-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 179
Opdracht 4
Plaats jouw antwoorden hieronder:103 Comments-
1. Er is een leeuw in de dierentuin.
2. Er is geen thee in het café.
3. Er is geen balkon in dat appartement.
4. Er staat een bank voor de tv.
5. Er ligt een krant op de tafel. -
1. Er is een cadeautje op de tafel.
2. Er ligt een kat bij de muur.
3. Er staat een man tussen de boom en de bushalte.
4. Er hangt een lamp aan het plafond.
5. Er is een tas in de kast. -
1. Er zijn geen aardbeien in de supermarkt.
2. Er is veel geld in de bank.
3. Er is een muis in mijn tuin.
4. Er is suiker in de kast
5. Er is alleen havermelk in de koelkast. -
1. Er is geen boom in de tuin.
2. Er is een ei in de koelkast.
3. Er is een auto voor het huis.
4. Er is geen fiets op straat.
5. Er zijn veel boeken in de boekenkast. -
1. Er is een man in de receptie.
2. Er ligt een kat op mijn bed.
3. Er is een lange kustlijn langs Chili.
4. Er liggen veel munten verspreid in haar tas.
5. Er staat een mooie fiets buiten jouw huis. -
1. Er liggen vijf fruiten in de koelkast.
2. Er staan twee vogels voor het raam.
3. Er staan pannen in de kast.
4. Er staan geen kleding in de wasmachine.
5. Er is een kleine tuin in het restaurant. -
1. Er is een boek in de kast.
2. Er is geen vlees in de koelkast.
3. Er staat een computer op de tafel.
4. Er zitten wat mensen in de kamer.
5. Er ligt een telefoon op de stoel. -
1. Er zijn honderd fietsen op de parkeerplaats.
2. Er ligt een portemonnee op de tafel.
3. Er staat een rij om te betalen.
4. Er zit een tas op de grond.
5. Er is een kat in de kamer. -
1. Er is een boek in de boekenkast
2. Er is een stoel in de kamer
3. Er is een pen op de tafel
4. Er is een hond in het park
5. Er is een kussen op de bank -
1. Er is geen suiker in de suikerdoos.
2. Er zijn zes eieren in de doos.
3. Er is een pakje melk in de koelkast.
4. Er zijn vijf boeken op de tafel.
5. Er zijn geen bladeren in de boom. -
1- Er liggen twee deken op de bank.
2- Er spelen twee katten op de straat.
3- Er tjilpen veel mussen op het hek.
4- Er is een zwempad in de tuin.
5- Er staan tien autos op de weg. -
1. Er is een appel in de koelkast.
2. Er is geen melk in de koelkast.
3. Er ligt een pen op de tafel.
4. Er is geen internet op het kantoor.
5. Er staat een auto op straat.
6. Er speelt een hond in het park.
7. Er zijn kinderen in het centrum.
8. Er is geen frisse lucht in de kamer. -
1. Er ligt een boek op de tafel.
2. Er staat een fles water in de koelkast.
3. Er hangt een jas aan de kapstok.
4. Er zit een kat onder de stoel.
5. Er loopt een hond in het park.
6. Er groeit een boom in de tuin.
7. Er blijft geen koffie in de pot. -
1.Er is een boek op de tafel.
2.Er is geen water in de fles.
3.Er staat een fiets voor het huis.
4.Er ligt een kat op de stoel.
5.Er zijn mensen in de winkel. -
1. Er staat een boom in het park.
2. Er ligt een boek op de tafel.
3. Er is geen zout in de kast.
4. Er zijn heel veel mieren in de tuin.
5. Er liggen sommige baby’s op de vloer.
6. Er staan veel gebouwen in de stad. -
1. Er hangt een broek in mijn kledingkast.
2. Er ligt een handdoek in de badkamer.
3. Er is geen koekje in de doos.
4. Er zit een cafe in de stad.
5. Ergens op de tafel ligt een telefoon.
6. Nergens in de koelkast liggen groenten. -
1. Er is een fout in jouw berekening.
2. Er staat een groot gebouw in het centrum.
3. Er ligt een winkelcentrum in het noorden van Eindhoven.
4. Er klinkt muziek uit het café.
5. Er zitten mannen en vrouwen in deze groep.
6. Er is niets groens op jouw bord.
7. Ergens in haar kamer ligt een jurk.
8. Nergens in de stad zijn goede restaurants.
9. Er…Read More -
1. Er liggen brieven in de brievenbus.
2. Er lopen mensen in de winkel.
3. Er hing kleding in de kast.
4. Er komt geen water uit de kraan.
5. Er gaan gedachten door mijn hoofd.
6. Er zitten borden in de vaatwasser.
7. Er staan pantoffels op de vloer.
8. Er was nieuws op tv.
9. Er bleven koekjes over in de doos.
10. Er staan geen fietsen in de stalling. -
1. Er staat een waterfles op de tafel.
2. Er spelen veel kinderen in het park.
3. Er kijken mensen een film in de bioscoop.
4. Er wonen collega’s een vergadering bij op kantoor.
5. Er wacht een vrouw op de trein.
6. Nergens in het huis staat een schoenrek.
- Load More Posts

1. op/in het station
2. op/in (bij) het station