-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 162
Opdracht 5
Plaats jouw antwoorden hieronder:137 Comments-
1. Ik wil elk weekend met de stofzuiger mijn huis schoomaaken.
2. Wij zijn elke doordeweekse dagen met de laptop in het kantoor werken.
3. Hij wil elke maandag met zijn collega’s op het kantoor vergaderen.
4. Jij moet elke donderdag met de trein naar jouw werk gaan.
5. Zij is vanavond met de auto naar het stad winkelen. -
1. Ik wil morgen met mijn vriendin in de bioscoop een film kijken.
2. Wij gaan vanavond met onze hond in het park wandelen.
3. Hij kan op dinsdag zijn auto snel naar Parijs rijden.
4. Ik wil ‘s avonds lekker eten thuis koken.
5. Jullie mogen de marathon volgende week met jullie collega’s rennen. -
1. Ik wil vanavond met mijn vriend naar het feest gaan.
2. Wij moeten morgen met de auto in de supermarkt boodschappen doen.
3. Wij zijn gisteren met ons fiets naar werk fietsen.
4. Henry heb de hele dag met zijn auto langs het kanaal rijden.
5. Maria wil elke dag met haar hond dichtbij huis lopen. -
1. Ik wil vrijdag met mijn collega vroeg van het werk vertrekken.
2. Hij moet vanavond met een tas de boodschappen brengen.
3. Ik ga morgen met de fiets naar het werk fietsen.
4. Jullie moeten morgen met de trein naar het werk gaan.
5. Zij willen op vakantie met de auto naar Italië gaan -
1. Ik wil de krant gisteren met mijn bril in de bibliotheek lezen.
2. De kinderen kunnen ‘s ochtends met lego’s op school spelen.
3. Hij wil ‘s ochtends his thee langzaam in his tuin drinken.
4. Didem moet elke dag op een deterministische manier in de bibliotheek studeren.
5. Ik zal de groenten vandaag voorzichtig in de supermarkt kopen. -
1. Ik wil ‘s ochtends met mijn vriend in het park wandelen.
2. Zij moet in de middag met haar moeder op de markt gaan winkelen.
3. Wij willen ‘s avonds met onze buurman in de tuin werken.
4. Jullie moeten overdag met je collega’s op kantoor vergaderen.
5. De kinderen willen in de zomer met hun vrienden op het strand spelen. -
1. Ik moet elke ochtend snel naar het werk lopen.
2. Wij willen morgen gezellig in het park wandelen.
3. Jullie gaan elke vrijdagavond langzaam naar huis fietsen.
4. Zij moet iedere ochtend vroeg naar school gaan.
5. Wij kunnen elke keer hard in de sportschool trainen. -
1. Ik moet de koekjes met hazelnootjes dit weekend in de oven bakken.
2. Zij zal vandaag met haar vrienden in het café koffie drinken.
3. Hij moet morgenochtend met de fiets naar kantoor gaan.
4. Zij willen volgende maand met het vliegtuig naar Nederland gaan.
5. Ik wil elke weekend met de stofzuiger mijn huis schoonmaken. -
1. Ik wil morgen met de fiets naar de winkel gaan.
2. Zij moet elke maandag met de auto naar school rijden.
3. Hij kan elke avond snel in het park rennen.
4. Wij moeten elk weekend met de stofzuiger opruimen.
5. Ik moet elk weekend met mijn zoon winkelen. -
1. Ik wil vanavond met de fiets naar Dynamo gaan.
2. Wij zullen nu langzaam in het klaslokaal praten.
3. Je zult ‘s ochtends met een schaar je haar in de salon knippen.
4. Hij kan vandaag met de winkelwagen bij de supermarkt winkelen.
5. Zij moet de hele dag met de laptop op kantoor werken. -
1. Ik wil in het weekend met de fiets naar verschillende locaties van de Dutch Design Week gaan.
2. Ik moet morgen met de trein en met de bus naar mijn werk rijden.
3. Hij moest vorige maand met de brief naar de gemeente komen.
4. Wij willen volgende week even snel naar Ikea gaan.
5. Zij gaan volgend jaar met een hypotheek in Nederland een nieuw…Read More -
1. Ik moet morgen met de trein naar Amsterdam gaan.
2. Wij zullen in het weekend met mijn moeder pizza bakken.
3. Jullie kunnen op zaterdag met jullie vrienden een biertje drinken.
4. Wij moeten op zaterdag onze Dutch friend in Tilburg ontmoeten.
5. Wij kunnen voor de les met klasgenoten in Eindhoven een pizza eten. -
1. Hij wil volgende week met de scooter naar werk gaan.
2. Ik zal in het weekend met mijn kinderen thuis schoonmaken.
3. Jullie kunnen met Kerst met jullie gezin naar ons komen.
4. Zij mocht gisteren met jullie bij jullie thuis blijven.
5. De auto’s moeten langzaam op de snelweg rijden. -
1. Ik ga in het weekend met een trein naar Amsterdam reizen.
2. Ik ga morgen met een auto naar het werk rijden.
3. Ik ga vanavond met mijn collega’s op kantoor poolen.
4. Ik wil morgenochtend met mijn vriend in het park wandelen.
5. Ik ga morgen met de hond van mijn vrienden bij hun thuis spelen. -
1. Ik moet vandaag met mijn auto naar werk gaan.
2. Zij kan overdag met de fiets naar de bibliotheek gaan.
3. We kunnen in het weekend met jullie in het centrum afspreken.
4. Ik ga dit weekend even lekker in een café zitten.
5. Hij wil tijdens de wintervakantie met zijn vrouw naar Oostenrijk reizen. -
1. Wij willen op zondag samen naar de wedstrijd gaan.
2. Jij gaat vanmorgen met de tas naar de supermarkt fietsen.
3. Zij moest vorige week met zijn collega’s een presentatie op kantoor doen.
4. Jullie kunnen vandaag met de bus naar Utrecht komen.
5. Ik moet altijd gezond thuis eten. -
1. Ik heb gisteren rustig thuis gewerkt.
2. Jullie gaan morgen met de trein naar Amsterdam reizen.
3. Wij hebben vanochtend snel op kantoor gegeten.
4. Zij wilt volgende week samen in de stad winkelen.
5. Ik ben gisteren alleen naar school gefietst. -
1. Ik kan in de zomer met de auto naar verschillende stranden in Spanje rijden.
2. Ik zal morgen met de fiets en met de metro naar school reizen.
3. Hij moest vorige week met de documenten naar het kantoor gaan.
4. Wij plannen volgende maand even kort naar Duitsland te gaan.
5. Zij willen volgend jaar met spaargeld in Frankrijk een appartement huren. -
1. Ik wil ‘s avonds rustig in mijn kamer lezen.
2. Wij kunnen in het weekend samen thuis blijven.
3. Ik moet vanavond snel naar de winkel lopen.
4. Jullie mogen met op zaterdag met een camera tijdens het concert filmen.
5. Wij willen dit jaar goed Nederlands spreken leren. -
1. De baby probeert vandaag zonder steun in de stoel te zitten.
2. Het kind maakt vandaag met kleurpotloden op school het kleuren af.
3. De chef moet vanavond alleen in het restaurant koken.
4. Ik wil morgen op de trein naar het kantoor reizen.
5. Wij kunnen ’s ochtends snel in het park lopen. -
1. Jullie lopen morgen snel door het bos joggen.
2. Ik ga vanavond rustig in de tuin lezen.
3. Wij gaan morgen snel naar school fietsen.
4. Zij gaat vanmiddag vrolijk op het plein tekenen.
5. Hij rijdt volgende week enthousiast door de stad boodschappen doen. -
1. Ik wil morgen met mijn maan naar de tandrats gaan
2. Hij kan vandaag met zij vreindin in het restaurant eten
3. Wij kunnen morgen met jullie in het park wandelen
4. Zij mag vanavond met haar moeder thuis huiswerk maken
5. Wij zullen maandag bij de auto naar Amsterdam rijden -
1. Ik zal ’s morgens met de auto naar het ziekenhuis rijden.
2. Wij willen elke keer zonder jas buiten met de voetbal spelen.
3. Ze kan ’s middags met een recyclebare en herbruikbare tas naar de supermarkt gaan.
4. Wij gaan elke week met een quad naar het strand rijden.
5. Ik wil altijd met taalpartners op het internet spreken. -
1. Ik wil morgen met mijn vriend in het park wandelen.
2. De student moet morgen alleen op school een presentatie geven.
3. Ik kan dit weekend met vrienden in de stad winkelen.
4. De dokter moet straks snel in het ziekenhuis opereren.
5. Wij willen volgende week met de trein naar Brussel reizen.
6. De man kan vanavond alleen in de garage de auto repareren. -
1. Ik kan morgen met de fiets naar de universiteit gaan.
2. Wij willen vanavond samen in een restaurant eten.
3. Hij moet elke dag hard op zijn werk werken.
4. Zij kan vanmiddag rustig in het park wandelen.
5. Ik wil volgende week met het vliegtuig naar Spanje reizen.
6. Wij moeten morgen vroeg thuis vertrekken.
7. Hij wil vanavond alleen in zijn…Read More -
1. Ik moet morgen met mijn team in het kantoor samenwerken.
2. Zij gaat vanavond met veel enthousiasme in de studio zingen.
3. Wij willen volgende week met de nieuwe software in het lab werken.
4. Hij mag straks met zijn hond in het park spelen.
5. Jullie mogen binnenkort voorzichtig in de manege rijden. -
1. Ik ga morgen met de telefoon op school contact leggen.
2. Ik ging vanochtend alleen naar mijn werk.
3. Hij wil morgen met mij in het restaurant afspreken.
4. We gaan overmorgen in de tas op kantoor meenemen.
5. Je moet twee keer per dag met een tandenborstel in de badkamer poetsen. -
1- Zij moet ‘s avonds met de fiets naar sportschool gaan.
2- Hij wilde gisteren buiten met een jas dragen.
3- Zij kan ‘s ochtend met de auto naar het meer rijden.
4- Jullie willen nu met de pinpas in de winkel betalen.
5- Hij ging vanavond moe in het park wandelen. -
1. Ik wil elke dag met de fiets naar de winkel gaan.
2. Hij moet snel te voet naar huis komen.
3. Zij wil vanavond met haar echtgenoot in het park wandelen.
4. Wij kunnen morgen met jullie op kantoor een presentatie maken.
5. Jullie willen volgende maand met jullie ouders in een restaurant eten.
6. Jij moet vandaag met de bus naar jouw werk…Read More -
1. Ik kan morgen met de auto naar het werk rijden..
2. Ik probeer vanavond met een nieuw recept in de keuken te koken.
3. Ik wil vandaag met mijn telefoon in de supermarkt betalen.
4. Zij zal vanavond met haar piano in de woonkamer oefenen.
5. Zij mag vandaag met haar boek in de bibliotheek studeren. -
1. Ik wil morgen met de fiets naar het centrum gaan.
2. Wij kunnen zondag met onze familie in de tuin een barbecue maken.
3. Hij kan vanmiddag met zijn team in de sportschool een training volgen.
4. Ik moet vanavond met mijn zus thuis een taart bakken.
5. Hij wil morgen met zijn collega’s op kantoor een project afronden. -
1. Ik ging gisteren te voet langs het meer lopen.
2. Je wilde gisteren met jouw vriend naar de bioscoop gaan.
3. Hij moest vorig jaar met zijn vriendin naar een nieuwe stad verhuizen.
4. Ze kon afgelopen week vanwege het weer thuis werken.
5. Wij mochten eergisteren met onze studentenkaarten het museum bezoeken. -
1. Wij willen morgen met de auto naar Eindhoven reizen.
2. Je gaat morgen met de fiets boodschappen in de supermarkt doen.
3. Hij kan volgende week aan een vergadering met collega’s op kantoor meedoen.
4. Ik wil vanavond met het nieuw recept in de keuken proberen.
5. Zij kan dit weekend met de hond in het park uitlaten. -
1. Ik moest gisteren met mijn collega naar het gemeentehuis gaan.
2. Wij konden vorige week met de trein naar Amsterdam reizen.
3. Hij wilde morgen met zijn ouders een nieuwe auto kopen.
4. Zij mocht gisteren met haar studentenkaart gratis naar het concert gaan.
5. Ik kon eergisteren met mijn laptop thuis werken.
6. Mijn vrienden wilden volgend…Read More -
1. Hij zal de volgende keer op tijd voor het sollicitatiegesprek aankomen.
2. Ik wil iedere dag op de hoogte van het wereldnieuws blijven.
3. Zij mag over twee weken met een busje uit Kyiv vertrekken.
4. Je kunt vanavond niet met lege handen naar huis terugkomen.
5. Ze konden gisteren met plezier bij ons kletsen.
6. Je wilde die dag niet in paniek…Read More -
1 Ik wil morgen met de bus naar mijn werk gaan.
2 Mijn zus kan nu snel naar de supermarkt lopen.
3 We gaan volgende maand met het vliegtuig naar Portugal reizen.
4 Mijn vader wil vanavond thuis een film kijken.
5 Zij kunnen morgen met de fiets naar het park gaan.
6 Jij wilt op zaterdag met de auto naar het strand rijden. -
1. Een vriend gaat vandaag met de fiets naar het park hardlopen.
2. De tandarts gaat morgen met de auto naar de praktijk werken.
3. De leraressen gaan ‘s middags te voet naar de stad winkelen.
4. Wij gaan in het weekend met de trein naar Amsterdam wandelen.
5. Een astronoom gaat ‘s avonds met de telescoop naar het observatorium kijken. -
1. We moeten morgen met tegenzin naar het feestje gaan.
2. Ik zal dit jaar mijn Nederlands stap voor stap verbeteren.
3. Zij gaat morgenochtend haar laptop op school aansluiten.
4. Wij gaan vanavond de dozen voorzichtig in de garage neerzetten.
5. Hij wil binnen twee jaar zijn doelen zelfstandig bereiken.
6. Ik ga vanavond zelf het antwoord thuis…Read More -
1. Hij zal elke dag te snel langs de rivier rennen.
2. Je moet altijd langzamer praten in de trein.
3. Ik wil in het weekend graag thuis rusten.
4. Wij kunnen morgen met de auto naar de bioscoop.
5. Zij mag vanavond met haar vrienden bij ons eten.
- Load More Posts

1. per e-mail WAT naar jou sturen/een e-mail naar jou sturen.
2. volgend weekend met de auto
3. ..terug naar het werk.
4. naar de winkels gaan/gaan winkelen.