-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek. Pagina 161
Opdracht 1
Plaats jouw antwoorden hieronder:131 Comments-
1. Wij gingen vorige maand met de vliegtuig naar vakantie.
2. Ik maak elke dag met het doekje mijn tafel schoon.
3. Hij kijkt morgen met de 3D bril op de bioscoop.
4. Zij kookt gisteren met de pan in haar keuken.
5. Ik wandel met mijn wandelstok de heuvel op. -
1. Ik ga vanavond met de trein naar Leiden.
2. Ik spel vandaag met vrienden in school.
3. Wij lopen morgen langzaam naar Boxtel.
4. Wij gingen gisteren met de auto op kantoor.
5. Hij koopt later met zijn pinpas in de supermarkt. -
1. Wij werken morgen met het nieuwe systeem op het kantoor.
2. Je ontmoet hem morgen met mijn hulp na het werk.
3. Jullie hebben gisteren met mijn kaart in het museum betaald.
4. Hij ging vorige week lopend naar de sportschool.
5. Ik bezocht hem op zaterdag met de trein in zijn huis. -
1. Ik eet ‘s avonds in het weekend met mijn vriend in een restaurant .
2. Ik lees ‘s avonds met mijn kindle op mijn bank.
3. Wij werken overdag met onze collega’s op kantoor.
4. Mijn broer en ik winkelen in het weekend met onze moeder in de stad.
5. Wij reizen in de zomer met onze vrienden naar Frankrijk. -
1. Ik ga ochtends met de bus naar mijn kantoor.
2. Ik fiets elke dag snel in het centrum.
3. Wij lopen avonden met onze vrienden in het park.
4. Ik speel avonden met de PC thuis.
5. Hij wandelt soms langzaam in de stad. -
1. Hij gaat morgen naar Ikea nieuwe dingen kopen.
2. Ik lees elke avond met mijn bril in mijn tuin.
3. Zij gaan elke dag met de bus naar haar kantoor.
4. Ik eet elke avond muesli met melk in mijn keuken.
5. Hij loopt in het weekend met zijn hond naar het park. -
1. Ik ga vanavond met mijn fiets naar Dynamo.
2. Wij spreken altijd langzaam in het klaslokaal.
3. Je knipt ‘s ochtends met een schaar in de salon.
4. Hij belt vandaag met de app naar de huisarts.
5. Zij werkt de hele dag met de laptop op kantoor. -
1. Ik ga maandag met de fiets naar Dynamo.
2. Hij speelde gisteren met de collage op de grond.
3. Ze winkelt elke zaterdag met een pinpas in het warenhuis.
4. Ik winkel elke zondag met mijn zoon in de winkel.
5. Ik loop elke avond met mijn hond in het park. -
1. Ik rijd ‘s ochtends met de trein en met de bus naar mijn werk.
2. Ik werk elke dag met de computer op kantoor.
3. Ik stuur soms briefjes met PostNL naar mijn familie.
4. Jij voetbalt in het weekend met jouw vrienden buiten.
5. Wij gaan volgende week met de fiets naar de Dutch Design Week. -
1. Ik liep gisteren snel naar buiten.
2. Jij gaat vanochtend boos naar huis.
3. Hij gaat vanmiddag met de auto naar het werk.
4. Wij lopen ‘s middags langzaam naar school.
5. Jullie studeren ‘s avonds met boeken in de bibliotheek. -
1. Ik rijd vanavond met de fiets naar jullie.
2. Wij gingen gisteravond met jullie naar de bioscoop.
3. Maurice is in het weekend met zijn vriendin naar AH gegaan.
4. Ik ben in 2024 met mijn vriend naar Indonesië gereisd.
5. Ze kijken vanavond met de hond naar televisie. -
1. Ik ga elke zaterdag te voet naar mijn vriend.
2. Hij gaat volgende week met het vliegtuig naar Spanje.
3. Jullie moeten morgen vroeger met jullie eigen vervoer naar school komen.
4. Hij maakt nu zijn huiswerk zittend in de bus af.
5. Ik maak straks mijn ramen met het glasreinigingsmiddel op de eerste verdieping schoon. -
1. Ik reis in het weekend met een trein naar Amsterdam.
2. Ik ga morgen met een auto naar het werk.
3. Ik pool vanavond met mijn collega’s op kantoor.
4. Ik wandel morgenochtend met mijn vriend in het park.
5. Ik speel morgen met de hond van mijn vrienden bij hun thuis. -
1. Ik ga morgen met de fiets naar mijn werk.
2. Hij drinkt vrijdagavond met zijn vrienden in een kroeg.
3. Wij reden gisteren snel naar Schiphol Luchthaven.
4. Ik wacht ongeduldig in de rij.
5. Hij praat elke keer zo hard in het café. -
1. Ik ga elke dag met mijn auto naar mijn werk.
2. Ik ren ‘s ochtends met mijn nieuwe hardlopenschoenen door het bos.
3. Ik betaal vandaag met contant bij Jumbo.
4. Ik schreef gisteren met een pootlood in de klas.
5. Ik voetbalde vorige week met vrienden op het sportveld. -
1. Ik ga morgen met de fiets naar school.
2. Ik koop vanochtend met de betaalpas in de winkel.
3. Ik wandel vanavond met mijn man in het park.
4. Ik kookte gisteren snel in mijn keuken.
5. Ik ging in het weekend met mijn auto naar Zweden. -
1. Ik ga elke zaterdag met mijn fiets naar de markt.
2. Jij gaat op vrijdag met jouw vriendin naar het muziekgebouw.
3. Wij trainen morgen hard in de sportschool.
4. Zij loopt altijd snel naar het station.
5. Jullie kopen morgenochtend vroeger in de winkel. -
1. Ik sport elke ochtend in de sportschool actief.
2. Hij wacht nu bij de halte geduldig.
3. Zij leest vanmiddag in de tuin rustig.
4. Jullie werken volgende week op het project samen.
5. Ik leer morgen op school goed. -
1. Ik kook vandaag met mijn vrienden in mijn huis.
2. Zij gaat vanavond met de bus naar action.
3. Hij speelt morgen met zijn broer op de computer.
4. Ik praat ‘s nachts met mijn familie via de telefoon.
5. Jullie lezen morgen met de docent in de klas. -
1. Jullie leren zorgvuldig elke dag Nederlands met een app.
2. Ik praat ’s avonds met mijn vriend via de telefoon.
3. Wij betalen meestal in de winkel met een pinpas.
4. Jij lees ’s avonds rustig een boek.
5. Zij vertrekt morgen later naar werk. -
1. Wij lezen elke dag nieuws op de TV thuis.
2. Hij heeft morgen na zijn werk winkelen.
3. Ik denk dat het vanavond heel koud wordt in Eindhoven.
4. Jij gaat dit weekend alle boeken in de bibliotheek klaarmaken.
5. Zij vliegt volgende maand met KLM naar Zuid-Afrika. -
1. Ik ga morgen bij de fiets naar het centrum
2. Hij gaat vanmiddag bij zijn auto naar Parijs
3. Zij gaat volgende jaar met haar man naar Zwitzerland
4. Jullie gaan volgende maand naar de oogarts
5. Zij gaat vandaag verdrietig naar haar werk
6. Zij leest vannacht met haar zusje in haar bed
7. Hij loopt vandaag slaperig naar school
8. We spelen…Read More -
1. Ik werk ’s ochtends met mijn laptop op kantoor.
2. Zij reist morgen met de trein naar Amsterdam.
3. Wij studeren vanavond met onze vrienden in de bibliotheek.
4. Hij sport elke dag met veel energie in de sportschool.
5. Jullie koken vanmiddag met verse groenten in de keuken.
6. Ik lees ’s avonds rustig in mijn kamer.
7. Zij praat van…Read More
-
1. Wij reizen elke zomer met de trein naar Parijs.
2. Hij betaalt elke maand met zijn kaart in de supermarkt.
3. Wij spelen elk weekend met een bal in de tuin.
4. Hij komt elke dag met de bus naar het werk.
5. Ik slaap elke nacht goed in mijn bed.
6. Wij eten vanavond samen in de keuken.
7. Zij leest elke avond alleen op de bank.
8. Ik ga morgen…Read More -
1. Ik werk elke dag rustig op kantoor.
2. Wij wandelen elke avond samen in het park.
3. Hij studeert elke ochtend hard in de bibliotheek.
4. Zij rijdt elke week met de auto naar haar werk.
5. Ik kook vanavond snel in de keuken.
6. Wij spelen elke zondag gezellig in de tuin.
7. Hij leest elke nacht stil in zijn kamer.
8. Zij schrijft elke maand met…Read More -
1- Ik ging gisteren met de fiets naar de bioscoop.
2- Ik ga vanavond met de auto naar mijn vriendin.
3- Hij kookt morgen met de pan in de keuken.
4- Zij dragen volgende week met de tas in de tuin.
5- Jullie kopen volgende keer met contact in de winkel. -
1. Ik bracht twee dagen geleden met de auto naar school.
2. Hij kreeg gisteren snel in de kamer.
3. Zij kwam vanochtend zonder jas naar buiten.
4. Zij maakte gisteren met haar kind in de keuken klaar.
5. Jij reed vorige week met de bus naar jouw werk. -
1. Ik ga vanavond met mijn fiets naar het park.
2. Jij speelt morgen met de bal in jouw achtertuin.
3. Hij werkt vannacht met de computer thuis.
4. Zij kwam gisteren met haar auto naar de bibliotheek.
5. Wij rijden vrijdag met de bus naar kantoor.
6. Ik betaalde gisteren met mijn pinpas in het restaurant.
7. Jullie gingen twee maanden geleden met…Read More -
1. Ik ga morgen met de trein naar kantoor.
2. Ik betaal nu met de pinpas op de markt.
3. Zij leest vandaag met haar nieuwe bril in de bibliotheek.
4. Jullie sporten elke ochtend met vrienden in de sportschool.
5. Ik studeer vanmiddag met mijn laptop in de woonkamer.
6. Zij schrijft morgen met een pen aan haar bureau. -
1. We gaan volgend jaar met de auto naar Noorwegen.
2. Hij kookt ‘s avonds met de nieuwe kookpan thuis.
3. Ik speel vandaag met de hond buiten.
4. Hij praat vanmiddag met zijn collega op kantoor.
5. Ik wandel elke dag met mijn vriend in het park.
6. Ik werk soms op mijn computer vanuit thuis. -
1. Ik ga elke dag met de elektrische fiets naar het werk.
2. Ik ga vanavond lopend naar het centrum.
3. Hij tekent de hele dag met deze software op kantoor.
4. Zij belde gisteren met haar telefoon in het park.
5. Wij zijn nu op Spotify in de tuin naar muziek aan het luisteren.
6. Zij bestelden voor de les eten met de app in het restaurant.
7. Jij…Read More -
1. Je rijdt momenteel met spoed naar de kraamkliniek.
2. Het waaide gisteren met stevige windvlagen uit het westen.
3. Zij verscheen die dag stralend op het feest.
4. Ik ga vandaag met plezier naar de bioscoop.
5. Ze bewogen twee weken geleden met moeite in de sportschool.
6. Wij blijven morgen in stilte thuis.
7. Mensen bogen vanochtend met…Read More -
1 Ik ga morgen met de bus naar mijn werk.
2 Mijn zus loopt elke ochtend snel in het park.
3 We reizen komende maand met het vliegtuig naar Spanje.
4 Zij gaan vanavond met de fiets naar de supermarkt.
5 Jij loopt elke dag snel naar het station.
6 Mijn ouders gaan komende zondag met de auto naar het strand. -
1. Wij bezoeken maandelijks regelmatig het geboorteland van mijn vriend.
2. Zij gaat morgen met tegenzin naar het gemeentehuis
3. Ik heb mijn vakgebied in het verleden met liefde aan de universiteit gestudeerd.
4. Hij gaat elke dag met de trein naar zijn werk
5. Ik heb vorig jaar meer Nederlandse gewoonten in Nederland overgenomen.
- Load More Posts

3. …aan de telefoon met…
5. op het paard.
7. In het weekend
8. print