-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 162
Opdracht 2
Plaats jouw antwoorden hieronder:137 Comments-
1. Ik schilder avond op de muur met de borstel .
2. Hij stond gisteravond in de wachtrij met de groenten.
3. Hij strijkt elke dag op strijkplan met de strijkijzer.
4. Zij spraken vorige maandag in de vergadering met de microfoon.
5. Wij genoten vorig weekend thuis met de familie. -
1. Ik wandel vanavond naar IKEA met mijn vriendin.
2. Zij bakte gisteren pasta bij haar ouders met kaas.
3. Ik game ‘s avonds in mijn huis met mijn PS5.
4. Wij gaan elke dag naar kantoor met onze auto.
5. Ik ga morgen naar de PSV stadion met mijn vriendin. -
1. Ik ga morgen bij het station met mijn fiets.
2. Ik betaal om 8 uur in de winkel met de pinpas.
3. Ik fiets in het weekend naar België met jouw fiets.
4. Wij bellen morgenochtend snel thuis .
5. Wij bellen dit zondag naar jouw ouders met Zoom. -
1. Ik ben op zondag naar de bioscoop met de trein gegaan.
2. Je gaat vanavond naar huis met de fiets.
3. We hebben vorige avond thuis met waterballonnen gespeeld.
4. Ik ben gisteravond op de bank met de tv aan in slaap gevallen.
5. Ik was op vrijdag dronken op het feest met vodka. -
1. Ik koop vandaag bij de supermarkt met mijn pinpas .
2. Wij gaan vanavond naar de bioscoop met onze auto .
3. Ik las gisteren in de bibliotheek met mijn bril.
4. Hij zwemt ‘s ochtends in de sportschool snel .
5. Zij schildert vandaag in de tuin voorzichting . -
1. Ik werk ‘s ochtends thuis op mijn laptop.
2. Jullie sporten elke week in de sportschool met de coach.
3. Ik lees altijd in de trein snel.
4. Wij eten middags in de kantine gezellig.
5. Jullie fietsen avonds naar huis langzaam. -
1. Ik ga elke maandag naar kantoor met de auto.
2. Ik maak een keer per maand mijn huis met de stofzuiger schoon.
3. Ik speel vanavond in het sportcentrum met een bal.
4. Ik zet nu de tv in de woonkamer met de afstandsbediening aan.
5. Ik ga morgen naar de winkel te voet. -
1. Ik ging elke dag naar mijn werk met de metro.
2. Ik kook altijd in de keuken met muziek.
3. We gaan wekelijks boodschappen doen op de fiets.
4. We spreken drie keer per week met onze gezinnen via WhatsApp.
5. Het kind speelt elke avond in de tuin met zijn bal. -
1. Ik ga vanavond naar Dynamo met mijn fiets.
2. Wij spreken altijd in het klaslokaal langzaam.
3. Je knipt ‘s ochtends in de salon met een schaar.
4. Hij belt vandaag naar de huisarts met de app.
5. Zij werkt de hele dag op kantoor met de laptop. -
Ik ga morgen naar de les met de auto.
Ik werk morgen thuis met de computer.
Hij reed gisteren naar Amsterdam met de trein.
Zij kookt morgen thuis met de oven.
We eten elke middag in het restaurant met de lepal en vork. -
1. Ik werk maandag op het kantoor met mijn collega’s.
2. Wij bezochten haar gisteren bij haar thuis met onze auto.
3. Ik kocht de fiets vorige week bij Decathlon met mijn pinpas.
4. Hij heeft afgelopen zaterdag bij hem thuis samen met Mark de muren geverfd.
5. hij las de toespraak snel voor op de conferentie. -
1. Ik ga morgen naar de markt met de fiets.
2. Ik betaal meestal mijn boodschappen met pin.
3. Jij reist in de zomer naar Italië met de auto.
4. Wij gaan in december naar Australië met het vliegtuig.
5. Zij komen morgen thuis met de bus. -
1. Ik ga morgen naar kantoor met de auto.
2. Ik heb vorig jaar in Thailand met mijn familie gewoond.
3. Zij moet op vrijdag naar Amsterdam met de trein om te werken.
4. Jullie zijn in het weekend naar de Efteling met de bus geweest.
5. Peter heeft gisteravond in zijn slaapkamer met zijn moeder geslapen. -
1. Ik ging vorige zomer naar Italië met mijn auto.
2. Hij was gisteren op kantoor met zijn collega’s.
3. Jullie kochten vorig jaar bij een autodealer met contant geld.
4. Jij kookt elke keer in je keuken met plezier.
5. Zij reed vorige week naar het ziekenhuis met haar dochter. -
1. Ik ging in augustus naar Ierland met het vliegtuig.
2. Ik kwam vorig jaar naar Nederland met het vliegtuig.
3. Ik eet vanochtend thuis met mijn man.
4. Hij werkt vandaag op kantoor met zijn collega’s.
5. Zij wandelt elke ochtend in het park met haar vrienden. -
1. Ik kook ‘s avonds thuis met mijn gezin.
2. Zij drinkt in het weekend bij Stratumseind met haar vrienden.
3. Ik bepaal vandaag bij AH met pinpas.
4. Ik fiets vanochtend naar mijn werk met veel plezier.
5. Jullie gaan donderdag naar de Dynamo met veel motivatie. -
1. Ik praat vanmiddag bij de gemeente met de ambtenaar.
2. Hij loopt elk weekend naar de sportchool stappen tellend
3. Wij dronken na het werk in de bar tot wij dronken waren.
4. Zij zingen de hele dag onder mijn raam heel slecht.
5. Zij zwemt elke dag in het zwembad tot zij erbij neervalt. -
1-Ik slaap vanavond in het huis van mijn familie met mijn knuffelbeer.
2-Jullie rennen morgen in de tuin met jullie nieuwe schoenen.
3-Wij studeren vanmiddag in de bibliotheek met onze vrienden.
4-Zij danst volgende zaterdag op de bruiloft met haar man.
5-Hij blaast vanavond de kaarsen op de taart uit met zijn mond. -
1. Jij werkt vanavond op kantoor met jouw collega.
2. Zij eten op zondagavond in het restaurant met zijn familie.
3. Ik fiets altijd naar het centrum blijf.
4. Jullie bakken vandaag thuis met hulp.
5. Wij komen nu naar de huisarts snel. -
1. Ik sport elke ochtend in de sportschool actief.
2. Hij wacht nu bij de halte geduldig.
3. Zij leest vanmiddag in de tuin rustig.
4. Jullie werken volgende week op het project samen.
5. Ik leer morgen op school goed. -
1. Wij lopen vanavond in het park met de nieuwe schonen.
2. Hij rijdt ‘s ochtends naar de sportschool met de fiets.
3. Zij slaapt elke dag in de slaapkamer met haar kind.
4. Zij ga ’s ochtends naar werk met de trein.
5. Ze werken vandaag thuis met de boormachine. -
1. Ik schrijf tijdens de les mijn notities met een pen.
2. Hij eet altijd heel langzaam.
3. Zij reist volgende week naar Amsterdam met de trein.
4. Wij begrijpen meestal het Duits goed.
5. Zij begroeten ’s ochtends ons vrolijk. -
1. Jij kunt morgenochtend in het park snel rennen.
2. Ik werk vandaag op mijn kantoor hard.
3. Wij kunnen ‘s avonds naar de restaurant een plaatz reserveren.
4. Jullie reizen elke maand naar jullie ouders met de trien.
5. Hij speelt elke vrijdag in de sportschool met zijn vrienden. -
1. Ik bouw vandaag op het plein een snelpop.
2. Je skatet vandaag op het kanaal met schaatsen.
3. Je houdt altijd het hoofd veilig met een helm.
4. Je oefent vandaag op de mobiel met een app.
5. Jullie koken morgen in de keuken met vuur. -
1. Ik werk elke ochtend op kantoor rustig.
2. Wij drinken vanavond thuis samen.
3. Hij studeert elke middag in de bibliotheek serieus.
4. Zij wandelt elke zondag in het bos ontspannen.
5. Ik eet vanmiddag op mijn werk snel. -
1- Zij gaat ‘s avonds naar sportschool met de fiets.
2- Hij zat gisteren buiten met een jas aan.
3- Zij renden vorige week naar het meer rustig.
4- Jullie kochten twee dagen geleden een cadeau in het winkelcentrum met de pinpas
5- Hij snoeide afgelopen weekend in de tuin met een mes -
1. Hij klom drie dagen geleden in de boom rustig.
2. Ze bleven vorige week daar heel kort.
3. Hij speelde vroeger in het park met zijn vriend.
4. Wij aten vorige vrijdag in een restaurant met plezier.
5. Zij kwamen eergisteren bij het huis van hun ouders kort langs. -
1. Ik ga morgen naar het centrum met de fiets.
2. Ik ga maandag naar het werk met de tram.
3. Hij liep gisteren naar het huis met de hond.
4. Ik bestel altijd mijn spullen met mijn telefoon.
5. Ik betaal meestal in de winkel met pinpas. -
1. Ik ga elke dag naar de supermarkt met de auto.
2. Wij slapen vanavond bij mijn ouders met de airco open.
3. Wij keken gisteravond Netflix in de woonkamer met een drankje.
4. Hij sport elke week in de sportschool met een handdoek.
5. Wij aten afgelopen week in een restaurant met onze ouders. -
1. Ik ga elke dag naar het werk met de elektrische fiets.
2. Ik ga vanavond naar het centrum met de bus.
3. Hij tekent de hele dag op kantoor met deze software.
4. Zij belde gisteren in het park met haar telefoon.
5. Wij zijn nu in de tuin met Airpods naar muziek aan het luisteren.
6. Zij bestelden voor de les eten in het restaurant met de app.
7.…Read More -
1. De buren praten ‘s avonds in hun slaapkamer zonder schroom.
2. Zij zingt op dit moment in de badkamer met tranen in haar ogen.
3. De vrienden lachten gisteravond op het feestje elkaar uit.
4. Mijn sleutels liggen zoals altijd op het nachtkastje zonder sleutelhanger.
5. Wij ontbeten vanochtend in het café met plezier.
6. Kinderen roken tijdens…Read More -
1 Ik studeer vanavond thuis met mijn computer.
2 We gaan morgen naar Amsterdam met de trein.
3 Mijn vriend werkt elke dag op kantoor met zijn collega’s.
4 Jullie gaan op zaterdag naar de markt met de auto.
5 Zij reist volgend jaar naar Italië met het vliegtuig.
6 De kinderen spelen vanmiddag in de tuin vrolijk. -
1. Mijn zus gaat ‘s ochtends naar school met de bus.
2. Zij reizen in de winter naar de Alpen met de trein.
3. De arts gaat ‘s avonds naar het ziekenhuis met de auto.
4. Mijn opa kijkt ‘s middags naar de vogels met de verrekijker.
5. Mijn vader ging gisteren naar de tuin met de paraplu.
6. Jouw buurman ging in het weekend naar de garage met de zaklamp. -
1. Zij heeft gisteren het kantoor eerder verlaten.
2. Ik ging gisteren naar de bibliotheek met tegenzin.
3. We brengen onze tijd in Italië samen door .
4. Het weer koelt komende week in Eindhoven geleideijk.
5. De kinderen keken naar de cartoon in de woonkamer nieuwsgierig. -
1. Ik werk ‘s ochtends op kantoor met de computer.
2. Wij spelen ‘s middags op het schoolplein met een bal.
3. Hij eet ‘s avonds aan tafel met een lepel.
4. Zij studeert elke avond in de bibliotheek met haar laptop.
5. Ik wandel elke zondag door het bos met mijn hond.
- Load More Posts

5..met mijn kwast.