Dutch Course Eindhoven A2 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 month, 1 week ago
  • 97

    Posts

  • 85

    Members

  • Dutchbook huiswerk:👍
    Boek. Pagina 178
    Opdracht 3
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    67 Comments
    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb veel geld(/Ik heb er veel van).
      4. Ik heb geen melk.
      5. again, without “sugar”

    • 11. Ik heb er een beetje van.

    • 8. Ik heb er een beetje van.

    • Ik heb niet veel geld, Ik heb geen melk/suiker

    • buren >> Zij hebben er geen

    • een beetje geld, geen melk, veel suiker

    • 6..hebben er twee.
      8..geen geld
      9. liter
      10. wat suiker

    • 6. Mijn buren hebben er drie.

    • 8..wat geld (‘some money’), soms geld=sometimes money

    • 9..geen melk
      10..veel suiker

    • 9..flessen
      10..veel suiker

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er een.
      4. Ik heb er twee.
      5. Ik heb er twee.
      6. Zij hebben er een.
      7. ik heb er geen.
      8. Ik heb er genoeg.
      9. Ik heb een liter melk.
      10. Ik heb een kilo van.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er vijf.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Ik heb er een.
      7. Ik heb er drie.
      8. Ik heb er genoeg.
      9. Ik heb er geen.
      10. Ik heb er een kilo.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er drie.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Zij hebben er twee.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb een paar melk.
      10. Ik heb veel suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er een.
      6. Zij hebben er geen.
      7. Ik heb er drie.
      8. Ik heb voldoende geld.
      9. Ik heb er twee.
      10. Ik heb veel suiker.

    • 1. Ik heb er twee
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er één.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er veel
      6. Ze hebben er geen.
      7. Ik heb er een paar.
      8. Ik heb er een paar.
      9. Ik heb er twee liter.
      10. Ik heb er tweehonderd gram.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Zij hebben er geen.
      7. Ik heb er tien.
      8. Ik heb voldoende geld.
      9. Ik heb er een.
      10. Ik heb er geen.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er drie.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er vijf.
      6. Zij hebben er vijf.
      7. Ik heb er vier.
      8. Ik heb voldoende geld.
      9. Ik heb er twee flessen.
      10. Ik heb er geen.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er vijf.
      6. Zij hebben er één.
      7. Ik heb er twee.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb er twee pakken.
      10. Ik heb er geen.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er zeven.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Ze hebben er geen.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb een liter melk.
      10. Ik heb een pakket suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er zes.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Zij hebben er een.
      7. Ik heb er veel.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb drie pakken.
      10. Ik heb geen suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er vier.
      4. Ik heb er twee.
      5. Ik heb er twee.
      6. Ze hebben er drie.
      7. Ik heb er vier.
      8. Ik heb geen geld.
      9. Ik heb twee pakken.
      10. Ik heb geen suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er vier.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er veel.
      6. Ze hebben er geen.
      7. Ik heb er veel.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb twee pakken melk.
      10. Ik heb geen suiker

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er zes.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Zij hebben er een.
      7. Ik heb er veel.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb twee pakken.
      10. Ik heb een kan.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er twee.
      6. Ze hebben er geen.
      7. Ik heb er veel.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb geen suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er zes.
      4. Ik heb er twee.
      5. Ik heb er drie.
      6. Ze hebben er twee.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb veel suiker.

    • 1. Ik heb er 3.
      2. Ik heb er 10.
      3. Ik heb er 2.
      4. Ik heb er 2.
      5. Ik heb er 2.
      6. Ze hebben er 1.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb niet genoeg geld.
      9. Ik heb 1 liter melk.
      10. Ik heb 500 gram suiker

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er twee.
      5. Ik heb er twee.
      6. Zij hebben er één.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb wat geld.
      9. Ik heb een pak melk.
      10. Ik heb één pakje suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er acht.
      4. Ik heb er twee.
      5. Ik heb er zes.
      6. Ze hebben er twee.
      7. Ik heb er zeven.
      8. Ik heb veel geld.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb geen suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er drie.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er veel.
      6. Zij hebben er geen.
      7. Ik heb er niet zo veel.
      8. Ik heb niet zo veel geld.
      9. Ik heb minder dan 1 liter melk.
      10. Ik heb veel suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er drie.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er zeven.
      6. Ze hebben er geen.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb niet genoeg geld.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb een pakje suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er drie.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er drie.
      6. Ze hebben er meer dan twee.
      7. Ik heb er niet veel.
      8. Ik heb niet genoeg voor een huis.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb ook geen suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er veel.
      6. Zij hebben er geen.
      7. Ik heb er genoeg.
      8. Ik heb op dit moment niet genoeg geld.
      9. Ik heb een liter melk.
      10. Ik heb genoeg suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er een.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er 6.
      6. Zij hebben er geen.
      7. Ik heb er veel.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb een pakje suiker.

    • 1-Ik heb er twee.
      2-Ik heb er tien.
      3-Ik heb er twee.
      4-Ik heb er een.
      5-Ik heb er drie.
      6-Ze hebben er geen.
      7-Ik heb er geen.
      8-Ik heb genoeg geld.
      9-Ik heb een liter melk.
      10-Ik heb veel suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er een.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er veel.
      6. Zij hebben er geen.
      7. Ik heb er niet veel.
      8. Ik heb een beetje geld.
      9. Ik heb twee liter melk.
      10. Ik heb geen suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er drie.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Zij hebben er geen.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb sommige geld.
      9. Ik heb twee liter melk.
      10. Ik heb geen suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er vief.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Zij hebben er vief in totaal.
      7. Ik heb er drie.
      8. Ik heb niet zoveel geld.
      9. Ik heb een liter melk.
      10. Ik heb een beetje suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er twee.
      5. Ik heb er twee.
      6. Zij hebben er één.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb wat geld.
      9. Ik heb een pak melk.
      10. Ik heb één pakje suiker.

    • 1) Ik heb er twee.
      2) Ik heb er tien.
      3) Ik heb er een.
      4) Ik heb er een.
      5) Ik heb er twee.
      6) Zij hebben er drie.
      7) Ik heb er wenig.
      8) Ik heb wenig geld.
      9) Ik heb 3,8 liter melk.
      10) Ik heb veel suiker.

    • 1. Ik heb er twee
      2. Ik heb er tien
      3. Ik heb er vier
      4. Ik heb er twee
      5. Ik heb er vijf
      6. Ze heb er een
      7. Ik heb er veel
      8. Ik heb er soms een paar
      9. Ik heb er een liter
      10. Ik heb er een kilo

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er twintig.
      3. Ik heb er drie.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Ze hebben er twee.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb 1,5 liter melk.
      10. Ik heb wat suiker.

    • 1. Ik heb er twee
      2. Ik heb er tien
      3. Ik heb er acht
      4. Ik heb er twee
      5. Ik heb er twee
      6. Ze heb er vier
      7. Ik heb er vijf
      8. Ik heb veel geld
      9. Ik heb een pak melk
      10. Ik heb een zak suiker

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er tien.
      6. Zij hebben er een.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb niet zo veel geld.
      9. Ik heb een liter melk.
      10. Ik heb een pakje suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er geen.
      5. Ik heb er vier.
      6. Zij hebben er geen.
      7. Ik heb er vijf.
      8. Ik heb er genoeg.
      9. Ik heb er een pakje.
      10. Ik heb er geen.

    • 1. Hoeveel ogen heb jij? Ik heb er twee.
      2. Hoeveel vingers heb jij? Ik heb er tien.
      3. Hoeveel kamers heb jij? Ik heb er vier.
      4. Hoeveel docenten heb jij? Ik heb er twee.
      5. Hoeveel buren heb jij? Ik heb er drie.
      6. Hoeveel kinderen hebben jouw buren? Ze hebben er geen.
      7. Hoeveel munten heb jij? Ik heb er vijfentwintig.
      8. Hoeveel geld heb jij?…Read More

    • 1. Hoeveel ogen heb jij? Ik heb er twee.
      2. Hoeveel vingers heb jij? Ik heb er tien.
      3. Hoeveel kamers heb jij? Ik heb er vier.
      4. Hoeveel docenten heb jij? Ik heb er een.
      5. Hoeveel buren heb jij? Ik heb er acht.
      6. Hoeveel kinderen hebben jouw buren? Zij hebben er vier.
      7. Hoeveel munten heb jij? Ik heb er geen, maar mijn zoon heeft er veel.
      8.…Read More

    • 1. Hoeveel ogen heb jij? Ik heb er twee.
      2. Hoeveel vingers heb jij? Ik heb er tien.
      3. Hoeveel kamers heb jij? Ik heb er drie.
      4. Hoeveel docenten heb jij? Ik heb er één.
      5. Hoeveel buren heb jij? Ik heb er twee.
      6. Hoeveel kinderen hebben jouw buren? Zij hebben er geen.
      7. Hoeveel munten heb jij? Ik heb er tien.
      8. Hoeveel geld heb jij? Ik heb g…Read More

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er vier.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er een.
      6. Zij heeft er twee.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb er twee.
      9. Ik heb twee liter melk.
      10. Ik heb geen suiker.

    • 1. Hoeveel ogen heb jij? Ik heb er twee.
      2. Hoeveel vingers heb jij? Ik heb er tien.
      3. Hoeveel kamers heb jij? Ik heb er drie.
      4. Hoeveel docenten heb jij? Ik heb er twee.
      5. Hoeveel buren heb jij? Ik heb er twee.
      6. Hoeveel kinderen hebben jouw buren? Ze hebben er geen.
      7. Hoeveel munten heb jij? Ik heb er veel.
      8. Hoeveel geld heb jij? Ik heb…Read More

    • 1. Hoeveel ogen heb jij? Ik heb er twee.
      2. Hoeveel vingers heb jij? Ik heb er tien.
      3. Hoeveel kamers heb jij? Ik heb er twee.
      4. Hoeveel docenten heb jij? Ik heb er twee.
      5. Hoeveel buren heb jij? Ik heb er één.
      6. Hoeveel kinderen hebben jouw buren? Ze hebben er geen.
      7. Hoeveel munten heb jij? Ik heb er meer dan tien.
      8. Hoeveel geld heb j…Read More

    • 1. Hoeveel ogen heb jij? Ik heb er twee.
      2. Hoeveel vingers heb jij? Ik heb er tien.
      3. Hoeveel kamers heb jij? Ik heb er drie.
      4. Hoeveel docenten heb jij? Ik heb er twee.
      5. Hoeveel buren heb jij? Ik heb er twee.
      6. Hoeveel kinderen hebben jouw buren? Ze hebben er vier.
      7. Hoeveel munten heb jij? Ik heb er een paar.
      8. Hoeveel geld heb jij? Ik…Read More

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er zeven.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Ze hebben er geen.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb een liter melk.
      10. Ik heb een pakket suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er geen.
      5. Ik heb er vier.
      6. Zij hebben er geen.
      7. Ik heb er vijf.
      8. Ik heb er genoeg.
      9. Ik heb er een pakje.
      10. Ik heb er geen.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er vier.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er veel.
      6. Ze hebben er één.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb geen suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er een.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er veel.
      6. Ze hebben er veel.
      7. Ik heb er een paar.
      8. Ik heb te veel geld.
      9. Ik heb te veel melk.
      10. Ik heb een beetje suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er twee.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Ik heb er vijf.
      7. Ik heb er tien.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb te veel suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er vijf.
      4. Ik heb er een.
      5. Ik heb er twee.
      6. Zij hebben er geen.
      7. Ik heb er veel
      8. Ik heb veel geld.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb nog suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er vier.
      4. Ik heb er twee.
      5. Ik heb er veel.
      6. Ze hebben er twee.
      7. Ik heb er een paar.
      8. Ik heb genoeg geld.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb te weinig suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er vier.
      4. Ik heb er twee.
      5. Ik heb er veel.
      6. Ze hebben er drie.
      7. Ik heb er weinig.
      8. Ik heb geen geld.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb geen suiker.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er drie.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er veel.
      6. Mijn buren hebben er geen.
      7. Ik heb er enkele.
      8. Ik heb er veel.
      9. Ik heb er geen.
      10. Ik heb er geen.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er drie.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er vijf.
      6. Ze hebben er geen.
      7. Ik heb er geen.
      8. Ik heb er te veel.
      9. Ik heb er geen.
      10. Ik heb er geen.

    • 1. Ik heb er twee.
      2. Ik heb er tien.
      3. Ik heb er drie.
      4. Ik heb er één.
      5. Ik heb er twee.
      6. Ze hebben er geen.
      7. Ik heb er twintig.
      8. Ik heb er genoeg.
      9. Ik heb geen melk.
      10. Ik heb veel suiker.

  • Load More Posts