-
Dutchbook huiswerk:👍
Boek SN. Pagina 127Plaats jouw antwoorden hieronder:
88 Comments-
1. Ik wil op 1 augustus het NT2-examen bij de IND doen.
2. Zij kan morgen de les bij Dynamo volgen.
3. Jij moet volgende week de vergadering op kantoor plannen.
4. Hij zal vanavond de pizza thuis maken.
5. Wij mogen volgend jaar de PR bij de IND aanvragen. -
1. Ik wil het plan vanmiddag met je op kantoor overleggen.
2. Ik wil zijn voorstel persoonlijk tijdens de vergadering afwijzen.
3. Zij gaat dit onderwerp in haar presentatie in de vergaderzaal aanspreken.
4. Hij gaat zich dit jaar voor zijn studie in Nederland inspannen.
5. Jullie moeten de keuken vandaag thuis opruimen. -
1. Ze willen tijdens de les zijn huiswerk afmaken.
2. Ik wil later jouw adres in mijn telefoon opschrijven.
3. Wouter moet morgen om 8 uur opstaan voor zijn werk.
4. Ik moet voor het feest bij de receptie aanmelden.
5. Anna moet een oplossing voor het probleem uitdenken. -
1.Ik moet morgen mijn afspraak bij de tandarts afbellen.
2. Hij moet deze week zijn auto in het tankstation afwassen.
3. Jullie mogen op vrijdag bij opa en oma laat opblijven.
4. Ik wil vandaag om 10 uur met de auto aanrijden naar Amsterdam .
5. Ze moeten voor 10 uur de oven in de keuken uitzetten. -
1. Ik moet vanavond het afval weggooien.
2. Ik wil morgen over onze afspraak nadenken.
3. Ik zal me volgende week voor de cursus aanmelden.
4. Wij willen vanavond onze oude kleren weggeven.
5. Karel zal morgen over het plan uitleggen. -
1. Ik wil dit jaar een goede gewoonte thuis aannemen.
2. Je moet altijd je afspraken in Nederland nakomen.
3. Ik heb vorig jaar al mijn geld op vakantie opgemaakt.
4. Ik wil volgende week snoep aan kinderen in de buurt weggeven.
5. Wij moeten altijd een ruzie thuis oplossen. -
1. Ik zal op maandag in Eindhoven aankomen.
2. Ik wil deze keer mijn cursus bijhouden.
3. Wij willen vandaag met jullie plan meegaan.
4. Ze kan over het weekend jouw sollicitatie bekijken.
5. Je mag voor volgende week jouw gesprek afzeggen.
-
1. Ik moet elk jaar dit onderwerp aan de kinderen uitleggen.
2. Ik wil vandaag de tas op Internet aankopen.
3. Het kind kon gisteren weer door de buurt fietsen.
4. Hij gaat vanavond het huis schoonmaken.
5. Ze wil morgen een taart naar het diner meenemen. -
1. Mijn vriend kan volgend weekend de koelkast bij ons thuis ophalen.
2. Wij zullen vanavond de puinhoop thuis schoonmaken.
3. Hij wil elke week mijn huiswerk op school afkijken.
4. Jij mag later een nieuwe afspraak bij jouw huisarts aanvragen.
5. Ik moet altijd de gerechten thuis afwassen. -
1. Ik moet morgen mijn broer thuis opbellen .
2. Wij willen in het weekend lekker uitslapen.
3. Hij kan vanavond de borden in de keuken afwassen.
4. We zullen straks de deur op kantoor dichtdoen.
5. Jij moet nu de formulier formulieren invullen. -
1. Wij gaan vanavond de afwas in de keuken afwassen.
2. Jij moet straks de jas bij de deur aantrekken.
3. Hij zal volgende week met vrienden in de stad uitgaan.
4. Zij gaat vanmiddag haar laptop naar school meebrengen.
5. Jullie willen dit weekend de kamer thuis opruimen. -
1. Ik wil morgen de brief op het postkantoor ophalen.
2. Ik moet vandaag mijn huiswerk thuis afmaken.
3. Hij mag vanmiddag mijn zoon in het park ophalen.
4. Zij moet elke avond het licht in haar huis uitdoen.
5. Ik wil nu dit probleem hier uitzoeken. -
1. Ik moet om 6 uur de kinderen van school ophalen.
2. Ik wil vanochtend mijn huiswerk in de bus afmaken.
3. Je mag morgen dit formulier bij de gemeente invullen.
4. Ik moet vandaag een interview met de koning in de studio opnemen.
5. Wij willen vanavond de boeken in de woonkamer opruimen. -
1. Ik moet vandaag mijn huiswerk thuis afmaken.
2. Wij mogen volgende maand het schilderij aan de muur ophangen.
3. Ze wil vanavond de oude doos op zolder uitpakken.
4. Hij moet volgende week de takken in de tuin afzagen.
5. Jij kunt morgen de afwas in de keuken afwassen. -
1. Ik moet na het werk mijn moeder in de auto terugbellen.
2. We willen in het weekend de woonkamer thuis schoonmaken.
3. Hij moet voor de les worstenbroodjes bij de bakker meenemen.
4. Je kunt vanavond jouw idee thuis uitleggen.
5. Jullie zullen in het weekend met een dutch friend online afspreken. -
Ik moet morgen thuis mijn kamer schoonmaken.
Ik wil dit jaar in Eindhoven een hypotheek afsluiten.
Je moet morgen jouw tekstboek naar Dynamo meenemen.
Ik wil volgende week tijdens het Chili festival in Strijp-S met nieuwe mensen kennismaken.
Ik zou morgen met de trein in Amsterdam aankomen. -
1. Ik moet voor morgen mijn huiswerk thuis afmaken.
2. We moeten morgenmiddag het eten thuis voorbereiden.
3. Ik wil nu de muziek op mijn telefoon aanzetten.
4. Ik wil voor de les de deur van het lokaal dichtdoen.
5. We moeten vandaag onze kleding afwassen. -
1. Ik wil vandaag jouw probleem op kantoor oplossen.
2. Zij moet morgen haar huiswerk thuis afmaken.
3. Hij kan in het weekend jouw boek naar jouw huis meenemen.
4. Je kunt morgen jouw tas op school terugkrijgen.
5. Wij willen deze week oude brieven thuis weggooien. -
1. We moeten ons vroeg thuis aankleden.
2. Ik ga vanavond de wasmachine aanzetten.
3. Ik wil vandaag mijn huiswerk op het hotel afmaken.
4. We moeten elkaars antwoorden voor de les nakijken.
5. Ik wil meer tijd voor mijn hobby’s uitgeven. -
1) Ik zal vanmiddag thuis de weersvoorspelling nakijken.
2) Wij moeten vanmiddag het middageten in het Griekse restaurant doorgeven.
3) Zij hopen vanmorgen de paaseierenzoektocht bij de kerk te voorkomen.
4) Jij moet vandaag de Nederlandse uitdrukking op de dynamo uitspreken.
5) Zij moeten binnenkort het licht in de tuin aanzetten. -
1. Ik zal je morgen een goed boek op kantoor aanraden.
2. Hij gaat vandaag medicijnen bij de apotheek aanschaffen.
3. Ik moet ‘s avonds het licht op mijn balkon aanzetten.
4. Ik moet nu deze film op mijn telefoon afkijken.
5. Zij gaat vanavond haar huiswerk thuis afmaken. -
1. Ik zal morgen het pakket van het ophaal punt ophalen.
2. Hij gaat vanavond naar huis want hij moet zijn auto opladen.
3. Ze willen zondag samen in het restaurant doorbrengen.
4. Ik zal volgende week mijn moeder van de luchthaven ophalen.
5. Ik zal jou vanavond bij het muziekfestival afzetten. -
1. Wij moeten morgenavond in Eindhoven met de hele familie samenkomen.
2. Je mag dieren uit de dierentuin nooit in de natuur vrijlaten.
3. Ik kan deze oude documenten morgen op kantoor weggooien.
4. Het kind wilt altijd op straat de hand van zijn moeder vasthouden.
5. Hij wilt volgende week tijdens de vergadering een ander idee voorstellen. -
1. Hij gaat vandaag zijn werk op kantoor niet afmaken.
2. Jullie moeten volgende week het geld naar mijn rekening overmaken.
3. Het meisje was gisteren tijdens de wedstrijd erg teleurgesteld.
4. Je moet tijdens de lunch je brood op school niet in één keer opeten.
5. Iemand komt morgen het internet hier aansluiten. -
1-Ik wil vandaag mijn vrienden in ons huis uitnodigen.
2-Wij moesten gisteren aan een evenement op school meedoen.
3-Je kunt vanavond het pakketje bij de supermarkt ophalen.
4-Zij moesten twee dagen geleden dit boek naar de bibliotheek terugbrengen.
5-Ik kan morgen de benodigde informatie over het onderzoek op internet opzoeken.
- Load More Posts

(2. op de computer)
4. het woord
5. het pakket