn moeder. -
1. Hij belooft te komen.
2. Zij besluit een Nederlandse cursus te volgen.
3. Wij denken het abonnement te annuleren.
4. Ik lig al te slapen.
5. Ik weiger tot de avond te wachten. -
1. Ik dwing te leren.
2. Het schijnt te regenen.
3. Ze lijkt veel te weten.
4. Ik beloof mijn familie te zien.
5. De politiemannen plegen te redden.
6. Ik geloof je te komen.
7. We hopen de wedstrijd te winnen.
8. De mensen weigeren te stemmen.
9. Kinderen verlangen te spelen.
10. Ze pogen te onderhandelen. -
1. Steeds meer mensen besluiten tegenwoordig het nieuws op internet minder te bekijken.
2. De man begint plotseling op de date gouden bergen te beloven.
3. Ik probeerde toen in die situatie zenuwen van staal te hebben.
4. Hij leert tijdens verhitte discussies het hoofd koel te houden.
5. Zij ligt de hele ochtend in haar slaapkamer heel diep te slapen. -
1) Ik begin te schilderen.
2) Ik durf te antwoorden.
3) Ik weiger te beginnen.
4) Ik wens te reizen. -
1. Ik probeer al een uur mijn sleutels te vinden.
2. Het begint te regenen.
3. Hij is vergeten de planten water te geven.
4. Zij ligt te slapen.
5. Ik begin Nederlands te leren.
6. Wij proberen de trein te halen.
7. Zij belooft mij te helpen. -
1. Ik probeer al een uur mijn sleutels te vinden.
2. Het begint te regenen.
3. Hij is vergeten de planten water te geven.
4. Zij ligt te slapen.
5. Ik begin Nederlands te leren.
6. Wij proberen de trein te halen.
7. Zij belooft mij te helpen.
- Load More Posts

5..Ik hoef niet op te ruimen.